Uitspraak
1.Procesverloop
2.Uitgangspunten en feiten
3.Beoordeling van het middel
4.Beslissing
20 juni 2025.
Hoge Raad
De officier van justitie verzocht om verlening van een zorgmachtiging voor betrokkene wegens diverse vormen van verplichte zorg. Betrokkene was niet verschenen op de mondelinge behandeling op 16 september 2024 en ook niet op de voortgezette zitting op 20 september 2024. De rechtbank verleende daarop een zorgmachtiging tot 20 november 2024 en overwoog dat betrokkene niet bereid was zich te doen horen, mede omdat hij dakloos was en zorg vermeed.
In cassatie klaagde betrokkene onder meer dat de rechtbank onbegrijpelijk had vastgesteld dat hij op de zitting van 20 september aanwezig was, terwijl het proces-verbaal en zittingsaantekeningen het tegendeel bewezen. De Hoge Raad oordeelde dat deze vaststelling een kennelijke vergissing was zonder nadelige gevolgen voor betrokkene.
Daarnaast richtte betrokkene zich tegen de vaststelling dat hij niet bereid was zich te doen horen, omdat de rechtbank niet had onderzocht of hij behoorlijk was opgeroepen voor de mondelinge behandeling. De Hoge Raad benadrukte dat voor het vaststellen van onwil tot verschijnen vereist is dat betrokkene bekend is met plaats en tijdstip van de zitting en dat hij behoorlijk is opgeroepen. De rechtbank had dit niet onderzocht noch vastgesteld.
Daarom vernietigde de Hoge Raad de beschikking en verwees de zaak terug naar de rechtbank Rotterdam voor verdere behandeling en beslissing, waarbij de juiste procedurele waarborgen in acht moeten worden genomen.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt de beschikking en wijst de zaak terug naar de rechtbank wegens onvoldoende vaststelling van behoorlijke oproeping van betrokkene.