Uitspraak
RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
1.Het procesverloop
2.De feiten
3.De beoordeling
4.De beslissing
vrijdag 10 april 2026 om 14:00 uur, in het gerechtsgebouw in Groningen, Guyotplein 1;
Rechtbank Noord-Nederland
De zaak betreft de verlenging van de ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing van een één jaar oud kind, evenals het verzoek van de gecertificeerde instelling (GI) om gedeeltelijk gezag te mogen uitoefenen voor medische toestemming. De GI heeft een perspectiefbesluit genomen dat terugplaatsing bij de ouders niet meer mogelijk is, maar heeft nagelaten de Raad voor de Kinderbescherming te verzoeken een onderzoek te doen naar het perspectief op hereniging binnen een aanvaardbare termijn.
De kinderrechter stelt vast dat het kind ernstig in zijn ontwikkeling wordt bedreigd door de problematiek van de ouders, waaronder middelengebruik en psychische problemen, en dat de ouders onvoldoende hebben geprofiteerd van hulpverlening. De GI acht het perspectief van het kind bij het pleeggezin gelegen. De ouders betwisten de juistheid van de door de GI gebruikte informatie en wensen hereniging, eventueel via plaatsing in een ouder-kindhuis of bij familie in Duitsland.
De rechter oordeelt dat verlenging van de ondertoezichtstelling alleen kan indien redelijkerwijs te verwachten is dat ouders binnen een aanvaardbare termijn weer zelf de opvoedingsverantwoordelijkheid kunnen dragen. Dit is niet aangetoond. Daarom wordt de ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing verlengd voor zes maanden, waarbij de Raad wordt opgedragen een onderzoek te doen naar het perspectief op hereniging en de noodzaak van verdere maatregelen. Het verzoek van de GI tot gedeeltelijke gezagsuitoefening wordt afgewezen wegens onvoldoende motivering en onbepaalde machtiging.
Uitkomst: De ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing worden verlengd voor zes maanden, het verzoek tot gedeeltelijke gezagsuitoefening door de GI wordt afgewezen.