Uitspraak
1.De procedure
2.De (verkort weergegeven) feiten
2. Het gehuurde mag uitsluitend worden gebruikt als kantoor, atelier/werkruimte, expositieruimte en cursusruimte, alles ten behoeve van het door huurder uitgeoefende bedrijf/beroep van kunstschilder beeldend kunstenaar.
(…)
Wij [verweerder] (…), nemen het beheer van het pand over en zullen jullie aanspreekpunt zijn. Hierover komen wij graag met jullie in contact, om kennis te maken en de toekomst plannen van jullie en het pand te bespreken.(…)”.
Meteen bij aankoop is met u gecommuniceerd dat [verweerder] de door u gehuurde bedrijfsruimte mogelijk wenst te transformeren naar woonruimte dan wel deze ruimte anderszins wenst in te zetten. Er is evenwel ook gekeken naar de mogelijkheid van voortzetting van de huidige huurrelatie, met gewijzigde huurvoorwaarden. Daarover hebben wij helaas geen overeenstemming mogen bereiken.(…)”.
3.Het (voorwaardelijk) (tegen)verzoek en het verweer
4.De beoordeling
€ 428,-, waarmee [eiser] akkoord is gegaan. De kantonrechter is van oordeel dat ook indien sprake is van een automatisch indexatiebeding, de verhuurder geen aanspraak meer kan maken op de niet betaalde jaarlijkse verhoging, indien jarenlang nooit aanspraak daarop is gemaakt en vervolgens op enig moment met het oog op de indexatie een (lager) bedrag tussen de verhuurder en huurder is afgesproken. [verweerder] is na aankoop van het gehuurde ten opzichte van [eiser] gebonden aan de huurovereenkomst én nadere afspraken hierover, waaronder deze nadere afspraak naar het oordeel van de kantonrechter ook valt. Dit betekent dat [verweerder] , die het gehuurde per 1 mei 2024 in eigendom heeft, conform artikel 7 van de huurovereenkomst eerst per 1 oktober 2024 aanspraak heeft op een verhoging van de ten tijde van de aankoop van het gehuurde geldende huur van € 428,-. Gelet op de indexatiepercentages opgenomen in de door [verweerder] overgelegde productie 7, die [eiser] niet heeft betwist, heeft [verweerder] met toepassing van een indexatiepercentage van 2,8% per 1 oktober 2024 recht op een huur van € 439,98 per maand. Nu [eiser] over de periode van 1 oktober 2024 tot en met het einde van de huurovereenkomst op 1 mei 2025 dus € 11,98 per maand te weinig heeft betaald, heeft [verweerder] ter zake nog een vordering van (7 x € 11,98 =) € 83,86 op [eiser] . Dit bedrag zal worden toegewezen, vermeerderd met de daarover verzochte wettelijke rente.
- griffierecht: € 90,00
- salaris gemachtigde: € 542,00 (2 punten x € 271,00)
- nakosten: