ECLI:NL:RBNNE:2025:4915

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
14 oktober 2025
Publicatiedatum
2 december 2025
Zaaknummer
153541
Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Type
Uitspraak
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Tussenbeschikking zorgmachtiging in een civiele procedure betreffende een betrokkene met psychische stoornissen

In deze zaak heeft de Rechtbank Noord-Nederland op 14 oktober 2025 een tussenbeschikking gegeven in een verzoek om zorgmachtiging voor een betrokkene, geboren in 1983, die lijdt aan verschillende psychische stoornissen. De rechtbank heeft de procedure gestart op verzoek van de officier van justitie, waarbij de betrokkene niet aanwezig was tijdens de zitting, maar wel digitaal wilde deelnemen. De rechtbank heeft vastgesteld dat de betrokkene sinds 2016 bekend is met verplichte zorg en dat eerdere pogingen tot vrijwillige zorg niet succesvol zijn geweest. De rechtbank heeft geconcludeerd dat de betrokkene niet bereid was om te worden gehoord en dat er ernstige nadelen zijn verbonden aan haar psychische toestand, waaronder gevaar voor zichzelf en anderen. De rechtbank heeft besloten om een zorgmachtiging te verlenen voor de duur van één maand, met de mogelijkheid om de beslissing over de langere duur van de machtiging aan te houden. De rechtbank heeft ook verzocht om een geactualiseerde medische verklaring van een onafhankelijke psychiater. De zaak zal op 13 november 2025 opnieuw worden behandeld.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Assen
Zaaknummer: C/19/153541 / FA RK 25-2176
Datum uitspraak: 14 oktober 2025
Tussenbeschikking zorgmachtiging
op het verzoek van de officier van justitie voor
[betrokkene],
geboren op [geboortedatum] 1983 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen betrokkene,
wonend in [woonplaats] ,
advocaat mr. S.I. Fonds uit Amsterdam.

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De rechtbank neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift met bijlagen, binnengekomen bij de rechtbank op 24 september 2025.
1.2.
De zitting heeft plaatsgevonden op 14 oktober 2025. Daarbij zijn gehoord:
  • mr. S.I. Fonds, de advocaat van betrokkene;
  • [naam] , GZ-psycholoog;
  • Annieke, basisarts;
  • Yvonne, begeleider.

2.Wat vaststaat

2.1.
De rechtbank heeft met betrekking tot betrokkene op 29 oktober 2024 een zorgmachtiging verleend, geldig tot en met 29 oktober 2025. Betrokkene wordt geacht met deze machtiging in GGZ Drenthe, [verblijfplaats 1], te [woonplaats] te verblijven.
2.2.
Voor betrokkene is mentorschap ingesteld. De mentor van betrokkene heeft bij e-mailbericht van 2 oktober 2025 laten weten niet aanwezig te zijn bij de mondelinge behandeling. De mentor heeft aangegeven zich te refereren aan het oordeel van de rechtbank.

3.Het verzoek

3.1.
De officier van justitie verzoekt de rechtbank een zorgmachtiging te verlenen voor de duur van vierentwintig maanden.

