Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBNNE:2025:440

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
21 januari 2025
Publicatiedatum
10 februari 2025
Zaaknummer
LEE 24/2096
Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4:17 AwbArt. 11 Wet van 15 mei 1829
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vermindering aanslag inkomstenbelasting 2021 wegens scholingsuitgaven en toekenning dwangsom

Eiser diende in 2022 zijn aangifte inkomstenbelasting 2021 in met een aftrekpost voor scholingsuitgaven van €1.600, gebaseerd op betaald collegegeld minus de drempel. De inspecteur legde een aanslag op met een lager belastbaar inkomen en weigerde deels de aftrek. Eiser maakte bezwaar en stelde de inspecteur in gebreke wegens het niet tijdig beslissen op bezwaar.

De rechtbank stelde vast dat eiser recht heeft op een aftrek van €1.447, gebaseerd op €1.697 aan collegegeld minus de drempel, en vermindert de aanslag dienovereenkomstig. Tevens oordeelde de rechtbank dat de inspecteur één dag te laat uitspraak op bezwaar deed, waardoor een dwangsom van €23 verschuldigd is.

Verder werd het beroep gegrond verklaard, de uitspraak op bezwaar vernietigd, en de aanslag en belastingrente aangepast. De rechtbank veroordeelde de inspecteur tot vergoeding van proceskosten, griffierecht en beperkte verletkosten van eiser. Eiser kan tegen deze uitspraak hoger beroep instellen bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.

Uitkomst: De aanslag inkomstenbelasting 2021 wordt verminderd en de inspecteur is een dwangsom van €23 verschuldigd wegens te late uitspraak op bezwaar.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: LEE 24/2096
uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 21 januari 2025 in de zaak tussen

[eiser] , uit [woonplaats] , eiser

en
de inspecteur van de Belastingdienst/Particulieren/kantoor Eindhoven,de inspecteur
(gemachtigde: mr. [naam 1] ).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 21 maart 2024.
1.1.
De inspecteur heeft aan eiser voor het jaar 2021 een aanslag in de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) opgelegd naar uitsluitend een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 53.221.
1.2.
Gelijktijdig met de vaststelling van de aanslag heeft de inspecteur eiser € 17 belastingrente in rekening gebracht (de belastingrentebeschikking).
1.3.
De inspecteur heeft met datum 21 maart 2024 het bezwaar van eiser afgewezen.
1.4.
Eiser heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld.
1.5.
De inspecteur heeft bij beschikking met datum 26 maart 2024beslist dat eiser geen recht heeft op een dwangsom ter zake van het niet tijdig beslissen op bezwaar.
1.6.
De inspecteur heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.7.
De rechtbank heeft het beroep op 11 december 2024 op zitting behandeld. Eiser is verschenen. De inspecteur heeft zich laten vertegenwoordiger door mr. [naam 2] en mr. [naam 3] .

Feiten

2. Eiser heeft in 2021 een opleiding gevolgd.
2.1.
Op 4 maart 2022 heeft eiser een aangifte IB/PVV 2021 ingediend. In de aangifte is een bedrag van € 1.600 aan aftrekbare scholingsuitgaven opgenomen. Dit bedrag bestaat uit het betaalde collegegeld van € 1.850 verminderd met de drempel voor de scholingsuitgaven van € 250 (de drempel).
2.2.
De inspecteur is bij het opleggen van de aanslag IB/PVV 2021 van de aangifte afgeweken.
2.3.
Eiser heeft op 18 september 2023 bezwaar gemaakt tegen de aanslag IB/PVV 2021.
2.4.
Met datum 9 januari 2024 heeft eiser de inspecteur schriftelijk in gebreke gesteld vanwege het niet tijdig beslissen op het bezwaarschrift. De ingebrekestelling is door de inspecteur ontvangen op 6 maart 2024.
2.5.
Eiser heeft in beroep bankafschriften overgelegd waaruit volgt dat hij in het kalanderjaar 2021 € 1.696,34 aan collegegelden heeft betaald.

