ECLI:NL:RBNNE:2025:3188

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
5 augustus 2025
Publicatiedatum
5 augustus 2025
Zaaknummer
18.371690-24
Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Type
Uitspraak
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor bedreiging en mishandeling van ex-partner

Op 5 augustus 2025 heeft de Rechtbank Noord-Nederland in Assen uitspraak gedaan in een strafzaak tegen een verdachte die zijn ex-partner heeft bedreigd en mishandeld. De zaak kwam voort uit een incident op 19 november 2024, waarbij de verdachte zijn ex-partner bedreigde met de dood en haar meermalen mishandelde. De rechtbank heeft de verdachte veroordeeld voor beide ten laste gelegde feiten, te weten bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht en mishandeling. De rechtbank oordeelde dat de verklaringen van de aangeefster, ondersteund door bewijs, voldoende waren om tot een bewezenverklaring te komen. De verdachte heeft tijdens de zitting erkend dat hij aanwezig was bij zijn ex-partner en dat er een ruzie is ontstaan, maar ontkende de geweldshandelingen. De rechtbank heeft echter geconcludeerd dat de verklaringen van de aangeefster geloofwaardig zijn en dat de verdachte niet alleen de bedreigingen heeft geuit, maar ook daadwerkelijk geweld heeft gebruikt. De rechtbank heeft rekening gehouden met de psychische problematiek van de verdachte en heeft een deels voorwaardelijke gevangenisstraf opgelegd van 120 dagen, waarvan 31 dagen voorwaardelijk, met bijzondere voorwaarden zoals reclasseringstoezicht en behandeling. De rechtbank heeft ook de impact van het geweld op de aangeefster meegewogen, die door de mishandelingen ernstige angst en letsel heeft opgelopen. De uitspraak benadrukt de ernst van huiselijk geweld en de noodzaak van begeleiding voor de verdachte.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht
Locatie Assen
parketnummer 18.371690-24
Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 5 augustus 2025 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1989 te [geboorteplaats] , wonende te [adres] .
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 22 juli 2025. Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. D. Fontein, advocaat te Koog aan de Zaan. Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. E. Stoeten.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
1.
hij op of omstreeks 19 november 2024 te Assen, althans in Nederland, [slachtoffer] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door die [slachtoffer] dreigend de woorden toe te voegen "Ik maak je dood, daarna stop ik je in de kofferbak en breng ik je naar de politie" en/of "Ik heb een pistool, jij en ik gaan allebei, jij eerst en dan ik", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;
2.
hij op of omstreeks 19 november 2024 te Assen, althans in Nederland, zijn levensgezel, [slachtoffer] , heeft mishandeld door die [slachtoffer] meermalen, dan wel eenmaal
  • tegen de benen te schoppen, en/of
  • aan de haren en/of armen te trekken, en/of
  • tegen het hoofd en/of in het gezicht te slaan, en/of
  • de keel vast te pakken, en/of
  • tegen een muur te duwen.

