Eisers ontvingen bijstand op grond van de Participatiewet en meldden in februari 2024 dat de bijstand kon worden stopgezet vanwege een ontvangen letselschadevergoeding. Het college vroeg nadere informatie, die volgens het college niet tijdig werd verstrekt, waarna de bijstand per 13 februari 2024 werd ingetrokken. Eisers voerden aan dat zij wel hadden gereageerd en dat het college onvoldoende op hun bezwaren was ingegaan.
De rechtbank oordeelt dat het college bevoegd was de bijstand in te trekken omdat eisers niet de gevraagde informatie hebben verstrekt; het risico van niet aangekomen e-mails ligt bij eisers. Eisers hebben geen ontvangstbevestiging kunnen tonen en de vaststellingsovereenkomst werd pas in 2025 overgelegd. De rechtbank wijst verzoeken om het beroep mede te richten tegen andere besluiten af en constateert dat het college de bijstand over de eerste twaalf dagen van februari 2024 inmiddels heeft toegekend.
Ten aanzien van de dwangsommen oordeelt de rechtbank dat het college niet heeft beslist over de gevraagde dwangsommen, wat een motiveringsgebrek oplevert. Daarom wordt het beroep gegrond verklaard en het besluit vernietigd voor zover het hierover geen beslissing bevat. De rechtbank wijst het verzoek om dwangsommen af en bepaalt dat het college het griffierecht aan eisers vergoedt. Er is geen aanleiding voor een veroordeling in proceskosten.