ECLI:NL:RBNNE:2025:4972

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
5 december 2025
Publicatiedatum
5 december 2025
Zaaknummer
11861255 \ AR VERZ 25-55
Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Aangehouden
Procedures
  • Tussenuitspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:686 BWArt. 7:671b BWArt. 7:669 BWArt. 6:265 BWArt. 6:266 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontbinding arbeidsovereenkomst directeur wegens integriteitsschendingen en wanprestatie

De Stichting Veiligheidszorg Drenthe (VZD) verzoekt de ontbinding van de arbeidsovereenkomst met haar directeur, [verweerder], op grond van wanprestatie, ernstig verwijtbaar handelen en subsidiair verstoorde arbeidsverhoudingen. Dit volgt op een extern onderzoek naar vermeende integriteitsschendingen, waaronder belangenverstrengeling, privékosten ten laste van VZD en handelen in strijd met statuten en financieel beheer.

Het onderzoek van [adviesbureau] concludeert dat er sprake is van meerdere integriteitsschendingen, maar ook dat niet alle meldingen bewezen zijn. De directeur betwist de conclusies en stelt dat hij binnen zijn mandaat heeft gehandeld, dat het rapport onzorgvuldig tot stand is gekomen en dat hij zich niet heeft kunnen verweren tegen alle punten.

De kantonrechter overweegt dat het rapport bruikbaar is en dat veel vermeende tekortkomingen onvoldoende ernstig zijn om ontbinding te rechtvaardigen, mede gelet op het bijna dertig jaar durende dienstverband en ruime mandaat. Echter acht hij het gebruik van privé-opslag, privé-klussen door medewerkers en privékosten door [installateur] ernstige tekortkomingen, maar nog niet voldoende voor ontbinding. Voor de privé-aanbouw van €11.134,35 en de inruil van auto’s met privévoordeel van €5.000,00 staat dit anders en wordt tegenbewijs toegestaan.

De rechter bepaalt dat [verweerder] uiterlijk 2 januari 2026 moet aangeven of hij bewijs wil leveren, waarna getuigenverhoor en bewijsstukken worden gepland. De verdere beslissing wordt aangehouden.

Uitkomst: Tegenbewijs toegestaan voor twee hoofdpunten; verdere beslissing over ontbinding en vergoedingen aangehouden.

Uitspraak

RECHTBANKNOORD-NEDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Assen
Zaaknummer / rekestnummer: 11861255 \ AR VERZ 25-55
Beschikking van 5 december 2025
in de zaak van
STICHTING VEILIGHEIDSZORG DRENTHE ("VZD" ),
te Emmen,
verzoekende partij in de zaak van het verzoek, verwerende partij in de zaak van het tegenverzoek,
hierna te noemen: VZD,
gemachtigde: mr. W.J.F. Nieuwenhuis,
tegen
[verweerder],
te [woonplaats] ,
verwerende partij in de zaak van het verzoek, verzoekende partij in de zaak van het tegenverzoek
hierna te noemen: [verweerder] ,
gemachtigde: mr. R.P. van Boven.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het op 29 augustus 2025 ter griffie ontvangen verzoekschrift met producties;
- het verweerschrift met producties tevens houdende tegenverzoek, ingekomen ter griffie op 27 oktober 2025;
- de brief aan de zijde van VZD met aanvullende producties, ingekomen ter griffie op
31 oktober 2025;
- de mondelinge behandeling gehouden op 7 november 2025, waarvan de griffier aantekeningen heeft gemaakt;
- de spreekaantekeningen aan de zijde van VZD;
- de spreekaantekeningen aan de zijde van [verweerder] .
1.2.
De beschikking is bepaald op vandaag.