Beoordeling van het bewijs

Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft veroordeling gevorderd voor beide ten laste gelegde feiten, met dien verstande dat ten aanzien van feit 2 dient te worden weggestreept dat het feit tegen zijn levensgezel is begaan.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich ten aanzien van feit 1 gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. Ten aanzien van feit 2 heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat het feit bewezen kan worden verklaard, met dien verstande dat er voor het schoppen tegen de benen en het trekken aan de haren onvoldoende steunbewijs is. Tevens is ook de raadsman van mening dat niet bewezen kan worden dat verdachte het feit tegen zijn levensgezel heeft begaan.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank past de volgende bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder zakelijk weergegeven.
Ieder bewijsmiddel is -ook in onderdelen- slechts gebruikt voor het feit waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.
1.
​De door verdachte ter zitting van 22 juli 2025 afgelegde verklaring, voor zover inhoudend:
Op 19 november 2024 was ik bij mijn ex-partner [slachtoffer] thuis. Wij kregen ruzie. Op enig moment heeft ze mij gekrabd, toen heb ik teruggeslagen. Of eigenlijk heb ik haar weggeduwd en daarbij met mijn rechterhand haar linkerwang geraakt. Verder heb ik haar op de bank geduwd en bij haar armen gepakt en
heen en weer geschud. Ik was boos. Ook heb ik gezegd dat ik haar dood zou maken.
2. ​
​Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 20 november 2024, opgenomen op pagina 12 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer [nummer] d.d. 29 november 2024, inhoudend als verklaring van [slachtoffer] :
Op 19 november 2024 was ik thuis in Assen. Ik zag dat [verdachte] bij de achterdeur stond. Ik liet hem naar binnen. Ik hoorde [verdachte] schreeuwen. Ik probeerde toen weg te lopen, ik zag dat [verdachte] de tafel tegen de muur aanschoof en vervolgens met zijn stoel in de weg ging zitten. Ik probeerde een paar keer er langs te komen maar dan begon [verdachte] mij te schoppen tegen mijn benen aan. [verdachte] blokkeerde mij de weg naar de achterdeur, dus ik probeerde toen weg te komen via de voordeur. Toen ik de voordeur bijna open had, voelde ik dat ik aan mijn haren getrokken werd. Ik voelde pijn aan mijn hoofd toen [verdachte] mij aan de haren trok. Ik deed mijn handen door de haren en ik merkte dat ik veel haren los had. Ik was heel erg bang, ik probeerde de politie te bellen met mijn mobiele telefoon. Ik had 112 in getoetst. [verdachte] zag dat ik 112 had ingetoetst. Ik hoorde [verdachte] zeggen:"112, je wilt de politie? Ik maak je dood, daarna stop ik je in de kofferbak en breng ik je naar de politie". Ik werd heel erg bang hiervan, ik dacht dat het mijn laatste dag was. Ik weet niet alles meer maar ik weet dat ik meerdere malen probeerde weg te komen of een telefoon te pakken. Elke keer als ik probeerde te ontsnappen sloeg [verdachte] mij tegen het hoofd. Ik voelde dat [verdachte] mij met kracht op mijn hoofd sloeg. Ik voelde pijn aan mijn hoofd. [verdachte] heeft mij ook enkele keren in het gezicht geslagen. [verdachte] heeft mij ongeveer 3 a 4 keer hard geslagen tegen mijn hoofd. Door de klappen werd ik heel duizelig, ik had ook heel erg hoofdpijn na de klappen. Ik probeerde ook een keer via de voordeur te ontsnappen, ik werd dan bij mij keel gepakt door [verdachte] en met kracht tegen de muur aangeduwd. Ik hoorde [verdachte] zeggen dat hij mij ging afmaken. Ik ben nog nooit zo bang geweest als wat mij gisteren is overkomen. Ik zei dat hij mijn huis uit moest. [verdachte] greep mij toen en werkte mij naar de grond. Ik voelde dat [verdachte] mij aan de armen en haren trok toen hij boven op mijn zat. Ik voelde dat [verdachte] mij een klap in het gezicht gaf.
3. ​
​Een schriftelijk bescheid, te weten een geneeskundige verklaring, op 21 november 2024 opgemaakt en ondertekend door C. Hoeksema, huisarts, opgenomen in een aanvullend procesdossier bij voornoemd dossier, voor zover inhoudend, als zijn/haar verklaring:
Medische informatie betreffende:
Achternaam: [slachtoffer] Voornamen: [slachtoffer] Geboren: [geboortedatum] 1985
Omschrijving van het letsel:
Diverse bloeduitstortingen armen (Boven- en onder bdz [de rechtbank begrijpt: beiderzijds]), borsten bdz [de rechtbank begrijpt: beiderzijds]. Streepvormige rode striem in de nek. Beschadigingen (oppervlakkig) in de hals.
Datum waarop voornoemde persoon werd onderzocht: 21/11/2024.
Bewijsoverweging
De rechtbank is van oordeel dat ten aanzien van feit 2 alle geweldshandelingen waar aangeefster over verklaart bewezen kunnen worden. Verdachte heeft erkend dat hij op 19 november 2024 bij zijn ex- partner [slachtoffer] thuis was en dat er ruzie is ontstaan waarbij hij haar heeft bedreigd en heeft mishandeld door haar te slaan, te duwen en bij haar armen te pakken. Ook over het verdere verloop van
de ruzie tussen hem en aangeefster verklaart hij over verschillende opvallende details gelijkluidend aan aangeefster. Zo verklaren beiden dat aangeefster tijdens de ruzie een kandelaar heeft gepakt waarmee zij verdachte op zijn enkel heeft geslagen, dat aangeefster op enig moment 112 wilde bellen hetgeen vervolgens leidde tot de doodsbedreiging door verdachte en over de kwestie dat verdachte heel graag mee wilde naar de zwemles van hun dochter en uiteindelijk ook mee is geweest. Hoewel verdachte ontkent aangeefster te hebben geschopt, aan haar haren te hebben getrokken en bij haar keel te hebben gepakt, is de rechtbank gelet op vorenstaande van oordeel dat de verklaring van aangeefster op dusdanig veel punten wordt ondersteund door de verklaring van verdachte zelf alsmede door het letsel dat bij haar is waargenomen dat de rechtbank geen enkele reden heeft om aan haar verklaring te twijfelen. De rechtbank komt dan ook tot een volledige bewezenverklaring van het onder 2 ten laste gelegde. Dat niet voor elke specifieke geweldshandeling een tweede bewijsmiddel voorhanden is staat daar niet aan in de weg, nu niet voor elk onderdeel van de tenlastelegging steunbewijs vereist is om tot een volledige bewezenverklaring te kunnen komen.
Concluderend acht de rechtbank het onder 1 en 2 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat ten aanzien van feit 2 niet bewezen kan worden dat verdachte het feit tegen zijn levensgezel heeft begaan, nu verdachte en aangeefster ex-partners waren op het moment van het ten laste gelegde