4.De beoordeling

4.1.
In artikel 6:1, lid 1, Wvggz is bepaald dat de rechter op het verzoek om een zorgmachtiging niet beslist dan nadat betrokkene ten aanzien waarvan een machtiging wordt verzocht, is gehoord, tenzij de rechtbank vaststelt dat betrokkene niet in staat of bereid is zich te doen horen.
4.2
Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad (vgl. onder meer ECLI:NL:HR:2025:972) volgt uit het in voormelde bepaling neergelegde recht van betrokkene om te worden gehoord dat de rechter een onderzoeks- en motiveringsplicht heeft waar het gaat om de vraag of betrokkene al dan niet bereid of in staat is om te worden gehoord. Hierbij geldt dat ‘niet noodzakelijk is dat betrokkene heeft verklaard voormelde bereidheid te missen. Voldoende is dat dit naar het oordeel van de rechter kan worden afgeleid uit de wijze waarop betrokkene zich heeft gedragen, in het bijzonder ook bij de door de rechter aangewende pogingen om betrokkene in zijn woon- of verblijfplaats te horen op de voet van artikel 6:1, lid 2, Wvggz’, aldus de Hoge Raad.
4.3
In dit kader overweegt de rechtbank als volgt.
De advocaat van betrokken heeft ter zitting te kennen gegeven dat betrokkene in Amsterdam verblijft en dus niet bij de zitting aanwezig is, maar dat zij wel graag wil worden gehoord. Betrokkene is wel op de hoogte van de zitting van vandaag maar wil niet terugkeren naar [woonplaats] . Zij zou nog wel digitaal willen aansluiten bij een zitting.
Niet in geschil is echter dat betrokkene al sinds enige tijd ongeoorloofd afwezig is. Om die reden is de behandeling ter zitting van dit verzoek die eerst op 9 oktober was bepaald al verplaatst naar heden, 14 oktober 2025 (tevens de laatste dag van de wettelijke beslistermijn), om betrokkene een tweede kans te geven bij de zitting aanwezig te zijn. Betrokkene is op 15 september 2025 in [woonplaats] nog voor de medische verklaring face-to-face onderzocht door de onafhankelijk psychiater, maar heeft er daarna voor gekozen om niet terug te keren van onbegeleid verlof. Omdat betrokkene al sinds 2016 vrijwel onafgebroken bekend is met verplichte opnames/verplichte zorg, met tenminste jaarlijks een (verlengings)-zitting, kon zij weten dat niet lang na het gesprek met de onafhankelijk psychiater een zitting zou plaatsvinden om het verzoek te behandelen.
De rechtbank stelt voorts dat betrokkene kennelijk heeft aangegeven wel digitaal aan te willen sluiten bij en zitting, maar dat zijzelf – dan wel haar advocaat – geen enkel initiatief heeft genomen om digitaal bij de zitting van heden aanwezig te zijn. Op voorstel van de rechtbank heeft de advocaat van betrokkene ter zitting nog getracht betrokkene telefonisch te bereiken, maar betrokkene nam - ondanks haar bekendheid met de zitting - niet op.
Hoewel betrokkene via haar advocaat in wóórd te kennen heeft gegeven door de rechtbank te willen worden gehoord, stelt de rechtbank op grond van het vorenstaande echter vast zij zich daar feitelijk niet naar heeft gedragen. Naar het oordeel van de rechtbank ligt het niet op de weg van de rechtbank om, in geval van ongeoorloofde aanwezigheid van betrokkene, zich naar haar feitelijke verblijfplaats (in dit geval ca. 165 km. verderop) te begeven.
Alles te samen genomen heeft de rechtbank geconcludeerd dat betrokkene niet bereid was in de kliniek te [woonplaats] te worden gehoord waarna de zitting zonder haar bijzijn is voortgezet.
4.4.
Met betrekking tot de inhoudelijke beoordeling van het verzoek overweegt de rechtbank verder als volgt.
De rechtbank is van oordeel dat genoegzaam vaststaat dat betrokkene lijdt aan een psychische stoornis. Betrokkene is gediagnosticeerd met neurobiologische ontwikkelingsstoornissen (o.a. verstandelijke beperkingen en autismespectrumstoornissen ), schizofreniespectrum- en andere psychotische stoornissen en middel gerelateerde- en verslavingsstoornissen.
4.5.
Deze stoornis veroorzaakt ernstig nadeel. Dit nadeel bestaat uit:
- ernstig lichamelijk letsel;
- ernstige psychische schade;
- ernstige materiële schade;
- ernstige immateriële schade;
- ernstige financiële schade;
- ernstige verwaarlozing;
- maatschappelijke teloorgang;
- ernstige verstoorde ontwikkeling;
- bedreiging van de veiligheid van betrokkene al dan niet doordat betrokkene onder invloed van een ander raakt;
- het oproepen van agressie van een ander door het vertonen van hinderlijk gedrag;
- gevaar voor de algemene veiligheid van personen en goederen.
4.6.
Ter toelichting op de psychische stoornis en het daaruit voortvloeiende ernstig nadeel overweegt de rechtbank verder als volgt. Betrokkene is bekend met een schizo-affectieve stoornis van het bipolaire type, zwakbegaafdheid en middelengebruik. Betrokkene kent een uitgebreide psychiatrische voorgeschiedenis met manische en gedesorganiseerde episodes. De luxerende factoren tijdens deze episodes waren middelengebruik, medicatieweigering en spanning. In het verleden is gebleken dat betrokkene tijdens een episode mensen in huis haalde die misbruik van haar situatie maakten en haar woning overnamen voor het gebruik en verhandelen van drugs. Daardoor ontstond overlast in de buurt en zijn er ook vechtpartijen geweest waar zij bij betrokken was. Er volgden uiteindelijk een aantal verschillende opnames. In het begin verbleef betrokkene bij