ECLI:NL:RBNNE:2025:3138

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
29 juli 2025
Publicatiedatum
30 juli 2025
Zaaknummer
18-036793-25
Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Type
Uitspraak
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Medeplegen van poging tot doodslag en vernieling in Leeuwarden

Op 29 juli 2025 heeft de Rechtbank Noord-Nederland uitspraak gedaan in een strafzaak tegen een verdachte die zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van poging tot doodslag en vernieling. De zaak vond plaats in Leeuwarden en betreft een incident dat zich voordeed op 28 januari 2025. De verdachte en een medeverdachte hebben het slachtoffer, terwijl deze werd vastgehouden, met een baksteen zestien keer op het hoofd geslagen. De rechtbank oordeelde dat er sprake was van medeplegen en voorwaardelijk opzet op de dood van het slachtoffer. De verdediging voerde aan dat er geen sprake was van opzet en dat de verdachte vrijwillig was teruggetreden, maar dit werd door de rechtbank verworpen. De rechtbank veroordeelde de verdachte tot een gevangenisstraf van 30 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren, en legde bijzondere voorwaarden op. Daarnaast werd er een schadevergoeding toegewezen aan de benadeelde partij, die het slachtoffer was van de geweldsdelicten. De rechtbank benadrukte de ernst van de feiten en de impact op de slachtoffers en de omgeving.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Afdeling strafrecht
Locatie Leeuwarden
Parketnummer 18-036793-25
Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 29 juli 2025 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1974 te [geboorteplaats] , wonende [adres] ,
thans gedetineerd in de [instelling] .
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 15 juli 2025. De strafzaak tegen verdachte is eerder behandeld op de zitting van 6 mei 2025.
Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. P. Bollema, advocaat te Leeuwarden. Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. H. Mous.

Tenlastelegging

Aan verdachte is, na nadere omschrijving van de tenlastelegging, ten laste gelegd dat: 1
hij op of omstreeks 28 januari 2025 te Leeuwarden tezamen en in vereniging met een ander, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader voorgenomen misdrijf om [slachtoffer] opzettelijk van het leven te beroven, die [slachtoffer] met kracht zestien
maal, althans eenmaal of meermalen, met een baksteen, althans een voorwerp, op zijn hoofd heeft geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 28 januari 2025 te Leeuwarden tezamen en in vereniging met een ander, althans alleen, aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten een (zichtbaar blijvend) litteken in het gezicht, voor de geneeskundige behandeling waarvan (een) hechting(en) is/zijn aangebracht, en/of een botbreuk in de hand (met blijvende beperking van de handfunctie), heeft toegebracht, door die [slachtoffer] met kracht zestien maal, althans eenmaal of meermalen, met een baksteen, althans een voorwerp, op zijn hoofd te slaan;
meer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 28 januari 2025 te Leeuwarden tezamen en in vereniging met een ander, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, die [slachtoffer] met kracht zestien maal, althans eenmaal of meermalen, met een baksteen, althans een voorwerp, op zijn hoofd en/of handen heeft geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
2
hij op of omstreeks 28 januari 2025 te Leeuwarden opzettelijk en wederrechtelijk een raam van een portiekdeur en/of een voorruit, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer] en/of WoonFriesland, in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft vernield, beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt.
Beoordeling van het bewijs
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft bewezenverklaring gevorderd van feit 1 primair, gelet op de aangifte, de beschrijving van de camerabeelden, het forensisch onderzoek naar de baksteen en het letselverslag. De medeverdachte heeft aangever vastgehouden terwijl verdachte meermaals met een baksteen op het hoofd van aangever heeft geslagen. Hieruit volgt dat sprake is van medeplegen en voorwaardelijk opzet op de dood.