2.De feiten

2.1.
VZD is een stichting die is opgericht door de gemeenten Borger-Odoorn, Coevorden en Emmen. Zij biedt geüniformeerde diensten op het gebied van toezicht en handhaving en werkt nauw samen met de politie.
2.2.
Volgens artikel 2 lid 1 van Pro de statuten stelt VZD zich ten doel:
“a. het leveren van een bijdrage aan de objectieve en subjectieve veiligheid in haar werkgebied, meestens door het aanbieden en uitvoeren van diverse werkzaamheden en activiteiten aan overheidsinstellingen in het kader van toezicht/handhaving in het (semi-) publieke domein;
b. het bevorderen van de werkgelegenheid door de instroom van werkloze ingezetenen van de deelnemende gemeenten, die na opleiding en werkervaring opgedaan te hebben doorstromen naar reguliere banen; alles in de ruimste zins des woords"
2.3.
In artikel 2 lid 2 van Pro de statuten staat opgenomen op welke manier VZD onder
meer haar doel tracht te verwezenlijken en daarin staat, voor zover van belang:
“(…) b. het (doen) organiseren van opleidingen voor personen, die uitvoering moeten geven aan de doelstellingen van de stichting;
c. het genereren van voldoende financiële middelen;
(…)
f. het aangaan van overeenkomsten die strekken tot verwezenlijking van de doelstellingen van de stichting. (…)”
2.4.
In artikel 3 lid 1 van Pro de statuten van VZD is bepaald dat het bestuur van VZD uit drie leden bestaat en de gemeenten Borger-Odoorn, Coevorden en Emmen ieder één bestuurslid benoemen. Thans bestaat het bestuur van VZD uit de burgemeesters van de gemeente Borger-Odoorn en Coevorden en een (voormalig) wethouder van de gemeente Emmen. De burgemeester van [plaats] , de heer [voorzitter] , is de huidige voorzitter van het bestuur.
2.5.
De gemeente Borger-Odoorn, Coevorden en Emmen hebben de wettelijke verantwoordelijkheid voor de registratie en bewaring van gevonden voorwerpen in hun gemeente. Het beheer hiervan, genoemd het “Ben Kwijt” programma (hierna: Ben Kwijt ), is door deze drie gemeenten opgedragen aan VZD. Dit programma houdt in dat gevonden voorwerpen in de drie gemeenten, voornamelijk verweesde fietsen die in de openbare ruimte door de bevoegde instantie zijn gemarkeerd en niet binnen de daarvoor gestelde termijn zijn verwijderd, worden meegenomen en enige tijd worden bewaard. Het doel van Ben Kwijt is de verweesde fietsen tegen een gereduceerde prijs te verkopen aan inwoners met beperkte financiële middelen.
2.6.
[verweerder] , geboren op [geboortedatum] 1960, is op 26 mei 1999 in dienst getreden bij VZD. Hij werkte laatstelijk in de functie van directeur voor 36 uur per week en heeft een contract voor onbepaalde tijd. Zijn salaris bedroeg laatstelijk € 8.244,97 bruto per maand exclusief vakantietoeslag van 8%, een dertiende maand (8%), pensioenvoorziening, ziektekostenverzekering (belast) en een prestatietoeslag. Voor de jaarlijkse trendmatige verhoging van het salaris worden de ontwikkelingen in de cao gemeenten gevolgd. Voor het overige is geen cao van toepassing.
2.7.
In artikel 10 van Pro de statuten van VZD staan de taken en bevoegdheden van de directeur genoemd. In dit artikel staat, voor zover van belang:
“(…) 1. De directeur is verantwoordelijk voor de dagelijkse gang van zaken betreffende de.
stichting en is als zodanig, onder meer belast met:
a. het voorbereiden en uitvoeren van bestuursbesluiten..
b. de zorg voor huisvesting der stichting en voor het doelmatig beheer van haar financiële middelen en haar (on)roerende zaken;.
(…)
e. het doen van al die uitgaven die binnen de begroting passen;.
f. het opstellen van periodieke rapportages ten behoeve van het bestuur;.
g. in het algemeen het waarnemen van de belangen van en de vertegenwoordiging der stichting daar waar het belang zulks eist of meebrengt;.
(…)
2. De directeur is bevoegd de stichting te vertegenwoordigen, met dien verstande dat hij vooraf de goedkeuring van het bestuur behoeft voor:
a. de navolgende handelingen:.
- het verkrijgen, vervreemden, bezwaren, (ver)huren en (ver)bouwen van registergoederen;
- het aangaan van geldleningen en bankkredieten;.
(…).
-
het aanvragen en aanvaarden van subsidies waaraan voorwaarden zijn verbonden;
-
alle overige zaken die krachtens de statuten aan het bestuur zijn voorbehouden;
3.
Taken en bevoegdheden van de directeur kunnen nader worden geregeld bij een directiestatuut (…)”
2.8.
In het Directiestatuut, dat is vastgesteld in de vergadering van het bestuur van
30 november 2005, staat met betrekking tot de mandatering van de directeur , voor zover van belang:
“(…) Artikel 1
1. De directeur is, met in achtneming van de in de statuten opgenomen beperkingen van de bestuursbevoegdheid en binnen de grenzen van de door het bestuur vastgestelde begroting, belast met de dagelijks leiding en het verrichten van alle handelingen die noodzakelijkheid zijn voor een goede invulling van de dagelijkse leiding, taken en werkzaamheden van de stichting.
