ECLI:NL:RBNNE:2025:4945

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
27 november 2025
Publicatiedatum
3 december 2025
Zaaknummer
LEE 23/3538
Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlening exploitatievergunning voor seksinrichting en proceskostenvergoeding

In deze uitspraak van de Rechtbank Noord-Nederland, gedateerd 27 november 2025, wordt de verlening van een exploitatievergunning voor een seksinrichting in Leeuwarden behandeld. Eiser, die ook een aanvraag voor een exploitatievergunning heeft ingediend, heeft beroep aangetekend tegen de verlening aan de vergunninghoudster. Hij stelt dat hij de mogelijkheid wil behouden om het pand zelf te exploiteren zodra aan hem een vergunning wordt verleend. De rechtbank oordeelt dat de vergunning terecht is verleend aan de vergunninghoudster, maar dat de burgemeester de proceskosten van eiser in bezwaar ten onrechte niet heeft vergoed. Het beroep van eiser is gegrond, maar alleen op basis van de proceskostenvergoeding. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit voor zover het de proceskostenvergoeding betreft en bepaalt dat de burgemeester deze moet vergoeden. De rechtbank stelt de totale proceskostenvergoeding vast op € 2.201,-, inclusief het griffierecht van € 184,-. De uitspraak benadrukt het belang van procesbelang en de zorgvuldigheid van de burgemeester bij het verlenen van vergunningen, evenals de noodzaak om proceskosten te vergoeden wanneer een bezwaar gegrond is.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: LEE 23/3538

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 27 november 2025 in de zaak tussen

[eiser] (mede namens zijn gelijknamige eenmanszaak), uit [woonplaats] , eiser
(gemachtigde: mr. L.C.A.C. Hoogewerf),
en

de burgemeester van de gemeente Leeuwarden, de burgemeester

(gemachtigde: mr. R.E. van der Helm).
Als derde-partij neemt aan de zaak deel:
[vergunninghoudster] ,uit [woonplaats] , de vergunninghoudster
(gemachtigde: mr. R.G.A. Luinstra).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de verlening van een exploitatievergunning aan de vergunninghoudster voor een seksinrichting in het pand [locatie] in Leeuwarden. Eiser heeft beroep ingesteld tegen die verlening, omdat hij de mogelijkheid wil behouden om het pand zelf te exploiteren als seksinrichting, zodra aan hem alsnog een exploitatievergunning wordt verleend. Hij wil daarom dat wordt voorkomen dat een exploitatievergunning voor dat pand aan een derde wordt verleend. Daarnaast kan hij zich niet vinden in de ongelijke behandeling tussen hem en de vergunninghoudster bij de beoordeling van de aanvragen voor een exploitatievergunning. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank of de burgemeester op goede gronden de exploitatievergunning aan de vergunninghoudster heeft verleend.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de exploitatievergunning terecht aan de vergunninghoudster is verleend. Eiser krijgt dus geen gelijk. Wel heeft de burgemeester de proceskosten van eiser in bezwaar ten onrechte niet vergoed. Het beroep is dus gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Een aantal bepalingen die voor deze zaak van belang zijn, staat in de bijlage.