De officier van justitie heeft eveneens bewezenverklaring gevorderd van feit 2, gelet op de aangifte en de bekennende verklaring van verdachte.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft vrijspraak bepleit van het onder feit 1 ten laste gelegde, omdat niet gebleken is dat beide verdachten het voor medeplegen van poging tot doodslag/zware mishandeling vereiste (voorwaardelijk) opzet op de gronddelicten hebben gehad. Van een nauwe en bewuste samenwerking is evenmin gebleken. Uit het dossier blijkt immers niet van enig overleg of planning. Ook was er geen aanmerkelijke kans dat aangever als gevolg van de klappen met de baksteen dodelijk getroffen zou worden. Voorts is zijn letsel niet aan te merken als zwaar lichamelijk letsel.
De raadsman heeft bepleit dat feit 2 wettig en overtuigend bewezen kan worden.
Het oordeel van de rechtbank1
Vastgestelde feiten
Aangever [slachtoffer] (verder: aangever) is in 2021 aan de [adres] in Leeuwarden komen wonen en heeft sindsdien een conflict met zijn bovenbuurman verdachte [verdachte] vanwege geluidsoverlast.2 Op 28 januari 2025 tussen 23.30 en 23.45 uur belde aangever de politie omdat verdachte samen met een vriend (de medeverdachte) wederom geluidsoverlast veroorzaakte.3 Nadat aangever buiten op straat in gevecht raakte met verdachte en de medeverdachte is hij zijn woning in gevlucht en heeft de deuren dicht gedaan.4
Onder de raampartij in de voortuin van aangever lag een stapel met stenen.5 Eenmaal binnen hoorde aangever veel lawaai en zag glas door de woonkamer vliegen en een steen op de grond rollen. Op het moment dat hij het openstaande uitzetraam in de woonkamer dicht wilde doen zag aangever dat de medeverdachte bezig was om zijn woning via het uitzetraam te betreden, gevolgd door verdachte. Het lukte aangever om beide personen uit de raamopening naar buiten te duwen en hij zag een mogelijkheid om het raam te sluiten. Hiervoor moest aangever naar buiten reiken om de raamuitzetter vast te pakken. Terwijl hij half uit het raam hing om dit te doen werd hij door de medeverdachte vastgepakt en naar beneden getrokken. Vervolgens voelde aangever, terwijl hij nog steeds half uit het raam hing, een harde klap en scherpe pijn op de bovenzijde van zijn hoofd. Om zijn hoofd te beschermen klemde aangever beide handen om zijn hoofd. Hierna werd hij nog meerdere malen op de bovenkant van zijn handen geslagen. Aangever voelde pijn, schreeuwde om hulp en zag in de weerkaatsing van het raam dat er slaande bewegingen werden gemaakt met een steen. Nadat aangever op enig moment ruimte zag om zichzelf los te trekken liep hij zijn keuken in en trok de deur achter zich dicht.6
Bij de politie heeft verdachte erkend dat de vechtpartij buiten plaatsvond tussen hemzelf, aangever en de medeverdachte. Ook heeft hij bij de politie verklaard dat de medeverdachte aangever heeft beetgepakt bij het raam.7 Verdachte heeft ter terechtzitting bekend dat hij aangever een keer heeft geslagen met een
baksteen. Ook heeft hij ter zitting bekend dat hij een raam van de portiekdeur en de voorruit van de woning van aangever heeft vernield.8
De door een getuige, woonachtig aan de [adres] te Leeuwarden, aangeleverde camerabeelden van 28 januari 2025 te 23.54 uur zijn door verbalisant [verbalisant] bekeken en geverbaliseerd.9 Op de beelden is te zien dat een persoon
[de rechtbank begrijpt: aangever]de portiek in rent en wordt achtervolgd door een tweede persoon. Verdachte heeft ter zitting verklaard dat hij de tweede persoon is die op de beelden te zien is. Verdachte komt voor de dichte portiekdeur te staan en vernielt vervolgens een ruit in de portiek. Hierna voegt een derde persoon
[de rechtbank begrijpt: de medeverdachte]zich bij verdachte en gezamenlijk lopen zij naar het voorraam van de woning waarna verdachte de voorruit inslaat.10 Te zien is dat de medeverdachte vervolgens ook op het grote woonkamerraam slaat en hierna via het openstaande uitzetraam probeert om de woning binnen te gaan. Er ontstaat vervolgens een handgemeen tussen aangever en de medeverdachte waarna laatstgenoemde via het openstaande uitzetraam aangever naar buiten en naar beneden trekt. Terwijl aangever in de raamopening ligt wordt hij in totaal zestien keer door verdachte met een voorwerp op zijn hoofd geslagen en is een luid gegil te horen. Aangever weet zich op een gegeven moment los te rukken en vlucht zijn woning in waarna de twee verdachten weglopen.11
Feitelijk handelen
Uit voornoemde vastgestelde feiten leidt de rechtbank af dat verdachte eerst een raam van een portiekdeur heeft vernield en een baksteen door de voorruit van de woning van aangever heeft gegooid. Vervolgens heeft de medeverdachte aangever uit het raam getrokken en vastgehouden terwijl verdachte met kracht zestien maal met een baksteen op het hoofd van aangever heeft geslagen.
