ECLI:NL:RBNNE:2025:4245

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
18 september 2025
Publicatiedatum
20 oktober 2025
Zaaknummer
C/18/25/232 R
Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
  • J.H. Idzenga
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 349a Fw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verkorting looptijd schuldsaneringsregeling op grond van artikel 349a Faillissementswet

De rechtbank Noord-Nederland heeft bij vonnis van 30 juli 2025 een schuldsaneringsregeling (WSNP) op de schuldenares van toepassing verklaard. De bewindvoerder verzocht op 29 augustus 2025 om verkorting van de looptijd van deze regeling, omdat de schuldenares sinds december 2024 via loonbeslag meer had afgedragen dan volgens het VTLB vereist was.

De rechtbank had geoordeeld dat er sprake was van een niet te goeder trouw toets, maar de schuldenares kon op grond van de hardheidsclausule toch worden toegelaten. De rechter-commissaris stelde vast dat de rechtbank onvoldoende rekening had gehouden met de inspanningen van de schuldenares en dat de beslaglegging als aflossing moest worden aangemerkt, conform een recente uitspraak van de Hoge Raad.

Op grond van artikel 349a Faillissementswet kan de rechter-commissaris de looptijd van de regeling verkorten als voorafgaand aan de WSNP afdrachten zijn gedaan. De rechter-commissaris achtte dit hier het geval en verkortte de looptijd met zes maanden, in plaats van de door de bewindvoerder gevraagde zeven maanden, vanwege een gemiste inhouding in juni 2025.

De regeling zal daardoor eindigen op 30 juli 2026. De bewindvoerder moet deze wijziging onverwijld aan de schuldeisers melden. Tegen deze beschikking staat hoger beroep open binnen vijf dagen na dagtekening.

Uitkomst: De looptijd van de schuldsaneringsregeling wordt verkort met zes maanden en eindigt op 30 juli 2026.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling Privaatrecht
Locatie: Groningen
zaaknummer: C/18/25/232 R

beschikking van 18 september 2025

ex artikel 349a van de Faillissementswet van de rechter-commissaris in de schuldsaneringsregeling van:
[schuldenares], geboren op [geboortedatum] 1990 te [geboorteplaats] ,
wonende te [woonplaats] ,
hierna te noemen de schuldenares,
bewindvoerder: [bewindvoerder] .

PROCESGANG

Bij vonnis van de rechtbank van 30 juli 2025 is de schuldsaneringsregeling op de schuldenares van toepassing verklaard.
De bewindvoerder heeft bij verzoek van 29 augustus 2025 via Toezicht de rechter-commissaris verzocht om de looptijd van de schuldsaneringsregeling te verkorten.
De bewindvoerder geeft aan dat er in het verzoekschrift WSNP geen (duidelijk) verzoek is gedaan om de WSNP te verkorten en om de WSNP in te laten gaan met een eerdere ingangsdatum. Er ligt al geruime tijd beslag op de UWV-uitkering van de schuldenares ter hoogte van € 634,00. De door de GKB Groningen berekende draagkracht is € € 358,00. De schuldenares heeft in de afgelopen periode dus elke maand € 276,00 meer aan haar schuldeisers afgedragen dan zij volgens het VTLB zou moeten. De uitspraak van de Hoge Raad van
20 december 2024 (ECLI:NL:HR:2024:1913) waarin wordt verwezen in het toelatingsvonnis geeft aan dat dit beslag ook als aflossing aangemerkt had moeten worden. De schuldenares heeft zich gehouden aan de informatieverplichting, er zijn sinds het startgesprek geen nieuwe schulden ontstaan en door haar medische situatie is de schuldenares niet in staat om te werken. Via een separaat verzoek zal de bewindvoerder de rechtercommissaris verzoeken om de schuldenares een ontheffing van de sollicitatieplicht te verlenen. Kortom de schuldenares heeft voldaan aan de verplichtingen zoals deze gelden in de WSNP. De schuldenares heeft in december 2024 een startgesprek gehad over haar minnelijke regeling, het beslag kan vanaf dat moment worden gezien als eerste aflossing aan haar schulden. De schuldenares heeft derhalve in de maanden januari tot en met juli 2025 (meer) afgedragen aan de schuldeisers middels het beslag. De rechtbank heeft volgens de bewindvoerder geoordeeld dat er zaken hebben gespeeld waardoor er sprake was van de niet te goede trouw toets, maar daarvoor heeft de schuldenares een beroep gedaan op de hardheidsclausule. De rechtbank heeft voorts geoordeeld dat de keer ten goede is gemaakt en dat de schuldenares daarom wel toegelaten kan worden. Ter toelichting geeft de bewindvoerder aan dat de giften van de ouders en het ontstaan van de schulden voortvloeit uit het feit dat de schuldenares al zeker 24 maanden (een te hoog) beslag heeft op haar inkomen. Daar staan ook nog eens hele hoge kosten voor haar ziekte tegenover. De bewindvoerder is van mening dat door de giften van de ouders van de schuldenares ergere schulden zijn voorkomen. De bewindvoerder is van mening dat dit onvoldoende is meegenomen in de beslissing van de rechtbank en dat de looptijd van de regeling met 7 maanden verkort had moeten worden. De bewindvoerder verzoekt dan ook om de looptijd van de regeling met zeven maanden te verkorten.
De rechter-commissaris is het met de bewindvoerder eens dat de rechtbank ten onrechte onvoldoende rekening heeft gehouden met de feiten en omstandigheden van de schuldenares. De rechter-commissaris is van oordeel dat de schuldenares in ieder geval vanaf haar startgesprek in december 2024 heeft afgedragen en de verplichtingen is nagekomen als ware zij was toegelaten tot de WSNP. De rechter-commissaris is dan ook van oordeel dat de rechtbank de toets om te beoordelen of de schuldenares ambtshalve voor een verkorting van de looptijd in aanmerking komt, nu dit niet expliciet in het verzoekschrift is verzocht, niet heeft uitgevoerd. De rechter-commissaris is van mening dat voldoende aannemelijk is gemaakt om de looptijd van de schuldsaneringsregeling op grond van 349a Faillissementswet (Fw) te verkorten. De rechter-commissaris zal de looptijd van de regeling echter niet gaan verkorten met de door de bewindvoerder verzochte 7 maanden, maar met 6 maanden nu uit de overgelegde uitkeringsspecificaties door de bewindvoerder is gebleken dat er op de uitkering van juni 2025 geen inhouding via een gelegd beslag heeft plaatsgevonden.