Procesverloop

2. Op 14 februari 2022 heeft de vergunninghoudster een aanvraag om een exploitatievergunning voor een seksinrichting aan [locatie] in Leeuwarden ingediend. Hier was bijgevoegd een huurovereenkomst van 10 maart 2022 tussen [verhuurder] (verhuurder) en de vergunninghoudster (huurster) en een uittreksel van de Kamer van Koophandel.
2.1.
Op 29 april 2022 heeft de burgemeester aan het Landelijk Bureau Bibob (LBB) in Den Haag een advies gevraagd als bedoeld in artikel 9 van de Wet Bevordering Integriteitsbeoordelingen door het Openbaar Bestuur (Bibob) over deze aanvraag voor een exploitatievergunning.
2.2.
Op 23 juni 2022 heeft hij dit Bibob-advies ontvangen. Op basis daarvan heeft de burgemeester het voornemen tot weigering van de aangevraagde exploitatievergunning bekendgemaakt omdat er een ernstig gevaarsconclusie was. Hierbij hebben de vergunninghoudster en eiser de gelegenheid gekregen om vóór 18 juli 2022 zienswijzen tegen dit voornemen in te dienen.
2.3.
Op 15 en 16 juli 2022 hebben zij dat gedaan. Op 26 juli 2022 heeft de burgemeester aanvullend advies gevraagd aan het LBB en de vergunninghoudster en eiser daarover bericht. Op 5 september 2022 heeft hij van het LBB een aanvullend advies ontvangen. Uit dit advies blijkt dat er een mindere mate van gevaar bestaat dat de aangevraagde vergunning mede zal worden gebruikt om uit gepleegde strafbare feiten verkregen of te verkrijgen, op geld waardeerbare voordelen te benutten en dat er een mindere mate van gevaar bestaat dat de aangevraagde vergunning mede zal worden gebruikt om strafbare feiten te plegen.
2.4.
Op 20 september 2022 heeft de burgemeester zijn voornemen om een exploitatievergunning onder voorschriften te verlenen voor de seksinrichting kenbaar gemaakt aan de vergunninghoudster en eiser, en hun hierbij de gelegenheid gegeven tot het indienen van zienswijzen vóór 4 oktober 2022. Dat hebben zij niet gedaan.
2.5.
Op 6 oktober 2022 (het primaire besluit) heeft de burgemeester de exploitatievergunning verleend aan de vergunninghoudster.
2.6.
Op 21 februari 2023 heeft eiser zijn bezwaarschrift tegen de exploitatievergunning ingediend.
2.7.
De burgemeester heeft op 3 juli 2023 (het bestreden besluit) besloten het bezwaarschrift ongegrond te verklaren en de exploitatievergunning in stand te laten; wel heeft hij uit de vergunning het voorschrift q. (op basis waarvan beheerders die op de ingetrokken vergunning d.d. 2 oktober 2020 van [bedrijf] stonden tot 2026 niet als beheerder kunnen optreden) laten vervallen.
2.8.
Tegen het bestreden besluit heeft eiser op 16 augustus 2023 beroep ingesteld.
2.9.
De burgemeester heeft stukken ingediend met een verzoek om geheimhouding als bedoeld in artikel 8:29, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Het ging hier om het advies en het aanvullend advies met bijlagen van het LBB met betrekking tot de aanvraag van de vergunninghoudster en om een eerder primair besluit met betrekking tot eisers eigen aanvraag om een exploitatievergunning.
2.10.
Op 22 december 2023 heeft de geheimhoudingskamer van deze rechtbank besloten dat beperking van de kennisneming van de stukken die de burgemeester met toepassing van artikel 8:29 van de Awb heeft overgelegd, gerechtvaardigd is. Eiser heeft ermee ingestemd dat de rechtbank mede op basis van de “geheime” stukken uitspraak doet.
2.11.
Verder heeft de burgemeester op het beroep gereageerd met een verweerschrift. De vergunninghoudster heeft ook schriftelijk gereageerd.
2.12.
De rechtbank heeft het beroep op 3 september 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van de burgemeester, de bedrijfsleidster van de seksinrichting en de gemachtigde van de vergunninghoudster.

