Aan betrokkene is een boete opgelegd wegens het rijden in strijd met een geslotenverklaring op 7 oktober 2023. Betrokkene stelde beroep in tegen de boete, dat door de officier van justitie ongegrond werd verklaard. Vervolgens werd beroep ingesteld bij de kantonrechter.
Tijdens de zitting op 9 oktober 2025 voerde de gemachtigde van betrokkene aan dat de leaserijder niet op de plaats van de overtreding was en dat de hoorplicht was geschonden. De hoorplichtsschending werd toegeschreven aan een beoordelaar die zonder hoorzitting beslissingen nam. De gemachtigde verzocht om matiging van de boete met 25% en vergoeding van proceskosten.
De officier van justitie erkende de schending van de hoorplicht, maar stelde dat dit geen structureel beleid was, maar een eenmalige fout van een beoordelaar. De kantonrechter stelde vast dat de boete terecht was opgelegd aan de kentekenhouder en dat de gedraging kon worden vastgesteld.
De kantonrechter oordeelde dat de beslissing van de officier van justitie vernietigd moest worden wegens schending van de hoorplicht, maar dat er onvoldoende bewijs was voor een structurele schending. Daarom werd de boete niet gematigd en werden de proceskosten niet toegewezen.