Duurzaam Verblijf Assen en hier stabiliseerde haar toestandsbeeld waarop ze kon worden overgeplaatst naar een meer open afdeling. Dit ging een periode goed, waarbij betrokkene met veel succes vrijwilligerswerk deed. Hoewel betrokkene kwetsbaar bleef, zorgde de combinatie van abstinentie en het innemen van medicatie voor een positief evenwicht. Na een nieuwe overplaatsing vond er echter een terugval in middelengebruik plaats en staakte ze de medicatie. Er volgden opnames op verschillende locaties om haar te stabiliseren. Er was echter nauwelijks contact mogelijk met betrokkene en ze was agressief naar spullen en begeleiding. Verder zwierf betrokkene over het terrein en had (onbeschermd) seksuele contacten met medepatiënten. Uiteindelijk werd betrokkene overgeplaatst naar Duurzaam Verblijf Assen en kon aldaar dankzij medicatie het manisch-psychotisch beeld goed behandeld worden. Tijdens een onbegeleid verlofmoment heeft betrokkene zich echter onttrokken aan de behandeling en verbleef vervolgens een aantal maanden op een onbekend adres in Amsterdam. Zij is later door politie aangehouden wegens vernielingen aan auto's en teruggebracht naar de kliniek. Betrokkene verblijft sinds augustus 2025 op [verblijfplaats 1] . Na een aantal goed verlopen begeleide verloven heeft betrokkene zich bij een onbegeleid verlof opnieuw onttrokken aan zorg. Vier dagen later werd zij teruggebracht door de politie, omdat ze was aangehouden wegens overlast. Betrokkene zou momenteel redelijk stabiel functioneren. Sinds de laatste weken is betrokkene echter opnieuw ongeoorloofd afwezig geweest.
4.7.
Om het ernstig nadeel af te wenden of de geestelijke gezondheid en de door de stoornis bedreigde of aangetaste fysieke gezondheid van betrokkene te stabiliseren of te herstellen heeft betrokkene zorg nodig.
4.8.
Er zijn geen mogelijkheden voor passende zorg op vrijwillige basis. Zowel het ziektebesef als het ziekte-inzicht ontbreekt bij betrokkene. In het verleden is meermaals gebleken dat zorg op vrijwillige basis niet het gewenste resultaat opleverde en ontoereikend was om ernstig nadeel te voorkomen. Zelfs met verplichte zorg onttrekt betrokkene zich telkenmale aan behandeling. Bij een terugval in middelengebruik is betrokkene niet meer in staat de neerwaartse spiraal van gebruik, psychiatrische ontregeling en teloorgang te doorbreken. Een vroege interventie met verplichte zorg is dan noodzakelijk om het tij te keren. Daarom is verplichte zorg nodig.
4.9.
De rechtbank is op grond van het zorgplan, de medische verklaring, het advies van de geneesheer-directeur en de toelichting tijdens de zitting van oordeel dat de volgende vormen van verplichte zorg nodig zijn:
- het toedienen van medicatie;
- het beperken van de bewegingsvrijheid;
- insluiten;
- uitoefenen van toezicht op betrokkene;
- onderzoek aan kleding of lichaam;
- onderzoek van de woon- of verblijfsruimte op gedrag-beïnvloedende middelen en gevaarlijke voorwerpen;
- controleren op de aanwezigheid van gedrag-beïnvloedende middelen;
- aanbrengen van beperkingen in de vrijheid het eigen leven in te richten die tot gevolg hebben dat betrokkene iets moet doen of nalaten, waaronder het gebruik van communicatiemiddelen;
- opnemen in een accommodatie.
4.10.
De vormen van verplichte zorg die worden toegewezen zijn naar het oordeel van de rechtbank evenredig en naar verwachting effectief. Er zijn geen minder bezwarende alternatieven die hetzelfde beoogde effect hebben Bij het bepalen van de juiste vormen van zorg is rekening gehouden met de voorwaarden die noodzakelijk zijn om deelname van betrokkene aan het maatschappelijk leven te bevorderen en om te zorgen voor de veiligheid van betrokkene en haar omgeving.
4.11.
Voor wat betreft de termijn van de te verlenen machtiging overweegt de rechtbank als volgt. Ondanks dat betrokkene er kennelijk voor heeft gekozen om op het moment van de behandeling ter zitting niet in de kliniek aanwezig te zijn, en zich daarmee in de positie heeft gebracht dat zij niet ter zitting op het verzoek is gehoord, wil de rechtbank haar toch nog een keer in de gelegenheid stellen om alsnog op het verzoek te worden gehoord. Omdat 14 oktober 2015 de laatste dag van de beslistermijn is, is aanhouding van het verzoek geen optie. Dit zou betekenen dat (op grond van artikel 6:6, lid 2, Wvggz) de op 29 oktober 2024 voor een jaar verleende zorgmachtiging per 15 oktober 2025 zou vervallen, met als gevolg dat aan betrokkene geen verplichte zorg meer zou kunnen worden verleend. Om deze situatie te voorkomen zal de rechtbank de zorgmachtiging verlenen voor de duur van 1 maand, met aanhouding van de beslissing omtrent de langer verzochte duur. De behandeling ter zitting zal binnen deze termijn, op de in het dictum vermelde datum, worden voortgezet.
Indien de GGZ er niet in mocht slagen betrokkene voor deze datum naar de kliniek te hebben teruggehaald zal betrokkene telefonisch of digitaal aan de zitting kunnen deelnemen. Het is aan betrokkene en haar advocaat om hierin alsdan de nodige stappen richting de rechtbank te ondernemen.
Aan de officier van justitie/de GGZ Drenthe wordt verzocht om indien mogelijk voorafgaand aan de in het dictum vermelde zittingsdatum een geactualiseerde medische verklaring aan de rechtbank te doen toekomen.
Beslist wordt als volgt.