Beoordeling door de rechtbank

Heeft eiser procesbelang?
3. De burgemeester stelt dat het beroep niet-ontvankelijk moet worden verklaard wegens het ontbreken van procesbelang. Volgens hem ondervindt eiser namelijk geen rechtsgevolgen van de verleende vergunning, omdat deze uitsluitend ziet op de exploitatie door vergunninghoudster en geen rechten of verplichtingen voor eiser schept. Op de zitting heeft de burgemeester verklaard dat op korte termijn ook aan eiser een exploitatievergunning voor het desbetreffende pand zal worden verleend.
3.1
Eiser voert aan dat hij wél procesbelang heeft, omdat hij zelf de inrichting wil exploiteren en omdat de aan vergunninghoudster verleende exploitatievergunning zijn kansen en feitelijke mogelijkheden om de inrichting te exploiteren rechtstreeks beïnvloedt.
3.2
De rechtbank overweegt het volgende. De bestuursrechter hoeft een bij hem ingediend beroep alleen inhoudelijk te beoordelen als dit van betekenis is voor de beslechting van het geschil over het voorliggende besluit. Daarbij geldt dat het doel dat de indiener voor ogen staat met het ingestelde rechtsmiddel moet kunnen worden bereikt en voor hem feitelijk van betekenis is. Met andere woorden, de indiener moet een actueel en reëel belang hebben bij een inhoudelijke beoordeling van het beroep. Alleen dan is sprake van procesbelang. Als iemand stelt schade te hebben geleden, kan dat betekenen dat hij procesbelang heeft bij een inhoudelijke beoordeling van het beroep. [1]
3.3.
Anders dan de burgemeester heeft gesteld, is de rechtbank van oordeel dat eiser procesbelang heeft bij een inhoudelijke beoordeling van zijn beroep. Hij heeft aangegeven de enige exploitant te willen zijn van de seksinrichting. Er bestaan twee geldige huurovereenkomsten, één tussen verhuurder en de vergunninghoudster en (zoals inmiddels in rechte vastgesteld) één tussen de verhuurder en eiser. De vergunninghoudster is op dit moment de enige exploitante van de inrichting. Mocht blijken dat de vergunning onterecht aan haar is verleend, ontstaat voor eiser de mogelijkheid om als enige de inrichting te exploiteren. Dit betekent dat niet-ontvankelijkverklaring van het beroep vanwege het ontbreken van procesbelang achterwege blijft. De rechtbank zal het beroep inhoudelijk behandelen.
Moest de burgemeester de vergunning aan de vergunninghoudster verlenen?
4. Eiser voert aan dat de burgemeester de vergunning aan de vergunninghoudster had moeten weigeren, net zoals bij zijn eigen aanvraag, nu sprake is van vergelijkbare feiten en omstandigheden. De burgemeester handelt in strijd met het gelijkheidsbeginsel.
4.1.
De burgemeester stelt zich op het standpunt dat geen sprake is van schending van het gelijkheidsbeginsel, omdat geen sprake is van een vergelijkbaar feitencomplex. In het geval van eiser zelf heeft het LBB destijds een advies uitgebracht waaruit bleek dat er ernstig gevaar bestond dat de vergunning mede zal worden gebruikt om uit gepleegde strafbare feiten verkregen of te verkrijgen, op geld waardeerbare voordelen te benutten, of strafbare feiten te plegen. Dit advies was gebaseerd op het feit dat er sprake was van een zakelijk samenwerkingsverband tussen verhuurder en eiser; dit zakelijk samenwerkingsverband was weer gebaseerd op een groot aantal feiten en omstandigheden, dat, in samenhang bezien, die conclusie ook rechtvaardigde. Ten aanzien van de aanvraag van de vergunninghoudster waren deze feiten en omstandigheden onvoldoende om te concluderen tot een bestaand zakelijk samenwerkingsverband, terwijl dat verband er bij eiser wel was. Er is geen sprake van gelijke gevallen. Er was dan ook geen enkele grond om de vergunning aan de vergunninghoudster te weigeren. De burgemeester stelt geen reden te hebben om aan te nemen dat het Bibob-advies over de vergunninghoudster en het daartoe ingestelde onderzoek naar de feiten op onzorgvuldige wijze tot stand gekomen zijn en dat de feiten de conclusies niet kunnen dragen.
4.2.
De rechtbank ziet zich gesteld voor de vraag of de burgemeester op basis van de adviezen van het LBB in redelijkheid de vergunning aan de vergunninghoudster kon verlenen. Zij stelt voorop dat volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State een bestuursorgaan in beginsel, gelet op de expertise van het LBB, van de adviezen mag uitgaan. [2] Dit neemt niet weg dat een bestuursorgaan zich ervan moet vergewissen dat de adviezen en het daartoe ingestelde onderzoek naar de feiten op zorgvuldige wijze tot stand zijn gekomen en dat de feiten de conclusies kunnen dragen. Dat is bijvoorbeeld niet het geval als de feiten voor de conclusies te weinig of te weinig directe aanwijzingen bieden of omdat ze in verschillende richtingen wijzen, onderling tegenstrijdig zijn of niet stroken met hetgeen overigens bekend is.
4.3.
Na met toepassing van artikel 8:29, vijfde lid, van de Awb te hebben kennis genomen van de Bibob-adviezen over de vergunninghoudster, overweegt de rechtbank als volgt. Zij ziet geen aanleiding deze adviezen onzorgvuldig te achten. Voorts acht de rechtbank de adviezen van het LBB voldoende consistent en concludent. Dit brengt mee dat, gelet op het door de Afdeling gehanteerde criterium voor het volgen van een Bibob-advies zoals hiervoor weergegeven, de burgemeester zich bij zijn besluitvorming heeft mogen baseren op deze adviezen.
4.4.
De burgemeester heeft zich op juiste gronden op het standpunt gesteld dat de Bibob-adviezen en het daartoe ingestelde onderzoek naar de feiten op zorgvuldige wijze tot stand zijn gekomen en dat de feiten de conclusies kunnen dragen. Terecht heeft hij aangenomen dat geen sprake is van gelijke situaties en dus ook niet van ongelijke behandeling. De beroepsgronden van eiser slagen niet en de burgemeester heeft de exploitatievergunning op goede gronden aan de vergunninghoudster verleend.
Proceskostenvergoeding?
5. Eiser voert aan dat het bezwaarschrift ten onrechte ongegrond is verklaard, nu er gebreken kleefden aan het primaire besluit, in die zin dat in het bestreden besluit voorschrift q. is vervallen.
5.1.
De burgemeester stelt dat geen sprake is van een gebrek aan het primaire besluit, aangezien dit gehandhaafd kan worden met een aanpassing of aanvullende motivering. De verlening van de exploitatievergunning blijft in stand met een ondergeschikte aanpassing.
5.2.
De rechtbank overweegt dat door het instellen van bezwaar door eiser het primaire besluit is aangepast door de vervallenverklaring van voorschrift q., zodat eiser recht heeft op vergoeding van zijn proceskosten in de bezwaarschriftprocedure. Daarom is het beroep gegrond. Nu de burgemeester in bezwaar ten onrechte de proceskosten niet heeft vergoed, volgt hieruit dat de burgemeester in deze beroepsprocedure eveneens de proceskosten aan eiser moet vergoeden.