Verdachte heeft ter zitting verklaard dat hij aangever zowel met een baksteen als met een aansteker heeft geslagen. Gelet op het feit dat er geen aansteker in de woning van aangever dan wel onder het raam is aangetroffen, uit de camerabeelden niet blijkt van enige handeling waaruit zou kunnen worden afgeleid dat er is gewisseld van voorwerpen en gelet op de ononderbroken reeks aan slagen wordt deze verklaring door de rechtbank als ongeloofwaardig terzijde geschoven.
Medeplegen
Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad is voor medeplegen een nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachten vereist, waarbij de bijdrage van een verdachte intellectueel en/of materieel van voldoende gewicht moet zijn. Of daarvan sprake is, hangt af van de concrete feiten en omstandigheden van het geval.
Uit het voornoemde leidt de rechtbank af dat beide verdachten een wezenlijke bijdrage hebben geleverd aan de voltooiing van het delict. Nadat aangever zijn woning invluchtte hebben beide verdachten gezamenlijk opgetreden en de aanval op aangever geopend door (op) diens voorruit (in) te slaan. Hierna hebben ze allebei geprobeerd om de woning via het openstaande uitzetraam te betreden. Tijdens de worsteling die daarop volgde in de raamopening heeft de medeverdachte aangever vastgehouden en naar beneden getrokken waardoor verdachte zestien maal met een baksteen richting het hoofd van aangever kon slaan. Aangever heeft met zijn handen geprobeerd zich te beschermen waardoor een deel van de slagen op zijn hoofd en een deel van de slagen op zijn handen is gekomen. Tijdens de zestien slagen heeft de medeverdachte zich hier op geen enkel moment van gedistantieerd of ingegrepen. Uit de bewijsmiddelen blijkt immers dat het geweld pas stopte toen aangever zich uit zijn benarde positie wist los te trekken en naar de keuken kon vluchten.
Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de voor medeplegen vereiste voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen beide verdachten is komen vast te staan.
Opzet
Naar het oordeel van de rechtbank is op basis van het voorliggende strafdossier niet vast te stellen dat verdachte vol opzet had om aangever van het leven te beroven. De rechtbank is van oordeel dat er wel sprake is geweest van voorwaardelijk opzet van verdachte op de dood van aangever en overweegt daartoe het volgende.
Voor voorwaardelijk opzet op de dood is vereist dat er een aanmerkelijke kans bestond dat aangever door de gedragingen van verdachte en zijn medeverdachte zou overlijden en dat verdachte die kans bewust heeft aanvaard.
Verdachte heeft erkend dat hij aangever met een baksteen richting het hoofd heeft geslagen. Anders dan verdachte oordeelt de rechtbank, zoals hierboven is overwogen, dat dit gebeurd is in een aanhoudende reeks van zestien slagen richting het hoofd.
Het is een feit van algemene bekendheid dat het hoofd een kwetsbaar onderdeel van het menselijk lichaam is. Het met kracht zestien maal op korte afstand met een harde en hoekige baksteen richting het hoofd slaan, waarbij het hoofd ook enkele keren is geraakt, brengt naar het oordeel van de rechtbank in zijn algemeenheid een aanmerkelijke kans met zich op dodelijk letsel. Naar algemene ervaringsregels kunnen harde klappen op het hoofd immers schedel- en hersenletsel met dodelijke afloop veroorzaken. Een dodelijke afloop is mogelijk slechts voorkomen door de niet aan verdachte te danken omstandigheid dat aangever zijn handen heeft gebruikt om zijn hoofd te beschermen tegen de slagen.