Bewezenverklaring

De rechtbank acht beide ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:
1.
hij op 19 november 2024 te Assen, [slachtoffer] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, door die [slachtoffer] dreigend de woorden toe te voegen "Ik maak je dood, daarna stop ik je in de kofferbak en breng ik je naar de politie”, althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;
2.
hij op 19 november 2024 te Assen, [slachtoffer] , heeft mishandeld door die [slachtoffer] meermalen,
  • tegen de benen te schoppen, en
  • aan de haren en armen te trekken, en
  • tegen het hoofd en in het gezicht te slaan, en
  • de keel vast te pakken, en
  • tegen een muur te duwen.
Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Strafbaarheid van het bewezen verklaarde
Het bewezen verklaarde levert op:
bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht
mishandeling
Deze feiten zijn strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafmotivering

Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van beide ten laste gelegde feiten wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 maanden waarvan 2 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren en de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering. Voorts heeft de officier van justitie de dadelijke uitvoerbaarheid gevorderd van de bijzondere voorwaarden.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft gepleit voor een gevangenisstraf van ten hoogste 4 maanden waarvan een deel voorwaardelijk zodat in het belang van verdachte de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering kunnen worden opgelegd. De raadsman heeft zich echter verzet tegen het opleggen van het geadviseerde (impliciete) contactverbod met dochter [naam] nu er geen juridische grondslag bestaat voor het opleggen van die bijzondere voorwaarde en het voor verdachte erg belangrijk is om contact met zijn dochter te kunnen hebben.
Oordeel van de rechtbank
Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek ter terechtzitting en de over verdachte opgemaakte rapportages, het uittreksel uit de justitiële documentatie d.d. 17 juni 2025, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de verdediging.
De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan bedreiging en mishandeling van zijn ex-partner [slachtoffer] . Tijdens een ruzie in de woning van [slachtoffer] heeft verdachte [slachtoffer] ernstig mishandeld waarbij hij haar onder andere meerdere keren op haar hoofd heeft geslagen, haar bij haar keel heeft gepakt en dusdanig hard aan haar haren heeft getrokken dat haar haar ervan uitviel. Toen ze op enig moment 112
wilde bellen voor hulp, heeft verdachte haar bedreigd met de dood. Ten gevolge van de mishandelingen met name de grote hoeveelheid klappen op haar hoofd is [slachtoffer] dagenlang duizelig en misselijk geweest. Daarnaast is het een zeer heftige en angstaanjagende ervaring voor haar geweest. Niet alleen hebben de bedreigingen en het geweld plaatsgevonden in haar woning, een plek waar zij zich bij uitstek veilig hoort te kunnen voelen, ook de omstandigheid dat verdachte en aangeefster ex-partners van elkaar zijn, vergroot de impact van het handelen van verdachte. [slachtoffer] is de betreffende middag erg bang geweest dat ze het niet zou overleven en ook verbalisanten zien een dag later tijdens het opnemen van haar aangifte dat [slachtoffer] nog steeds doodsangsten uitstaat. Verdachte heeft met zijn handelen dan ook niet alleen ernstig inbreuk gemaakt op de lichamelijke en persoonlijke integriteit van [slachtoffer] , maar met name enorme gevoelens van angst en onveiligheid veroorzaakt.
Het is bovendien niet de eerste keer dat verdachte wordt veroordeeld voor mishandeling van [slachtoffer] . In oktober 2022 is verdachte hiervoor onder andere veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van 2 weken met een proeftijd van twee jaren. Deze proeftijd was ten tijde van onderhavige feiten net anderhalve maand afgelopen. De rechtbank rekent het verdachte aan dat hij hier kennelijk geen lering uit heeft getrokken en opnieuw over is gegaan tot geweld.