5.De beslissing

De rechtbank:
5.1.
verleent een zorgmachtiging voor
[betrokkene], geboren op [geboortedatum] 1983 in [geboorteplaats] , wat inhoudt dat de maatregelen die in 4.9. staan kunnen worden toegepast;
5.2.
bepaalt dat deze machtiging geldt tot en met uiterlijk 14 november 2025, met aanhouding van de beslissing over de langer verzochte duur van de machtiging;
5.3.
verzoekt de officier van justitie/ de GGZ Drenthe (voor zover mogelijk), een geactualiseerde medische verklaring van een onafhankelijke psychiater over te leggen;
5.4.
houdt iedere verdere beslissing aan tot de mondelinge behandeling op
13 november 2025 te 10:00 uur.
Deze beschikking is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 14 oktober 2025 door mr. J.S. Bartstra, rechter, in aanwezigheid van K. Huisman-van den Boom, griffier en op schrift gesteld op 20 oktober 2025.
!NIET VERWIJDEREN, PLAATS VOOR HANDTEKENING SECRETARIS!
!NIET VERWIJDEREN, PLAATS VOOR HANDTEKENING RECHTER!
!NIET VERWIJDEREN, PLAATS VOOR STEMPELS!
Tegen deze beschikking staat het rechtsmiddel van cassatie open.