Conclusie en gevolgen

6. Het beroep is gegrond, maar uitsluitend omdat de burgemeester geen proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase heeft toegekend, en het bestreden besluit zal worden vernietigd voor zover het verzoek van eiser tot vergoeding van zijn proceskosten in bezwaar door de burgemeester is afgewezen.
6.1.
De rechtbank zal met toepassing van artikel 8:75 van de Awb alsnog een proceskostenveroordeling uitspreken. Op 21 augustus 2025 heeft eiser gevraagd om een volledige proceskostenvergoeding vanwege het onredelijke handelen van de burgemeester en omdat het bestreden besluit evident onjuist is en geen stand kan houden. Gelet op het feit dat de exploitatievergunning in stand blijft, ziet de rechtbank voor zo’n volledige vergoeding geen aanleiding. De kosten stelt zij daarom op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand voor de bezwaarfase vast op € 1.294,- (één punt voor het indienen van het bezwaarschrift en één punt voor het verschijnen op de hoorzitting en een wegingsfactor één).
6.2.
Omdat het beroep gegrond is moet de burgemeester het griffierecht aan eiser vergoeden en krijgt deze ook een vergoeding van zijn proceskosten. De burgemeester moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 907,- omdat de gemachtigde van eiser een beroepschrift heeft ingediend. Omdat eiser zonder zijn gemachtigde op de zitting is verschenen, is er geen aanleiding om voor die zitting een punt toe te kennen. De rechtbank stelt de totale proceskostenvergoeding in bezwaar en beroep vast op € 2.201,-.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit voor zover daarbij geen proceskostenvergoeding is
toegekend en bepaalt dat dit besluit voor het overige in stand blijft;
- bepaalt dat de burgemeester het griffierecht van € 184,- aan eiser moet vergoeden;
- veroordeelt het de burgemeester tot betaling van € 2.201,- aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. P.G. Wijtsma, rechter, in aanwezigheid van mr. K. Lenting, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 27 november 2025.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving

Artikel 8:29 van de Awb
1. Partijen die verplicht zijn inlichtingen te geven dan wel stukken over te leggen, kunnen
indien daarvoor gewichtige redenen zijn, het geven van inlichtingen dan wel het overleggen van stukken weigeren of de bestuursrechter mededelen dat uitsluitend hij kennis zal mogen nemen van de inlichtingen onderscheidenlijk de stukken.
2. Gewichtige redenen zijn voor een bestuursorgaan in ieder geval niet aanwezig, voor zover ingevolge de Wet open overheid de verplichting zou bestaan een verzoek om informatie, vervat in de over te leggen stukken, in te willigen.
3. De bestuursrechter beslist of de in het eerste lid bedoelde weigering onderscheidenlijk de beperking van de kennisneming gerechtvaardigd is.
4. Indien de bestuursrechter heeft beslist dat de weigering gerechtvaardigd is, vervalt de verplichting.
5. Indien de bestuursrechter heeft beslist dat de beperking van de kennisneming gerechtvaardigd is, kan hij slechts met toestemming van de andere partijen mede op de grondslag van die inlichtingen onderscheidenlijk die stukken uitspraak doen. Indien de toestemming wordt geweigerd, wordt de zaak verwezen naar een andere kamer.
[…]
Algemene Plaatselijke Verordening Leeuwarden (https://lokaleregelgeving.overheid.nl/CVDR701127/3)
Afdeling 2 Seksinrichtingen, straatprostitutie, sekswinkels en dergelijke
Artikel 3:4 Seksinrichtingen
1. Het is verboden een seksinrichting of escortbedrijf te exploiteren of te wijzigen zonder vergunning van het bevoegd bestuursorgaan.
2. Het college van burgemeester en wethouders kan gebieden aanwijzen waar uitsluitend vergunning kan worden verleend voor een seksinrichting.
3. In afwijking van het bepaalde in lid 2 kan het bevoegd bestuursorgaan buiten de aangewezen gebieden vergunning verlenen voor ten hoogste 2 erotische massagesalons.
4. In de aanvraag om vergunning en in de vergunning wordt in ieder geval vermeld:
a. de persoonsgegevens van de exploitant;
b. de persoonsgegevens van de beheerder;
c. het aantal werkzame prostitué(e)s;
d. de aard van de seksinrichting of het escortbedrijf;
e. de plaatselijke en kadastrale ligging van de inrichting door middel van een situatietekening met een schaal van tenminste 1:1000;
f. de plattegrond van de inrichting door middel van een tekening met een schaal van tenminste 1:100;
g. bewijs van inschrijving in het handelsregister bij de Kamer van Koophandel;
h. bewijs waaruit blijkt dat de exploitant gerechtigd is tot het gebruik van de ruimte bestemd voor de seksinrichting of het escortbedrijf;
i. het door de GGD afgegeven hygiëne-rapport dat niet ouder is dan 3 maanden.
Artikel 3:4a Verplicht bedrijfsplan
1. Bij het indienen van een aanvraag voor een vergunning voor een seksinrichting wordt naast het aanvraagformulier een bedrijfsplan overgelegd, waarin het bedrijfsbeleid wordt beschreven ten aanzien van de hygiëne, de gezondheid, het zelfbeschikkingsrecht, de zelfredzaamheid, de veiligheid en de arbeidsomstandigheden van de in het bedrijf werkzame prostituees, alsmede de veiligheid en de gezondheid van klanten.
2. Uit het bedrijfsplan blijkt in ieder geval:
a. welke maatregelen de exploitant neemt om te voorkomen dat in het bedrijf prostituees werkzaam zijn die het slachtoffer zijn van mensenhandel of andere vormen van uitbuiting;
b. welke maatregelen worden genomen om te waarborgen dat de in het bedrijf werkzame prostituees voldoende zelfredzaam zijn;
c. welke maatregelen worden genomen om te waarborgen dat de in het bedrijf werkzame prostituees niet worden verplicht tot het verrichten van seksuele handelingen tegen hun wil en tot het gebruik van drugs of tot het nuttigen van alcoholhoudende dranken;
d. welke maatregelen worden genomen om te waarborgen dat de in het bedrijf werkzame prostituees klanten kunnen weigeren;
