Veroordeelde stelde beroep in tegen de beslissing van de officier van justitie tot erkenning en tenuitvoerlegging van een confiscatiebevel van het Hof van beroep Antwerpen uit 2012, met een bedrag van 800.000 euro. Hij voerde aan dat het bevel verjaard was sinds 2022 en dat het bedrag niet klopte.
De officier van justitie verweerde zich met het argument dat de verjaring door een Strafrechtelijk Uitvoeringsonderzoek (SUO) was opgeschort tot 2033 en dat het bedrag in het certificaat overeenkwam met het confiscatiebevel. De rechtbank toetste de juistheid van het certificaat en de verjaringstermijn conform de EU-Verordening 2018/1805 en de WWETGC.
De rechtbank stelde vast dat de verjaringstermijn inderdaad was opgeschort door het SUO en dat het certificaat juist en volledig was ingevuld. De rechtbank oordeelde dat de officier van justitie terecht op de informatie van de uitvaardigende lidstaat mocht vertrouwen en dat geen weigeringsgronden aanwezig waren.
Daarom verklaarde de rechtbank het beroep ongegrond en bevestigde de erkenning en tenuitvoerlegging van het confiscatiebedrag van 789.966,50 euro. De rechtbank trad niet in het buitenlandse rechtsgeding maar toetste alleen de formele vereisten en redelijkheid van de beslissing.