Verzoeker had bezwaar gemaakt tegen een besluit van het CBR van 26 augustus 2025 en tegelijkertijd een verzoek om voorlopige voorziening ingediend. Nadat het CBR op 4 september 2025 het bezwaar gegrond verklaarde, trok verzoeker het verzoek om voorlopige voorziening in met een verzoek om proceskostenveroordeling.
De voorzieningenrechter stelde vast dat het CBR met de gegrondverklaring van het bezwaar aan het verzoek van verzoeker was tegemoetgekomen, waardoor toewijzing van de proceskostenveroordeling passend was. Het CBR voerde geen verweer tegen vergoeding van het procespunt en het griffierecht.
De proceskosten werden vastgesteld op € 907,- voor de proceshandeling van het indienen van het verzoekschrift, en het griffierecht op € 194,-. De voorzieningenrechter veroordeelde het CBR tot betaling van deze bedragen aan verzoeker. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep open.