Het door verdachte gepleegde potentieel dodelijke geweld kon, zoals hiervoor reeds is overwogen, plaatsvinden doordat de medeverdachte aangever in een weerloze positie bracht (het vasthouden en naar beneden trekken terwijl hij in de raamopening lag) en bleef houden zonder zich van de slagen met de baksteen te distantiëren of in te grijpen. Door aldus te (blijven) handelen hebben verdachte en de medeverdachte naar het oordeel van de rechtbank de niet te verwaarlozen kans dat aangever door hun handelen het leven zou laten, bewust aanvaard.
Gezien het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van poging tot doodslag. Het verweer van de raadsman wordt daarom verworpen.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht feit 1 primair en feit 2 wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:
1 (primair)
hij op 28 januari 2025 te Leeuwarden tezamen en in vereniging met een ander, ter uitvoering van het door verdachte en zijn mededader voorgenomen misdrijf om [slachtoffer] opzettelijk van het leven te beroven,
die [slachtoffer] met kracht zestien maal met een baksteen op zijn hoofd heeft geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
2
hij op 28 januari 2025 te Leeuwarden opzettelijk en wederrechtelijk een raam van een portiekdeur en een voorruit, die geheel of ten dele aan [slachtoffer] en/of WoonFriesland, toebehoorde(n) heeft vernield.
Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft subsidiair bepleit dat verdachte ten aanzien van feit 1 primair vrijwillig zou zijn teruggetreden, waardoor er geen sprake is van een strafbaar feit en verdachte moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat dit beroep moet worden verworpen.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank stelt voorop dat van vrijwillige terugtred sprake is, indien de verdachte vrijwillig is teruggetreden voordat het misdrijf is voltooid.
Op grond van de hiervoor vermelde feiten verwerpt de rechtbank het beroep op vrijwillige terugtred, omdat het voorgenomen misdrijf slechts niet is voltooid ten gevolge van, niet van de wil van verdachte afhankelijke, omstandigheden. Uit de bewijsmiddelen volgt immers dat het geweld pas stopte doordat aangever zichzelf wist los te trekken waarop hij kon vluchten. Uit niets blijkt dat verdachte gedragingen heeft verricht om het intreden van het gevolg te beletten. De rechtbank verwerpt dan ook het beroep op vrijwillige terugtred.
Het bewezen verklaarde kan gekwalificeerd worden en levert op:
Feit 1 primair medeplegen van poging tot doodslag;
Feit 2 opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort vernielen.
Deze feiten zijn strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

Het standpunt van de verdediging
Namens verdachte is ten aanzien van feit 1 primair een beroep op noodweer(exces) gedaan. Verdachte heeft zich op het moment dat zowel hij als de medeverdachte buiten door aangever met een houten knuppel werd aangevallen verdedigd tegen onmiddellijk dreigend gevaar voor aanranding. Dat verdachte hierna de grenzen van proportionaliteit en subsidiariteit heeft overschreden, werd veroorzaakt door een hevige gemoedsbeweging als gevolg van deze aanval en de eerdere voorvallen met aangever.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat geen sprake is geweest van een noodweersituatie, omdat aangever na de eerdere confrontatie zijn woning is binnengegaan.
Het oordeel van de rechtbank
Naar het oordeel van de rechtbank kunnen de gedragingen van aangever niet worden aangemerkt als een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding van eigen of eens anders lijf. Na de eerdere confrontatie buiten heeft aangever zich aan de situatie onttrokken door zijn woning in te vluchten en de deuren te sluiten. Verdachte had op dat moment kunnen weglopen maar hij koos ervoor om samen met de medeverdachte het raam van aangever in te slaan en samen met de medeverdachte via dit raam de woning binnen te dringen. Hierna heeft hij de weerloze aangever zestien maal met een baksteen richting het hoofd geslagen. Op grond van de hiervoor vermelde feiten en omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat geen sprake is geweest van een noodweersituatie, zodat het beroep op noodweerexces reeds daarom niet slaagt. Het verweer wordt daarom verworpen.