2. De directeur behoeft voorafgaande toestemming van het dagelijks bestuur voor besluiten strekkende tot:
a. het sluiten van overeenkomsten tot het kopen, vervreemden of bezwaren van onroerende goederen;
b. het sluiten van overeenkomsten tot het stichten, uitbreiden en vernieuwen van gebouwen;
c. het sluiten van overeenkomsten waarbij de stichting zich als borg of hoofdelijke medeschuldenaar verbindt, zich voor een derde sterk maakt of zich tot zekerheidstelling voor schuld van een derde verbindt;
(…)
e. het aangaan of verbreken van duurzame samenwerking met een andere rechtspersoon of vennootschap, indien deze samenwerking of verbreking van ingrijpende betekenis is voor de stichting;
(…);
g. investeringen waarmee een door het bestuur vastgestelde begrotingspost wordt overschreden;
(…)
1. het aanbrengen van ingrijpende wijzigingen in de arbeidsomstandigheden van een aanmerkelijk aantal werknemers.
(…)”
2.9.
Uit het uittreksel van de Kamer van Koophandel van VZD volgt dat de bestuurders van VZD gezamenlijk bevoegd zijn om VZD te vertegenwoordigen en [verweerder] een volledige volmacht heeft om VZD te vertegenwoordigen.
2.10.
Op 21 december 2004 heeft [verweerder] een functionerings/salarisgesprek gehad. Van dit gesprek is een verslag gemaakt waarin onder het kopje “toekomst” het volgende staat opgenomen:
“Verder zorg dragen voor verdere (commerciële) uitbouw van de Stichting, mede in het kader van huidige subsidie regelingen (…).”Daarnaast heeft VZD de toekenning van de prestatietoeslag voor 2009 afhankelijk gesteld van het bereiken van een drietal doelen, waaronder: “
het bevorderen van de diversiteit van de opdrachtgevers van de stichting.”
2.11.
Vanaf 1 januari 2008 is aan [verweerder] een prestatietoeslag toegekend, welke afspraak door VZD per brief van maart 2009 is bevestigd. Nadien heeft [verweerder] in ieder geval tot 2023 een prestatietoeslag van VZD ontvangen.
2.12.
Op 10 februari 2025 heeft de externe vertrouwenspersoon van VZD contact opgenomen met de voorzitter van VZD en aangegeven dat twee medewerkers van VZD een vermoeden van misstanden wilden melden. Op 13 februari 2025 heeft de voorzitter van VZD samen met de HR-adviseur van de gemeente Coevorden en de externe vertrouwenspersoon met de twee melders gesproken. Vervolgens heeft het bestuur van VZD over deze kwestie met elkaar gesproken en hebben zij de uitkomst van hun overleg teruggekoppeld aan de melders. Op 5 maart 2025 hebben de melders vervolgens een schriftelijke melding gedaan over vermoedens van integriteitsschendingen door [verweerder] .
2.13.
In opdracht van VZD heeft [adviesbureau] (hierna: [adviesbureau] ) op
17 maart 2025 een offerte alsmede een plan van aanpak opgesteld voor het uitvoeren van een extern onafhankelijk onderzoek inzake integriteitsmeldingen over de directeur van VZD, zijnde [verweerder] . De kosten die [adviesbureau] heeft geoffreerd voor het uit te voeren onderzoek bedraagt € 43.500,00 exclusief btw. VZD heeft deze offerte van [adviesbureau] geaccordeerd.
2.14.
Op 19 maart 2025 heeft een gesprek plaatsgevonden tussen het voltallige bestuur van VZD en [verweerder] . Tijdens dat gesprek heeft het bestuur [verweerder] in kennis gesteld van de gedane meldingen over het vermoeden van integriteitsschendingen, is aan [verweerder] meegedeeld dat er een extern onafhankelijk onderzoek zal plaatsvinden en is [verweerder] op non-actief gesteld. VZD heeft vervolgens een waarnemend directeur aangesteld, [naam] .
2.15.
Het onderzoek van [adviesbureau] heeft geresulteerd in een eindrapportage van
4 juli 2025 (hierna “het onderzoek”). [adviesbureau] heeft 28 vermoedens van integriteitsschendingen onderzocht over de periode 2022 tot juli 2025. In het rapport van [adviesbureau] staat de volgende slotconclusie opgenomen:
Slotconclusie
Bij het bestuur van de Stichting is een melding binnengekomen over vermoedens van integriteitschendingen door de directeur . Deze melding had betrekking op dertien situaties. Bij enkele situaties zou sprake zijn van meerdere vermeende integriteitschendingen. In de loop van het onderzoek werden nog meer situaties gemeld met vermoedens van integriteitsschendingen door de directeur . Hiervan hebben wij er vijftien onderzocht. Ook hierbij waren er situaties waar sprake zou zijn van meerdere vermeende integriteitsschendingen. In de hoofdstukken 2 tot en met 6 beschrijven wij voor elke situatie de meldingen, de verzamelde informatie en de verklaringen van geïnterviewden en directeur . Voor elke situatie analyseren en beoordelen wij de handelwijze van de directeur . Onze oordelen laten een wisselend beeld zien:

