Eiser betwist de vastgestelde WOZ-waarde van zijn woning per 1 januari 2022, die door de heffingsambtenaar is vastgesteld op €203.000. Eiser wijst op een recent verkocht buurpand dat qua bouw en ligging vrijwel identiek is, maar aanzienlijk lager gewaardeerd zou moeten worden wanneer rekening wordt gehouden met verschillen in onderhoud, voorzieningen en gebruiksoppervlakte.
De heffingsambtenaar heeft een nieuwe waardematrix overgelegd met een getaxeerde waarde van €214.000, waarbij het buurpand als vergelijkingsobject is opgenomen. De rechtbank oordeelt echter dat de heffingsambtenaar geen verklaring heeft gegeven voor de hogere waarde per vierkante meter die hij hanteert ten opzichte van het buurpand, terwijl dit pand een zeer goede vergelijking biedt.
Omdat geen van beide partijen voldoende bewijs heeft geleverd, stelt de rechtbank de waarde van de woning in goede justitie vast op €180.000. Tevens wordt de heffingsambtenaar veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten aan eiser, waaronder kosten voor het taxatierapport en de aanwezigheid van een deskundige.
De uitspraak is gedaan door rechter W.M.G. Visser en is openbaar uitgesproken op 9 oktober 2025. Partijen wordt gewezen op de mogelijkheid tot hoger beroep bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.