De rechtbank Noord-Nederland heeft op 2 oktober 2025 uitspraak gedaan in de zaak tegen een 37-jarige man die werd veroordeeld voor medeplegen van handel in harddrugs en het aanwezig hebben van grote hoeveelheden harddrugs en ketamine. De straf omvat 44 maanden gevangenisstraf, waarvan 12 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar. Daarnaast is een betalingsverplichting ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel van €95.936,68 opgelegd.
De ontnemingsmaatregel is gebaseerd op een rapport van 10 februari 2023 waarin het wederrechtelijk verkregen voordeel werd berekend over de periode van 21 september 2020 tot en met 19 september 2022. De rechtbank verwierp het verweer van de verdediging om de periode te beperken tot de ten laste gelegde periode vanaf 1 januari 2022, omdat er voldoende bewijs was dat de drugshandel al vanaf september 2020 plaatsvond. De rechtbank ging ervan uit dat veroordeelde en medeverdachten een gelijk aandeel hadden in het voordeel, rekening houdend met een aftrek wegens detentie.
De berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel hield rekening met de opbrengsten uit drugstransacties, de kosten van inkoop en bezorging, en een aftrek voor de detentieperiode van de veroordeelde. De rechtbank concludeerde dat het voordeel €95.936,68 bedroeg en legde de betalingsverplichting daarop vast. De gijzelingstermijn werd vastgesteld op maximaal 1080 dagen.