Bij de meeste vermeende integriteitschendingen hebben wij geen feiten en/of omstandigheden vastgesteld die erop wijzen dat de directeur handelde in strijd met wet- en regelgeving of interne afspraken. Een enkele keer kwam dat door gebrek aan bewijsmateriaal in combinatie met uiteenlopende en/of tegenstrijdige verklaringen. Een enkele keer is helemaal geen bewijs aangetroffen dat de melding ondersteunde.

Bij zeven vermeende integriteitsschendingen hebben wij vastgesteld dat er sprake was van (de schijn van) belangenverstrengeling. In deze gevallen gaat het om een vermenging van de taken en verantwoordelijkheden van de directeur van de Stichting met zijn privébelangen. In een enkel geval heeft de directeur daar persoonlijk voordeel van gehad. Een directeur hoort niet zelf te beslissen over zaken waarbij hij een privébelang heeft; dit moet hij aan het bestuur voorleggen. Dat is niet gebeurd.

Bij zeven vermeende integriteitsschendingen handelde de directeur niet in lijn met de statuten, het directiestatuut en/of zijn eindverantwoordelijkheid voor het budgetbeheer en het financieel management van de Stichting.

Bij drie vermeende integriteitsschendingen is mogelijk sprake van strafbaar handelen. De beoordeling daarvan is niet aan [adviesbureau] , maar aan de rechter. Daarvoor is aangifte nodig.
Alles overziend signaleren wij de volgende factoren die naar onze mening hebben bijdragen aan de vele meldingen over vermeende integriteitsschendingen door de directeur :

Verschil in interpretatie van het Stichtingsdoel: de directeur legt de nadruk op ondernemerschap en een bredere invulling dan veiligheid, terwijl het bestuur veiligheid centraal stelt.

Veel zaken zijn niet of onduidelijk vastgelegd tussen de directeur en het bestuur, bijvoorbeeld over het gebruik van de auto van de Stichting door de directeur , het declareren van zaken door de directeur op de grens van zakelijk en privé en het gebruik van de bankpas van de Stichting door de directeur .

Rommelige administratie (goederen, financieel) en bedrijfsvoering. Verder zijn er onduidelijke kaders (bijvoorbeeld over sponsoring) en zijn afspraken soms weinig zakelijk (bijvoorbeeld het aanvragen van offertes en onduidelijke facturen bij inkoop).

Een ruim mandaat en grote handelingsvrijheid van de directeur met een bestuur op grote afstand, waar de directeur ruimhartig gebruik van heeft gemaakt.