De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafmotivering

De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake feit 1 primair en feit 2 wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 38 maanden, waarvan 8 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren en daarbij de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering.
Het standpunt van de verdediging
Bij een bewezenverklaring van beide feiten heeft de raadsman bepleit een onvoorwaardelijke gevangenisstraf gelijk aan de duur van het voorarrest op te leggen. Daarnaast is bepleit om een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden op te leggen met daaraan gekoppeld de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering, aangezien verdachte kampt met verslavingsproblematiek. Ook dient de rol van aangever in de aanloop naar het geweld meegewogen te
worden in de strafmaat.
Het oordeel van de rechtbank
Algemeen
Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek op de terechtzitting en het reclasseringsrapport, het verdachte betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de raadsman.
Ernst van de feiten
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het medeplegen van poging tot doodslag en vernieling. Terwijl de medeverdachte aangever vasthield takelde verdachte zijn buurman toe door hem zestien keer met een baksteen richting het hoofd te slaan en heeft hem daarbij verschillende keren geraakt. De geweldsexplosie stopte pas op het moment dat het slachtoffer kans zag zich los te trekken en te vluchten. Het is dus niet aan het handelen van verdachte te danken dat het slachtoffer geen zwaarder letsel heeft opgelopen.
Verdachte heeft met zijn handelen op grove wijze inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer. De rechtbank neemt het verdachte bijzonder kwalijk dat het slachtoffer het geweld in zijn eigen woning, een plek waar hij zich veilig zou moeten kunnen voelen, moest ondergaan. Daarbij is het een feit van algemene bekendheid dat slachtoffers van dergelijke geweldsdelicten zich nog gedurende lange tijd angstig en onveilig kunnen voelen en/of psychische gevolgen van de gebeurtenis kunnen ondervinden.
Hetgeen zonder meer voorstelbaar is, maar ook blijkt uit de namens slachtoffer [slachtoffer] voorgedragen slachtofferverklaring.
De feiten zijn ook door buurtbewoners niet onopgemerkt gebleven. Zij zijn ongewild getuige geweest van het geweld en dat zal bijdragen aan een gevoel van onveiligheid in hun straat.
Door ramen stuk te gooien/maken heeft verdachte bovendien geen enkel respect getoond voor andermans eigendommen. De vernieling levert immers schade en overlast op.
Documentatie
De rechtbank heeft kennis genomen van het uittreksel justitiële documentatie van 4 juli 2025 waaruit volgt dat verdachte recentelijk niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke feiten.
Persoon van verdachte
De rechtbank heeft ook kennis genomen van het reclasseringsadvies van 22 mei 2025. Hieruit volgt dat verdachte al jaren kampt met verslavingsproblematiek en als gevolg daarvan overlast veroorzaakt. Na zijn detentie zal verdachte niet meer over huisvesting en dagbesteding beschikken en naar inschatting van de reclassering snel terugvallen in middelengebruik. Verdachte staat onder bewind, beschikt over beperkte financiële middelen en er zijn aanwijzingen voor een licht verstandelijke beperking.
De reclassering schat de kans op herhaling in als hoog door instabiliteit op vrijwel alle leefgebieden. Verdachte wordt niet in staat geacht zonder hulp van alcohol en drugs af te blijven en een ambulant kader is ontoereikend om hem te helpen.
Geadviseerd is daarom een deels voorwaardelijke straf op te leggen met de navolgende bijzondere voorwaarden: een meldplicht, opname in een zorginstelling, ambulante behandeling met mogelijkheid tot kortdurende klinische opname, begeleid wonen of maatschappelijke opvang, een drugsverbod, een
alcoholverbod, een contactverbod met het slachtoffer, dagbesteding en meewerken aan schuldhulpverlening.