RECHTSOVERWEGINGEN

De rechter-commissaris overweegt als volgt. In artikel 349a lid 1 Fw is bepaald dat de rechter de termijn van de schuldsaneringsregeling vaststelt. Sinds 1 juli 2023 kan bij de termijnbepaling worden gerekend met een ingangsdatum van de termijn vóórdat de regeling ten aanzien van een schuldenaar van toepassing wordt verklaard. Op grond van de uitspraak van deze rechtbank, locatie Groningen, van 27 september 2024 (ECLI:NL:RBNNE:2024:3927) kan de rechter-commissaris alsnog de looptijd verkorten in een situatie waarin voorafgaand aan de WSNP afdrachten ten gunste van de (gezamenlijke) schuldeiser(s) is/zijn gedaan en de schuldenaar om welke reden dan ook niet heeft verzocht om de looptijd in verband hiermee te verkorten.
De schuldenares heeft gedurende het minnelijk traject aan haar inspanningsplicht voldaan en haar inkomen boven het vrij te laten bedrag ten behoeve van de schuldeisers afgedragen. Er is niet expliciet om een eerdere ingangsdatum in het verzoekschrift verzocht en dat is de schuldenares niet aan te rekenen. Daarnaast weegt de rechter-commissaris mee dat de Hoge Raad in haar voornoemde uitspraak van 20 december 2024 heeft opgenomen dat art. 349a lid 1 Fw ambtshalve moet worden toegepast. Het staat de rechter niet vrij om af te zien van hantering van het alternatieve aanvangsmoment als aan de daarvoor geldende voorwaarden is voldaan. Uit het dossier is de rechter-commissaris gebleken dat hier (grotendeels) aan is voldaan. De rechter-commissaris is, gezien het vorenstaande, van oordeel dat er aanleiding bestaat de termijn waarop de schuldsaneringsregeling van toepassing is te verkorten met 6 maanden. De onderhavige schuldsaneringsregeling zal dan ook eindigen op 30 juli 2025.
De bewindvoerder dient van deze gewijzigde termijn onverwijld kennis te geven aan de schuldeisers.

BESLISSING

De rechter-commissaris:
- stelt de termijn waarop de schuldsaneringsregeling op de schuldenares van toepassing is vast op 12 maanden, te rekenen vanaf de dag van de uitspraak tot toepassing van de schuldsaneringsregeling, die dag daaronder begrepen, derhalve eindigend op 30 juli 2026.
Deze beschikking is gegeven op 18 september 2025 door mr. J.H. Idzenga. [1]

Voetnoten

1.Tegen deze beschikking staat gedurende vijf dagen na dagtekening van deze beschikking hoger beroep open bij deze rechtbank.