Een directeur die zich vooral ondernemer voelt (en handelt) en minder directeur van een
Stichting. Daarbij lopen privé en zakelijk bij hem regelmatig door elkaar, bijvoorbeeld bij de aankoop van goederen en het betalen van verschillende uitgaven.”
Voor het overige dient het rapport van [adviesbureau] als hier herhaald en ingelast te worden beschouwd.
2.16.
Op 9 juli 2025 hebben partijen met elkaar gesproken, waarbij [verweerder] is gehoord over hetgeen in het [adviesbureau] rapport staat opgenomen. Van voornoemd gesprek is een verslag opgemaakt waarin, voor zover van belang, staat opgenomen:
“(…)Doel van het gesprek
Onderzoeksresultaten
Het bestuur stelt dat er een uitgebreid rapport ligt met meerdere conclusies, waaruit blijkt dat sprake is van integriteitsschending en belangenverstrengeling.
(…)
[verweerder]( [verweerder] , kantonrechter)
erkent dat hij zaken wellicht anders had kunnen aanpakken en dat hij niet altijd even doordacht heeft gehandeld of gecommuniceerd. Volgens hem is bij de Kamer van Koophandel een volledige volmacht aan hem verleend namens de stichting, wat volgens [verweerder] afwijkt van wat er in de statuten is vastgelegd. [verweerder] geeft aan te hebben gehandeld binnen de ruimte die hem volgens het uittreksel van de KvK werd geboden.
Conclusies [adviesbureau] onderzoek tussen 2022 en 2024
Het bestuur is erg geschrokken van de conclusies uit het onderzoek; deze zijn ernstig en niet te negeren. In de persoonlijke relatie tussen [verweerder] en het bestuur is echter nooit iets voorgevallen.
• 7x belangenverstrengeling (of de schijn daarvan): vermenging van zakelijke en privébelangen, met in een enkel geval een aantoonbaar privévoordeel ten koste van de Stichting. En daarnaast meerdere gevallen waarin sprake is van een mogelijk privévoordeel.
• 7x niet gehandeld volgens statuten en/of de eindverantwoordelijkheid voor budgetbeheer
en financieel management van de stichting.
• 3x advies om aangifte te doen.
De advocaat van [verweerder] geeft aan dat zij de aangiftepunten aandurven en daarin kans van slagen zien. [verweerder] zegt te begrijpen dat de situatie niet voortgezet kan worden en dat partijen uit elkaar moeten. Hij verzoekt om op een redelijke en geruisloze manier uit elkaar te gaan.
(…)
Conclusie
(…)
Het bestuur hecht aan zorgvuldigheid, mede in het licht van de politiek-bestuurlijke belangen die spelen en de noodzaak verantwoording te kunnen afleggen. Een minnelijke oplossing heeft daarom niet de voorkeur van het bestuur. De advocaat van [verweerder] geeft aan dat het bestuur ook rekening zou kunnen houden met de persoonlijke belangen en de impact op [verweerder] . Een 'gesloten boek' zou volgens hem eveneens een passende oplossing kunnen zijn.
De advocaat van de stichting merkt op dat het onderzoek aanvoelt als het topje van de ijsberg. Ook dat is een aspect dat meeweegt bij de bereidheid van het bestuur om een minnelijke oplossing te bereiken. De afspraak wordt gemaakt dat de advocaten na het gesprek contact met elkaar zullen hebben. (…)”
2.17.
Op 9 juli 2025 heeft de advocaat van VZD een brief gezonden naar de (voormalig) advocaat van [verweerder] met als onderwerp:
“Beëindiging arbeidsovereenkomst [verweerder] .”In deze brief heeft VZD onder andere vermeld dat zij de onderzoeksresultaten uit het [adviesbureau] rapport beoordelen als zeer ernstig. Tevens geeft de advocaat namens VZD in voornoemde brief aan dat het bestuur van VZD het voornemen heeft om de arbeidsovereenkomst van [verweerder] te beëindigen en een ontbindingsverzoek zal worden ingediend bij de kantonrechter.
2.18.
Op 10 juli 2025 heeft het bestuur van VZD een adviesaanvraag gedaan aan de ondernemingsraad van VZD betreffende het voorgenomen ontslag van [verweerder] . De ondernemingsraad heeft aangegeven van het adviesrecht af te zien.
2.19.
Op 3 september 2025 heeft VZD beslag laten leggen op de woning van [verweerder] en op zijn bankrekeningen.