Conclusie
Anders dan de officier van justitie en de verdediging houdt de rechtbank verdachte en de medeverdachte in gelijke mate verantwoordelijk voor de poging tot doodslag. De rechtbank is van oordeel dat wel enige differentiatie in de duur van de op te leggen straf op zijn plaats is, maar niet zozeer vanwege de verschillende rollen die verdachte en zijn medeverdachte hebben vervuld bij het plegen van het feit, maar vooral vanwege de onmogelijkheid voor het opleggen van bijzondere voorwaarden bij de medeverdachte. Doordat de medeverdachte niet over een verblijfstitel beschikt en een inreisverbod aan hem is opgelegd, is het opleggen ven bijzondere voorwaarden aan de medeverdachte, anders dan aan verdachte, niet mogelijk.
De rechtbank is van oordeel dat oplegging van een vrijheidsstraf noodzakelijk is, omdat de aard en de ernst van het bewezen verklaarde door afdoening met een lichtere strafmodaliteit dan een gevangenisstraf miskend zou worden. De rechtbank zal een deel van deze vrijheidsstraf voorwaardelijk opleggen om verdachte ervan te weerhouden in de toekomst wederom strafbare feiten te plegen en ook oplegging van bijzondere voorwaarden mogelijk te maken, aangezien behandeling van de problematiek van verdachte nodig is.
De rechtbank zal, anders dan door de officier van justitie is gevorderd, geen contactverbod als bijzondere voorwaarde opleggen. Gelet op het feit dat verdachte na zijn detentie niet meer terug zal keren naar zijn oude woning en verdachte ter zitting te kennen heeft gegeven dat hij geen contact met het slachtoffer zal opnemen en naar een ander deel van het land wil verhuizen, ziet de rechtbank geen meerwaarde in de oplegging van deze voorwaarde.
Naar het oordeel van de rechtbank is van eigen schuld aan de zijde van het slachtoffer, in die zin dat dit een straf verminderende factor is, geen sprake. Wat er ook zij van het handelen van het slachtoffer, dit handelen rechtvaardigt het door verdachte en zijn medeverdachte uitgeoefende geweld niet. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding om hier in straf verminderende zin rekening mee te houden.
Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een gevangenisstraf van 30 maanden met aftrek van het voorarrest, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren recht doet aan de ernst van de feiten. De rechtbank legt daarbij als bijzondere voorwaarden op een meldplicht, opname in een zorginstelling, ambulante behandeling met mogelijkheid tot kortdurende klinische opname, begeleid wonen of maatschappelijke opvang, een drugsverbod, een alcoholverbod, inspanning voor dagbesteding en meewerken aan schuldhulpverlening. Daarbij zal de rechtbank de door de reclassering geadviseerde inname van medicatie bij zowel de klinische als de ambulante behandeling niet opleggen. Het opleggen van een algemene verplichting tot het innemen van niet nader bepaalde medicatie is naar het oordeel van de rechtbank te weinig specifiek om, in het kader van een bijzondere voorwaarde, aan verdachte te kunnen opleggen.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering.
Benadeelde partij
[slachtoffer] heeft zich als benadeelde partij in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Het schadebedrag is ter terechtzitting naar beneden bijgesteld tot een bedrag van 5.112,20, bestaande uit 112,20 aan materiële schade en 5.000,00 aan immateriële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan. Met vaststelling van de hoofdelijke aansprakelijkheid en met toepassing van de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f Sr.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft geconcludeerd tot toewijzing van de gehele vordering van de benadeelde partij, de hoofdelijke aansprakelijkheid vast te stellen en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f Sr.
Het standpunt van de verdediging
Primair heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat de vordering afgewezen moet worden, vanwege de bepleite vrijspraak.
Subsidiair heeft de raadsman bepleit de vordering niet-ontvankelijk te verklaren, omdat de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. Hooguit komt de materiële schade voor vergoeding in aanmerking.