e. welke maatregelen worden genomen om te waarborgen dat er voldoende toezicht plaatsvindt op de seksinrichting;
f. welke maatregelen worden genomen om te waarborgen dat de gezondheid en veiligheid van klanten voldoende wordt beschermd;
g. dat de geneeskundige zorg en voorlichting met betrekking tot beroepsgerelateerde ziektes ten behoeve van de prostituees beschikbaar is;
h. dat gewaarborgd is dat de prostituees vrij worden gelaten in het contact met organisaties die van belang zijn voor hun lichamelijke of geestelijke gezondheid en
i. onder welke arbeids- en verhuurvoorwaarden de in de seksinrichting werkzame prostituees werken.
3. Het college kan nadere regels stellen ten aanzien van hetgeen in het bedrijfsplan wordt opgenomen.
4. Als de exploitant het bedrijfsplan wil wijzigen, doet hij hiervan vooraf mededeling aan de burgemeester. De wijziging wordt als onderdeel van het bedrijfsplan aangemerkt.
Artikel 3:5 Gedragseisen exploitant en beheerder
1. De exploitant indien een rechtspersoon: de tot vertegenwoordiging van die rechtspersoon bevoegde natuurlijke perso(o)n(en) en de beheerder:
a. staat niet onder curatele;
b. is niet in enig opzicht van slecht levensgedrag; en
c. heeft de leeftijd van eenentwintig jaar bereikt.
2. Naast de gestelde eisen in het eerste lid, is de exploitant indien een rechtspersoon: de tot vertegenwoordiging van die rechtspersoon bevoegde natuurlijke perso(o)n(en) en de beheerder niet:
a. met toepassing van de artikel 37 van het Wetboek van Strafrecht in een psychiatrisch ziekenhuis geplaatst of met toepassing van artikel 37a van het Wetboek van Strafrecht ter beschikking gesteld;
b. binnen de laatste vijf jaar onherroepelijk veroordeeld tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van zes maanden of meer door de rechter in Nederland, de Nederlandse Antillen of Aruba, dan wel door een andere rechter wegens een misdrijf waarvoor naar Nederlands recht een bevel tot voorlopige hechtenis ingevolge artikel 67, eerste lid van het Wetboek van Strafvordering is toegelaten;
c. binnen de laatste vijf jaar bij tenminste twee rechterlijke uitspraken onherroepelijk veroordeeld tot een onvoorwaardelijke geldboete van ( 500 of meer of tot een andere hoofdstraf als bedoeld in artikel 9, eerste lid, onder a van het Wetboek van Strafrecht, wegens dan wel mede wegens overtreding van:
1. bepalingen, gesteld bij of krachtens de Alcoholwet, de Opiumwet, de Vreemdelingenwet 2000, de Wet arbeid vreemdelingen en hoofdstuk 3 van deze verordening;
2. de artikelen 137c tot en met 137g, 140, 416, 417, 417bis, 420bis tot en met 420quinquies, 426 en 429quater van het Wetboek van Strafrecht;
3. artikel 69 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen;
4. de artikelen 8 en 162, derde lid, alsmede artikel 6 juncto artikel 8 of juncto artikel 163 van de Wegenverkeerswet 1994;
5. de artikelen 2 en 3 van de Wet op de weerkorpsen;
6. de artikelen 54 en 55 van de Wet wapens en munitie.
3. Met een veroordeling als bedoeld in het tweede lid wordt gelijk gesteld:
a. vrijwillige betaling van een geldsom als bedoeld in artikel 74, tweede lid onder a van het Wetboek van Strafrecht of artikel 76, derde lid onder a van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, tenzij de geldsom minder dan ( 375 bedraagt;
b. een bevel tot tenuitvoerlegging van een voorwaardelijke straf.
4. De periode van vijf jaar, genoemd in het tweede lid, wordt:
a. bij de weigering van een vergunning teruggerekend vanaf de datum van beslissing op de aanvraag van de vergunning;
b. bij de intrekking van een vergunning teruggerekend vanaf de datum van de intrekking van deze vergunning.