3.Het verzoek en het verweer

3.1.
VZD verzoekt de kantonrechter bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
I. de arbeidsovereenkomst tussen VZD en [verweerder] tegen de eerst mogelijke datum
te ontbinden:
( a) primair op grond van artikel 7:686 BW Pro (wanprestatie);
( b) subsidiair op grond van artikel 7:671b BW in combinatie met artikel 7:669
leden 1 en 3, sub e BW (ernstig) verwijtbaar handelen;
( c) meer subsidiair op grond van artikel 7:671b BW in combinatie met artikel
7:669 leden 1 en 3, sub g BW.
II. te bepalen dat [verweerder] geen recht heeft op de transitievergoeding of enige andere
vergoeding wegens de beëindiging van de arbeidsovereenkomst;
III. te verklaren voor recht dat [verweerder] aansprakelijk is voor de door VZD geleden en
nog te lijden schade;
IV. [verweerder] te veroordelen tot betaling van de navolgende bedragen, zulks ter vergoeding van de door VZD geleden schade:
  • a) € 10.000,00 ter zake gederfde huurinkomsten voor privéopslag;
  • b) € 5.000,00 ter zake gederfde inruilwaarde voor bedrijfsauto’s;
  • c) € 11.134,35 ter zake een privé-verbouwing;
  • d) € 1.993,00 te vermeerderen met btw, € 388,41 inclusief btw en € 1.231,14 te
vermeerderen met btw ter zake privé-werkzaamheden;
  • e) € 43.500,00 te vermeerderen met btw ter zake de onderzoekskosten door [adviesbureau] ;
  • f) € 36.068,09 te vermeerderen met btw ter zake kosten van juridisch advies;
  • g) € 160.000,00 te vermeerderen met btw ter zake de inzet van een waarnemend Directeur ;
  • h) € 13.310,00 te vermeerderen met btw ter zake de kosten van een externe woordvoerder;
  • i) de overige geleden en nog te lijden schade, nader op te maken bij staat;
althans tot betaling van een door de kantonrechter in goede justitie te bepalen
bedrag, een en ander telkens te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag
van het ontstaan van de schade tot de dag van volledige betaling;
V. [verweerder] te veroordelen in de proceskosten te vermeerderen met nakosten, een en
ander bij gebreke van betaling binnen veertien dagen na dagtekening van de beschikking te vermeerderen met de wettelijke rente met ingang van de vijftiende dag na dagtekening tot de dag van volledige betaling.
3.2.
VZD heeft aan haar verzoeken ten grondslag gelegd - kort gezegd - dat [verweerder] zijn verplichtingen uit de arbeidsovereenkomst in ernstige mate heeft geschonden, waardoor een voortzetting van de arbeidsovereenkomst onmogelijk is geworden. Volgens het onderzoeksrapport van [adviesbureau] is sprake van meerdere integriteitsschendingen, waaronder verrijking van [verweerder] ten koste van VZD, belangenverstrengelingen en handelen in strijd met de statuten, het directiestatuut en/of de verantwoordelijkheid voor budgetbeheer en financieel management. VZD acht het bovendien aannemelijk dat sprake is van strafbaar handelen aan de zijde van [verweerder] .
3.3.
[verweerder] voert -kort gezegd- verweer tegen ontbinding van de arbeidsovereenkomst op grond van 7:686 BW (wanprestatie) en (ernstig) verwijtbaar handelen, alsmede tegen de verzochte verklaring voor recht ter zake van aansprakelijkheid voor de door VZD geleden en te lijden schade en de verzochte schadevergoedingen alsmede tegen het verzoek strekkende tot het bepalen dat [verweerder] geen recht heeft op de transitievergoeding en de overige nevenvorderingen. Wat betreft het meer subsidiaire verzoek van VZD verzet [verweerder] zich niet tegen de ontbinding van de arbeidsovereenkomst vanwege de verstoorde arbeidsverhouding, maar stelt zich daarbij op het standpunt dat die verstoring niet aan hem verwijtbaar is. Daarnaast dienen de kosten van de procedure voor rekening van VZD te komen. Kort gezegd stelt [verweerder] zich op het standpunt dat door VZD aan hem werd gevraagd om in de functie van directeur van VZD ondernemerschap te tonen en VZD als onderneming te leiden en heeft hij de afgelopen 29 jaar zijn functie zonder enig bezwaar van het bestuur op deze wijze uitgevoerd. Het bestuur van VZD stond bewust op grote afstand en liet [verweerder] zijn gang gaan, waarbij aan [verweerder] een ruim mandaat en grote handelingsvrijheid is gegeven om VZD te vertegenwoordigen, aldus [verweerder] . Verder voert [verweerder] aan dat de bestuursleden jaarlijks de begroting en jaarrekening van VZD hebben goedgekeurd, waaruit onder andere de financiële uitgaven van VZD volgen en zij hiervan op de hoogte waren. Volgens [verweerder] stond het werk als directeur bij VZD bij hem centraal en omvatte het werk veel meer dan de 36 uur die staat genoemd op de arbeidsovereenkomst en dat is de reden dat [verweerder] zijn zakelijk e-mail ook voor privédoeleinden gebruikte. Tegenover al deze inzet is [verweerder] zich bepaalde vrijheden gaan permitteren en dat was volgens [verweerder] bij iedereen bekend. Wat betreft het [adviesbureau] rapport stelt [verweerder] zich op het standpunt dat dit rapport niet zorgvuldig tot stand is gekomen, zodat het geen basis kan zijn voor de toewijzing van het verzoek van VZD. Allereerst heeft [verweerder] geen toegang gekregen tot zijn e-mail en heeft hij geen navraag mogen doen bij medewerkers van VZD, zodat [verweerder] zich volgens hem niet heeft kunnen verweren. Ook zijn volgens [verweerder] door [adviesbureau] niet alle relevante personen gehoord (zoals de accountant van VZD, de coördinator van Ben Kwijt , [autohandelaar] , [installateur] en [bouwbedrijf] ), is de tussentijdse stand van zaken door [adviesbureau] alleen met VZD gedeeld, staan er in het rapport meningen van [adviesbureau] genoemd en zijn de gespreksverslagen niet aan het rapport gehecht. [verweerder] stelt zich op het standpunt dat de handelingen die in het [adviesbureau] rapport staan genoemd, mede gelet op het onzorgvuldig tot stand zijn gekomen van het rapport, en de verweren die [verweerder] daar tegenin heeft gebracht niet kunnen leiden tot de conclusie dat er sprake is van ernstige wanprestatie dan wel ernstig verwijtbaar handelen.
3.4.
Op de stellingen van partijen zal hierna, voor zover van belang, nader worden ingegaan.