Het oordeel van de rechtbank
Vordering [slachtoffer]
Ten aanzien van de materiële schade oordeelt de rechtbank dat voldoende aannemelijk is geworden dat de benadeelde partij de gestelde schade heeft geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het onder feit 1 primair bewezen verklaarde. De vordering, waarvan de hoogte niet door de verdediging is betwist, zal daarom worden toegewezen.
Ten aanzien van de immateriële schade oordeelt de rechtbank dat voldoende aannemelijk is gemaakt dat de benadeelde partij immateriële schade heeft geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het onder feit 1 primair bewezen verklaarde. De rechtbank stelt vast dat de benadeelde partij pijn heeft gehad en letsel heeft opgelopen, te weten onder meer een gebroken middenhandsbeentje, drie hechtwonden en meerdere bloeduitstortingen. Ook is de rechtbank van oordeel dat voldoende aannemelijk is gemaakt dat de benadeelde partij psychische schade heeft geleden. De benadeelde partij is immers in zijn eigen woning, een plek waar hij zich veilig hoort te voelen, door verdachte en de mededader aangevallen.
De rechtbank zal de hoogte van de vergoeding voor de immateriële schade matigen tot 3.500,00 en de vordering tot dit bedrag toewijzen en voor het overige deel afwijzen.
Het totaalbedrag van 3.612,20 zal daarom worden toegewezen, vermeerderd met wettelijke rente vanaf 28 januari 2025.
Hoofdelijkheid
De rechtbank stelt vast dat verdachte het strafbare feit samen met een ander heeft gepleegd en dat zij naar civielrechtelijke maatstaven hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de schade. De rechtbank zal daarom bepalen dat verdachte de schadevergoeding niet meer aan de benadeelde partij hoeft te betalen indien zijn medeverdachte deze al heeft betaald, en andersom.
Schadevergoedingsmaatregel
Nu vast staat dat verdachte tot het hiervoor genoemde bedrag hoofdelijk aansprakelijk is voor de schade die door het bewezen verklaarde is toegebracht, zal de rechtbank ook de schadevergoedingsmaatregel opleggen om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed.
Veroordeling in de kosten
De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 45, 47, 57, 287 en 350 van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak gelden.

Uitspraak

De rechtbank

Verklaart het onder feit 1 primair en feit 2 ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.
Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.
Veroordeelt verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden.

Bepaalt dat van deze gevangenisstraf
een gedeelte, groot 6 maanden,niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond, dat veroordeelde voor het einde van of gedurende de proeftijd, die hierbij wordt vastgesteld op
3 jaren, de hierna te noemen voorwaarden niet heeft nageleefd.
Beveelt dat de tijd die veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf, geheel in mindering zal worden gebracht.
Voorwaarde is, dat veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig zal maken aan een strafbaar feit.
Stelt als bijzondere voorwaarden:
dat veroordeelde zich meldt op afspraken met de reclassering Tactus verslavingszorg, [adres] , zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering zal contact met veroordeelde opnemen voor de eerste afspraak;
dat veroordeelde zich laat opnemen in een zorginstelling, te bepalen door de justitiële instantie die verantwoordelijk is voor plaatsing. De opname start bij ingang van de proeftijd. De opname duurt een jaar of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. Veroordeelde houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorginstelling geeft voor de behandeling. Als de reclassering een overgang naar ambulante zorg, begeleid wonen of maatschappelijke opvang gewenst vindt, werkt veroordeelde mee aan de indicatiestelling en plaatsing;
dat veroordeelde zich laat behandelen door de forensische poli JusTact of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering. De behandeling start na afronding van de klinische opname. De behandeling duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. Veroordeelde houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling. Bij een terugval in middelengebruik of verslechtering van het psychiatrische ziektebeeld kan de reclassering een indicatiestelling aanvragen voor een kortdurende opname voor crisisbehandeling, detoxificatie, stabilisatie, observatie of diagnostiek. Als de voor indicatie verantwoordelijke instantie een kortdurende opname indiceert, zal veroordeelde zich, na goedkeuring door de rechter, laten opnemen in een zorginstelling voor zeven weken of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. De justitiële instantie die verantwoordelijk is voor plaatsing in forensische zorg, bepaalt in welke zorginstelling de opname plaatsvindt. Veroordeelde houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorginstelling geeft voor de behandeling;
