In deze zaak stond centraal of tussen de personal holding van verzoeker en de ICT-onderneming een arbeidsovereenkomst bestond. Verzoeker stelde dat hij als directeur via de holding feitelijk in dienst was van de onderneming, ondanks de formele managementovereenkomst. De kantonrechter beoordeelde de schriftelijke afspraken en de feitelijke uitvoering.
De managementovereenkomst voorzag in een opdracht tot het verrichten van werkzaamheden, persoonlijk door verzoeker, met een maandelijkse managementfee en een non-concurrentiebeding. Verzoeker factureerde zelf en droeg belasting af. Hoewel hij zich 40 uur per week beschikbaar stelde en bepaalde directietaken vervulde, was er geen sprake van gezagsverhouding zoals vereist voor een arbeidsovereenkomst.
De kantonrechter hanteerde de Haviltex-maatstaf en de negen gezichtspunten van de Hoge Raad, en concludeerde dat de verhouding eerder een overeenkomst van opdracht betrof. Het feit dat premies sociale zekerheid werden afgedragen was onvoldoende om dit te weerleggen. Het verzoek om de arbeidsovereenkomst te erkennen werd afgewezen, evenals het voorwaardelijk tegenverzoek. Verzoeker werd veroordeeld in de proceskosten.