5. De exploitant - indien een rechtspersoon: de tot vertegenwoordiging van die rechtspersoon bevoegde natuurlijke perso(o)n(en) of de beheerder is binnen de laatste vijf jaar geen exploitant of beheerder geweest van een seksinrichting of escortbedrijf die voor ten minste een maand door het bevoegde bestuursorgaan is gesloten, of waarvan de vergunning bedoeld in artikel 3:4, eerste lid, is ingetrokken, tenzij aannemelijk is dat hem terzake geen verwijt treft.
Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur
Artikel 3
1. Voor zover bestuursorganen bij of krachtens de wet daartoe de bevoegdheid hebben gekregen, kunnen zij weigeren een aangevraagde beschikking te geven dan wel een gegeven beschikking intrekken, indien ernstig gevaar bestaat dat de beschikking mede zal worden gebruikt om:
a. uit gepleegde strafbare feiten verkregen of te verkrijgen, op geld waardeerbare voordelen te benutten, of
b. strafbare feiten te plegen.
2. Voor zover het ernstig gevaar als bedoeld in het eerste lid, aanhef en onderdeel a, betreft, wordt de mate van het gevaar vastgesteld op basis van:
a. feiten en omstandigheden die erop wijzen of redelijkerwijs doen vermoeden dat de betrokkene in relatie staat tot strafbare feiten als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a,
b. ingeval van vermoeden de ernst daarvan,
c. de aard van de relatie en
d. de grootte van de verkregen of te verkrijgen voordelen.
3. Voor zover het ernstig gevaar als bedoeld in het eerste lid, aanhef en onderdeel b, betreft, wordt de mate van het gevaar vastgesteld op basis van:
a. feiten en omstandigheden die erop wijzen of redelijkerwijs doen vermoeden dat de betrokkene in relatie staat tot strafbare feiten die zijn gepleegd bij activiteiten die overeenkomen of samenhangen met activiteiten waarvoor de beschikking wordt aangevraagd dan wel is gegeven,
b. ingeval van vermoeden de ernst daarvan,
c. de aard van de relatie en
d. het aantal van de gepleegde strafbare feiten.
4. De betrokkene staat in relatie tot strafbare feiten als bedoeld in het tweede en derde lid, indien:
[…]
c. een ander deze strafbare feiten heeft gepleegd en deze persoon direct of indirect leiding geeft dan wel heeft gegeven aan, zeggenschap heeft dan wel heeft gehad over, vermogen verschaft dan wel heeft verschaft aan betrokkene, of in een zakelijk samenwerkingsverband tot hem staat of heeft gestaan.
5. De weigering dan wel intrekking, bedoeld in het eerste lid, vindt slechts plaats indien deze evenredig is met:
a. de mate van het gevaar en
b. voor zover het ernstig gevaar als bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, betreft, de ernst van de strafbare feiten.
[…]
Artikel 33
1. Voordat een bestuursorgaan aan een beschikking voorschriften verbindt als bedoeld in artikel 3 zevende lid, en voordat een bestuursorgaan een voor de betrokkene en de in de voorgenomen beschikking in verband met deze gronden genoemde derde negatieve beslissing neemt op grond van ernstig gevaar als bedoeld in artikel 3, eerste lid, dan wel op grond van feiten of omstandigheden als bedoeld in artikel 3, zesde lid, stelt het de betrokkene en de in de voorgenomen beschikking in verband met deze gronden genoemde derde in de gelegenheid zijn zienswijze naar voren te brengen.
2. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op de rechtspersoon met een overheidstaak die een beslissing neemt ter zake van:
a. de gunning van een overheidsopdracht of het sluiten van de met een gunningsbeslissing beoogde overeenkomst;
b. de toestemming, bedoeld in artikel 5, tweede lid. onderdeel c;
c. de ontbinding van de overeenkomst met de partij aan wie de overheidsopdracht is gegund;
d. het aangaan van een vastgoedtransactie;
e. de opschorting of ontbinding van de overeenkomst of de beëindiging van de rechtshandeling waarmee de vastgoedtransactie is aangegaan.
3. Voor de toepassing van het eerste en tweede lid zijn de artikelen 4:9 tot en met 4:12 van de Algemene wet bestuursrecht van overeenkomstige toepassing.