dat veroordeelde verblijft in een instelling voor beschermd wonen of maatschappelijke opvang, te bepalen door de reclassering. Het verblijf start na afronding van de klinische opname. Het verblijft duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. Veroordeelde houdt zich aan de huisregels en het dagprogramma dat de instelling in overleg met de reclassering voor hem heeft opgesteld;
dat veroordeelde geen drugs gebruikt en meewerkt aan controle op dit verbod, indien en zolang de reclassering dit nodig acht. De controle gebeurt met urineonderzoek. De reclassering bepaalt hoe vaak veroordeelde wordt gecontroleerd;
dat veroordeelde geen alcohol gebruikt indien en zolang de reclassering dit nodig acht, en meewerkt aan urineonderzoek en ademonderzoek (blaastest) om dit alcoholverbod te controleren. De reclassering bepaalt met welke controlemiddelen en hoe vaak veroordeelde wordt gecontroleerd;
dat veroordeelde zich inspant voor het vinden en behouden van betaald werk, onbetaald werk en/of vrijetijdsbesteding, met een vaste structuur;
dat veroordeelde meewerkt aan het aflossen van zijn schulden en het treffen van afbetalingsregelingen, ook als dit inhoudt meewerken aan schuldhulpverlening in het kader van de Wet Schuldsanering
Natuurlijke Personen. Veroordeelde geeft de reclassering inzicht in zijn financiën en schulden.
Geeft aan voornoemde reclasseringsinstelling de opdracht als bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.
Voorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde gedurende de proeftijd:
  • ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;
  • medewerking zal verlenen aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht, daaronder begrepen.

Ten aanzien van benadeelde partij [slachtoffer] , feit 1 primair:

Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] toe tot het hierna te noemen bedrag en veroordeelt verdachte hoofdelijk, aldus dat als een mededader betaalt, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd, om aan [slachtoffer] te betalen:
  • het bedrag van 3.612,20 (zegge: drieduizend zeshonderdtwaalf euro en twintig eurocent);
  • de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 28 januari 2025 tot de dag van algehele voldoening;
  • de proceskosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog zal maken, tot heden begroot op nihil.
Wijst de vordering van [slachtoffer] voor het overige af.
Legt aan verdachte hoofdelijk, aldus dat als een mededader betaalt verdachte in zoverre zal zijn bevrijd, de verplichting op om ten behoeve van [slachtoffer] aan de Staat te betalen een bedrag van 3.612,20 (zegge: drieduizend zeshonderdtwaalf euro en twintig eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 28 januari 2025 tot de dag van algehele voldoening. Dit bedrag bestaat uit 112,20 aan materiële schade en 3.500,00 aan immateriële schade.
Bepaalt dat bij gebreke van volledig verhaal van de betalingsverplichting aan de Staat gijzeling voor de duur van 46 dagen kan worden toegepast. De toepassing van gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.
Bepaalt dat als verdachte of een mededader voldoet aan de betalingsverplichting aan de benadeelde partij of aan de Staat, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd van de betalingsverplichting aan beiden.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.J. Dijkstra, voorzitter, mr. T.M.L. Wolters en mr. H.C.L. Vreugdenhil, rechters, bijgestaan door mr. M. Linde, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze
rechtbank op 29 juli 2025.
1. Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpaginas, zijn dit paginas uit het dossier van de
Districtsrecherche Fryslân, met het proces-verbaal nummer [nummer] van 1 mei 2025, doorgenummerd 1 tot en met 148, met losse aanvullingen.
2 Pagina 26.
3 Pagina 27.
4 Pagina 28.
5 Het proces-verbaal forensisch onderzoek woning [adres] Leeuwarden met nummer [nummer] , blad 3.
6 Pagina 28.
7 Paginas 72 en 73.
8 De verklaring van verdachte ter terechtzitting van 15 juli 2025.
9 Pagina 51.
10 Pagina 52.
11 Pagina 53.