De rechtbank houdt echter ook rekening met de psychische problematiek waar verdachte mee te kampen heeft, zoals volgt uit het Pro Justitia-rapport van psycholoog B.H. Boer van 30 april 2025. De psycholoog constateert dat bij verdachte sprake is van een laaggemiddelde intelligentie en van een andere gespecificeerde aandachtsdeficiëntie-/hyperactiviteitsstoornis (onder de categorie ADHD). Deze problematiek was ook aanwezig ten tijde van het ten laste gelegde. Uit het onderzoek van de psycholoog komt naar voren dat verdachte ten gevolge van voornoemde stoornis zijn emoties en impulsen niet voldoende kan beheersen. De psycholoog acht het aannemelijk dat deze regulatieproblematiek van invloed is geweest op het handelen van verdachte ten tijde van het ten laste gelegde. De psycholoog adviseert daarom het ten laste gelegde in verminderde mate aan verdachte toe te rekenen.
De rechtbank kan zich verenigen met deze conclusies en maakt deze tot de hare. De rechtbank zal het bewezenverklaarde in verminderde mate aan verdachte toerekenen en dit meewegen bij de straftoemeting.
Het advies van de psycholoog is om verdachte te laten begeleiden door de reclassering waarbij het allereerst van belang wordt geacht om verdachte te begeleiden in de omgang met zijn kind, waarbij duidelijke regels worden overeengekomen om nieuwe ruzies en escalaties met zijn ex-partner te voorkomen. Daarnaast adviseert de psycholoog om verdachte een ambulante behandeling te laten volgen bij een forensische polikliniek waarbij aandacht wordt besteed aan het verbeteren van de agressieregulatie en mogelijk behandeling van ADHD kan plaatsvinden. Nu een stoornis in het gebruik van middelen niet kan worden uitgesloten wordt toezicht op het gebruik van middelen eveneens van belang geacht in het kader van de risicobeperking. Voorts constateert de psycholoog dat verdachte problemen ondervindt in het maatschappelijk functioneren, te weten op het gebied van werk, financiën en huisvesting en dat hij ook daar praktische hulp bij zou kunnen gebruiken. De psycholoog adviseert om deze begeleiding en behandeling op te leggen in een gedwongen kader, zoals in het kader van bijzondere voorwaarden bij een voorwaardelijk strafdeel.
De reclassering onderschrijft in haar rapport van 16 juli 2025 het advies van de psycholoog dat verdachte kort gezegd hulp nodig heeft en adviseert eveneens om reclasseringstoezicht met bijzondere voorwaarden op te leggen.
Gelet op vorenstaande zal de rechtbank een deels voorwaardelijke straf opleggen met de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering. Verdachte heeft ter zitting verklaard bereid te zijn aan die voorwaarden mee te werken. Ten aanzien van het contact met dochter [naam] overweegt de rechtbank het volgende. Hoewel het bewezenverklaarde feit niet direct op [naam] ziet, is er wel degelijk sprake van een verband tussen de bewezenverklaarde feiten en dochter [naam] . Aangeefster
[slachtoffer] , is immers de moeder van [naam] en daarnaast was een van de aanleidingen van de ruzie op 19 november 2024 onenigheid tussen verdachte en [slachtoffer] over zwemles van [naam] . De rechtbank is daarom van oordeel dat het zowel in het belang van [slachtoffer] , als in het belang van [naam] , alsmede met het oog op recidivebeperking belangrijk is dat verdachte begeleid wordt in het contact met [naam] . Zowel de psycholoog als de reclassering onderschrijven bovendien het belang daarvan. De rechtbank zal de voorwaarde met betrekking tot het contact met [naam] dan ook opleggen zoals geformuleerd door de reclassering.
Alles afwegende acht de rechtbank een gevangenisstraf voor de duur van 120 dagen waarvan 31 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren en de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering, passend en geboden.
Voorts stelt de rechtbank op grond van voornoemde rapporten van de psycholoog en reclassering vast dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat verdachte zonder de nodige behandeling en begeleiding opnieuw een misdrijf zal begaan dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen. De rechtbank zal daarom bevelen dat de op grond van artikel 14c van het Wetboek van Strafrecht gestelde voorwaarden en het hierop uit te oefenen toezicht, dadelijk uitvoerbaar zijn.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14e, 57, 285 en 300 van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak gelden.

