Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBNNE:2025:4721

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
11 november 2025
Publicatiedatum
18 november 2025
Zaaknummer
LEE 25/3525
Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:5 AwbArt. 6:6 AwbArt. 8:81 AwbArt. 8:83 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk wegens ontbreken besluit en bezwaarschrift

De voorzieningenrechter van de Rechtbank Noord-Nederland heeft op 11 november 2025 uitspraak gedaan over een verzoek om voorlopige voorziening van verzoeker tegen het dagelijks bestuur van Veiligheidsregio Groningen.

Het verzoek werd ingediend zonder dat het besluit waarop het geschil betrekking heeft en het bezwaarschrift tegen dat besluit waren overgelegd. De rechtbank heeft verzoeker bij brief verzocht dit binnen een week te herstellen, maar verzoeker heeft hieraan geen gehoor gegeven en geen verontschuldiging voor het verzuim gegeven.

Hierdoor werd het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk verklaard op grond van artikel 6:6 van Pro de Algemene wet bestuursrecht. De voorzieningenrechter heeft het verzoek niet inhoudelijk beoordeeld en er is geen proceskostenveroordeling opgelegd.

De uitspraak is gedaan zonder zitting, in overeenstemming met artikel 8:83, derde lid, van de Awb, en bindt de rechtbank niet in een eventueel bodemgeding. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening is niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van het besluit en het bezwaarschrift.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Bestuursrecht
zaaknummer: LEE 25/3525

uitspraak van de voorzieningenrechter van 11 november 2025 in de zaak tussen

[naam 1 uit woonplaats] , verzoeker

en

het dagelijks bestuur van Veiligheidsregio Groningen.

Inleiding

1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
1.1.
Omdat het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk is doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk is.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

2. Iemand die een verzoek om voorlopige voorziening indient, moet zo mogelijk een afschrift van het besluit waarop het geschil betrekking heeft overleggen en een afschrift van het bezwaar- of beroepschrift tegen dat besluit. [1] Als dat niet gebeurt, kan de voorzieningenrechter – na een herstelmogelijkheid – het verzoek op grond van artikel 6:6 van Pro de Awb niet-ontvankelijk verklaren.
2.1.
Bij het verzoekschrift zijn het besluit waarop het verzoek betrekking heeft en het bezwaarschrift tegen dat besluit niet overgelegd. De rechtbank heeft verzoeker bij brief van 8 oktober 2025 verzocht om binnen een week dit verzuim te herstellen.
2.2.
Verzoeker heeft binnen die termijn geen afschriften van het besluit en van het bezwaarschrift overgelegd.
2.3.
Verzoeker heeft geen reden gegeven voor dit verzuim. Er is dus geen verontschuldiging voor dit verzuim.

Conclusie en gevolgen

3. Het verzoek is daarom kennelijk niet-ontvankelijk. Dat betekent dat de voorzieningenrechter het verzoek niet inhoudelijk beoordeelt. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De voorzieningenrechter verklaart het verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. F. Sijens, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van H. Siebers, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 11 november 2025.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Dit staat in artikel 8:81, vierde lid, van de Awb in samenhang met artikel 6:5, eerste lid, van de Awb.