Beoordeling door de rechtbank

3. De rechtbank beoordeelt of de inspecteur terecht de aftrek van scholingsuitgaven deels heeft geweigerd. Daarnaast beoordeelt de rechtbank of eiser recht heeft op een dwangsom. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser.
Heeft eiser recht op aftrek van een hoger bedrag aan scholingsuitgaven?
4. Ter zitting is gebleken dat partijen het erover eens zijn dat eiser recht heeft op een aftrek van scholingsuitgaven van € 1.447. Dit bedrag bestaat uit een bedrag van afgerond € 1.697 aan collegegeld (zie 2.5) verminderd met de drempel. De aanslag IB/PVV 2021 moet daarom worden verminderd naar een aanslag berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 52.632. De rechtbank zal de aanslag IB/PVV 2021 in overeenstemming hiermee verminderen.
4.1.
Het beroep wordt geacht mede betrekking te hebben op de belastingrente. Eiser heeft geen zelfstandige gronden tegen de in rekening gebrachte belastingrente aangevoerd. Nu de met de belastingrentebeschikking samenhangende aanslag zal worden verminderd, verstaat de rechtbank dat de inspecteur het bedrag van de belastingrente dienovereenkomstig zal verminderen.
Heeft eiser recht op een dwangsom?
5. Eiser stelt dat de inspecteur ten onrechte geen dwangsom heeft toegekend. Hij voert hiervoor aan dat er sprake is van procedurele tekortkomingen in de bezwaarprocedure. Daarnaast voert eiser aan dat er geen sprake is geweest van een nieuwe onafhankelijke heroverweging in de bezwaarfase en wijst eiser op een lopende klachtenprocedure en deze beroepsprocedure.
5.1.
De inspecteur heeft ter zitting het standpunt ingenomen dat eiser recht heeft op een dwangsom van € 23. De inspecteur ziet in de door eiser aangevoerde omstandigheden geen aanleiding voor een hogere dwangsom.
5.2.
De rechtbank overweegt als volgt. De inspecteur heeft de schriftelijke ingebrekestelling op 6 maart 2024 ontvangen (zie 2.4). De inspecteur heeft na ontvangst van een ingebrekestelling twee weken de tijd om uitspraak op bezwaar te doen. [1] De inspecteur had daarom tot uiterlijk 20 maart 2024 de tijd om uitspraak op bezwaar te doen zonder een dwangsom verschuldigd te worden. Omdat de inspecteur op 21 maart 2024 uitspraak op bezwaar heeft gedaan (zie 1.3), heeft hij één dag te laat uitspraak op bezwaar gedaan. Hierdoor is de inspecteur een dwangsom van € 23 (1 * € 23) verschuldigd. [2]
5.3.
Voor zover eiser heeft gesteld dat de dwangsom op een hoger bedrag moet worden bepaald dan de € 23, overweegt de rechtbank als volgt. Het bedrag waarop de dwangsom per dag wordt bepaald is vastgelegd in de Algemene wet bestuursrecht. De rechtbank heeft geen ruimte om hiervan af te wijken. De rechter moet namelijk recht spreken volgens de wet en mag niet de innerlijke waarde of de billijkheid van de wet beoordelen. [3] Daarnaast overweegt de rechtbank dat in het kader van de dwangsomregeling ook een onzorgvuldig tot stand gekomen uitspraak op bezwaar telt als een uitspraak op bezwaar. [4] De rechtbank moet daarom dus uitgaan van de datum van de uitspraak op bezwaar en kan de dwangsom niet over een langere periode berekenen (zie ook 5.2).

Conclusie en gevolgen

6. Het beroep is gegrond. De rechtbank vernietigt de uitspraak op bezwaar en verlaagt de aanslag IB/PVV 2021 tot een aanslag berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 52.632. Daarnaast stelt de rechtbank de door de inspecteur te betalen dwangsom vast op € 23.
6.1.
Omdat het beroep gegrond is moet de inspecteur het griffierecht aan eiser vergoeden en krijgt eiser ook een vergoeding van zijn proceskosten.
6.2.
Door eiser is verzocht om vergoeding van verletkosten van € 251. Hij voert hiervoor aan dat hij de gehele dag vrij heeft moeten nemen van zijn werk om aanwezig te kunnen zijn bij de zitting. De inspecteur heeft de hoogte van de verletkosten betwist. Alleen de tijd die eiser nodig heeft gehad voor het reizen en het aanwezig zijn op de zitting komt volgens de inspecteur voor vergoeding in aanmerking. De inspecteur stelt daarom dat de verletkosten moeten worden bepaald op twee achtste deel van € 251.
6.3.
De rechtbank overweegt als volgt. Tegenover de betwisting van de inspecteur heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat hij voor het bijwonen van de zitting de gehele dag vrij heeft moeten nemen van zijn werk. Gelet op de duur van de zitting en de reistijd van eiser is de rechtbank van oordeel dat eiser recht heeft op verletkosten voor de duur van twee uren. De rechtbank stelt de verletkosten daarom vast op € 63.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt de uitspraak op bezwaar;
- vermindert de aanslag IB/PVV 2021 tot een aanslag berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 52.632 en wijzigt de belastingrentebeschikking in overeenstemming daarmee;
- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats komt van de bestreden uitspraak op bezwaar;
- bepaalt dat de inspecteur aan eiser een dwangsom is verschuldigd van € 23;
- veroordeelt de inspecteur in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 63;
- bepaalt dat de inspecteur het griffierecht van € 51 aan eiser moet vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L.S. Langius, rechter, in aanwezigheid van
mr.J.P. Raateland, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 21 januari 2025.
w.g. griffier
w.g. rechter

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Artikel 4:17, derde lid, Algemene wet bestuursrecht.
2.Artikel 4:17, tweede lid, Algemene wet bestuursrecht.
3.Artikel 11 Wet Pro van 15 mei 1829, houdende algemeene bepalingen der wetgeving van het Koningrijk.
4.Zie Hoge Raad 26 januari 2018, ECLI:NL:HR:2018:96.