Uitspraak

De rechtbank

Verklaart het onder 1 en 2 ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.
Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.
Veroordeelt verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 120 dagen.

Bepaalt dat van deze gevangenisstraf
een gedeelte, groot 31 dagen, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond, dat de veroordeelde voor het einde van of gedurende de proeftijd, die hierbij wordt vastgesteld op 3 jaren, de hierna te noemen voorwaarden niet heeft nageleefd.
Beveelt dat de tijd die de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf, geheel in mindering zal worden gebracht.
Voorwaarde is, dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig zal maken aan een strafbaar feit.
Stelt als bijzondere voorwaarden:
Veroordeelde meldt zich op afspraken met Reclassering Nederland, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt;
Veroordeelde laat zich behandelen door Trajectum of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering. De behandeling start na de intake en duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. Veroordeelde houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling;
Veroordeelde verblijft in " [instelling] " of een andere instelling voor beschermd wonen of
maatschappelijke opvang, te bepalen door de reclassering. Het verblijf is reeds gestart en duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. Veroordeelde houdt zich aan de huisregels en het dagprogramma dat de instelling in overleg met de reclassering voor hem heeft opgesteld;
4. Veroordeelde heeft of zoekt op geen enkele wijze -direct of indirect- contact met [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum] 1985 te [geboorteplaats] (slachtoffer) zolang het Openbaar Ministerie dit verbod nodig vindt. Het contact met en over zijn dochter [naam] loopt via Stichting Saul, of een andere tussenpersoon waarvoor vooraf schriftelijk goedkeuring is gegeven door Team Jeugd van Gemeente Assen.
Veroordeelde houdt zich aan de regels
en afspraken die door Stichting Saul, of een andere door Team Jeugd goedgekeurde tussenpersoon voor hem zijn opgesteld. De politie ziet toe op de naleving van het contactverbod met [slachtoffer] . De reclassering ziet toe op de naleving van de afspraken met Stichting Saul, of een andere door Team Jeugd goedgekeurde tussenpersoon over het contact met en over de dochter van veroordeelde;
5. Veroordeelde bevindt zich niet in de wijk [wijk] te Assen, zolang het Openbaar Ministerie dit verbod nodig vindt. De politie ziet toe op naleving van het locatieverbod;
6. Veroordeelde werkt mee aan het aflossen van zijn/haar schulden en het treffen van afbetalingsregelingen, ook als dit inhoudt meewerken aan schuldhulpverlening in het kader van de Wet Schuldsanering Natuurlijke Personen. Veroordeelde geeft de reclassering inzicht in zijn financiën en schulden;
7. Veroordeelde vestigt zich niet op een ander adres zonder toestemming van de reclassering;
8. Veroordeelde werkt mee aan controle op het gebruik van alcohol en drugs om zicht te krijgen op het actuele middelengebruik. De reclassering kan urineonderzoek en ademonderzoek (blaastest) gebruiken voor de controle. De reclassering bepaalt hoe vaak veroordeelde wordt gecontroleerd.
Geeft aan voornoemde reclasseringsinstelling de opdracht als bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.
Voorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde gedurende de proeftijd:
  • ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;
  • medewerking zal verlenen aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht, daaronder begrepen.
Beveelt dat de op grond van artikel 14c van het Wetboek van Strafrecht gestelde voorwaarden en het hierop uit te oefenen toezicht, dadelijk uitvoerbaar zijn.
Heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis.
Dit vonnis is gewezen door mr. F. Sieders voorzitter, mr. J. Faber en mr. H.M. Lenting, rechters, bijgestaan door mr. L. Lamers, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 5 augustus 2025.
Mr. H.M. Lenting is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.