4.De tegenverzoeken

4.1.
[verweerder] verzoekt de kantonrechter bij beschikking, uitvoerbaar bij voorraad:
I. de arbeidsovereenkomst tussen partijen te ontbinden wegens een verstoorde arbeidsverhouding die niet aan [verweerder] verwijtbaar is;
II. bij de datum van ontbinding rekening te houden met de opzegtermijn van vier maanden;
III. VZD te veroordelen tot betaling van de transitievergoeding ter hoogte van
€ 111.968,00 bruto althans een door u in goede justitie te bepalen bedrag, onder overlegging van een deugdelijke bruto/netto specificatie, te betalen binnen 14 dagen na de dag van de beschikking, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment van opeisbaarheid;
IV. VZD te veroordelen tot betaling van een billijke vergoeding ter hoogte van
€ 25.000,00 bruto althans een door u in goede justitie te bepalen bedrag, onder overlegging van een deugdelijke bruto/netto specificatie, te betalen binnen 14 dagen na de dag van de beschikking, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment van opeisbaarheid;
V. VZD te veroordelen in de kosten van het geding.
4.2.
VZD voert verweer dat strekt tot afwijzing van de tegenverzoeken van [verweerder] .
4.3.
Op de stellingen van partijen zal hierna, voor zover van belang, nader worden ingegaan.

5.De beoordeling

In de zaak van het verzoek en het tegenverzoek
5.1.
Gelet op de samenhang tussen de verzoeken en tegenverzoeken, zullen deze gezamenlijk worden behandeld.
5.2.
Het gaat in deze zaak om de vraag of de arbeidsovereenkomst tussen partijen moet worden ontbonden.
5.3.
VZD heeft primair op grond van artikel 7:686 BW Pro ontbinding verzocht op de grond dat [verweerder] tekort is geschoten in de nakoming van zijn verplichtingen uit de arbeidsovereenkomst. Artikel 7:686 BW Pro bepaalt dat de bepalingen van afdeling 9 van boek 7 voor geen van beide partijen de mogelijkheid uitsluiten om ontbinding van de arbeidsovereenkomst te verzoeken wegens een tekortkoming in de nakoming van de overeenkomst alsmede vergoeding van schade.
5.4.
Op een ontbinding ingevolge artikel 7:686 BW Pro zijn de artikelen 6:265 tot en met 6:278 BW van toepassing, met dien verstande dat de ontbinding alleen door de rechter kan worden uitgesproken. De Hoge Raad heeft in dit kader geoordeeld dat het bij ontbinding van de arbeidsovereenkomst wegens wanprestatie moet gaan om een ‘ernstige wanprestatie’ namelijk een wanprestatie van zodanige aard dat zij het ingrijpende gevolg van een ontbinding van de overeenkomst kan rechtvaardigen. [1] De enkele schending van de verplichting om zich als goed werknemer te gedragen, zonder dat sprake is van een ernstige tekortkoming, is dus onvoldoende om ontbinding te rechtvaardigen. [2] Gelet op de parlementaire geschiedenis van de Wwz en de rechtspraak van de Hoge Raad ligt de lat hiervoor hoog.
5.5.
De ratio van de eis van ‘ernstige wanprestatie’ is gelegen in (het in stand houden van) de bescherming die het wettelijke stelsel met betrekking tot de beëindiging van de arbeidsovereenkomst door de werkgever aan de werknemer beoogt te bieden. De werkgever moet kunnen aantonen dat de werknemer structureel of in ernstige mate niet voldoet aan zijn verplichtingen die uit de arbeidsovereenkomst voortvloeien. Zo zal een geringe fout die zich slechts eenmalig heeft voorgedaan in beginsel onvoldoende grond opleveren voor een ontbinding wegens wanprestatie. Alle omstandigheden van het geval in onderlinge samenhang bezien wegen mee bij het antwoord op de vraag of sprake is van een ernstige tekortkoming die de ontbinding van de overeenkomst en haar gevolgen rechtvaardigt. Hierbij gaat het in elk geval om de aard en de ernst van de tekortkoming, de aard van de dienstbetrekking, de duur van de arbeidsovereenkomst, de wijze waarop de werknemer die dienstbetrekking heeft vervuld, en ook de persoonlijke omstandigheden van de werknemer, zoals zijn leeftijd en de gevolgen die de ontbinding voor hem heeft.
5.6.
Voordat de kantonrechter de door VZD gestelde tekortkomingen van [verweerder] inhoudelijk zal behandelen, ziet hij gelet op het verweer van [verweerder] aanleiding het [adviesbureau] rapport te bespreken. De door VZD gestelde tekortkomingen zijn immers terug te voeren op de inhoud van het rapport van [adviesbureau] . Bij elke melding die in het rapport is besproken zijn eerst de feiten en omstandigheden geschetst waarna vervolgens een analyse en beoordeling door de onderzoeker wordt gegeven. Onder de feiten en omstandigheden bij de meldingen is ook het standpunt van [verweerder] opgenomen. Het is juist, zoals [verweerder] stelt, dat er in het rapport enkele keren onder het kopje analyse en beoordeling de woorden “naar onze mening”, “naar onze beoordeling” en “wij vinden” staat genoemd en dit meningen van de onderzoeker betreffen. Echter blijkt daaruit voor de lezers van het rapport duidelijk dat op die punten het een interpretatie van de onderzoeker betreft naar aanleiding van de in het rapport genoemde feiten en omstandigheden en het geen vaststaande feiten betreffen. De kantonrechter zal wat betreft de waardering van de in het rapport opgenomen meldingen en gedane analyse en beoordeling zijn eigen oordeel daaraan verbinden, zodat de belangen van [verweerder] niet worden geschaad. Verder staat in het rapport van [adviesbureau] opgenomen dat de coördinator van Ben Kwijt niet gehoord wilde worden, zodat dit geen onzorgvuldigheid betreft aan de kant van de onderzoeker. Dat de accountant van VZD, [autohandelaar] , [installateur] en [bouwbedrijf] niet zijn gehoord, neemt niet weg dat ten aanzien van de meldingen in het rapport de feiten en omstandigheden staan opgenomen met een reactie daarop van de directeur , zodat de kantonrechter aan de hand daarvan zijn eigen oordeel kan verbinden. Daarbij houdt de kantonrechter, zoals hierna zal volgen en gelet op het door [verweerder] uitdrukkelijk gedane bewijsaanbod, rekening met het feit dat voornoemde personen niet zijn gehoord. Voornoemde omstandigheid acht de kantonrechter onvoldoende om aan de onafhankelijkheid en onpartijdigheid van [adviesbureau] te twijfelen. Ook heeft de kantonrechter oog voor de door [verweerder] genoemde beperkende omstandigheid dat [adviesbureau] geen inzicht heeft gegeven in de gespreksverslagen van de door de onderzoeker gevoerde gesprekken. Echter is een samenvatting van elke melding opgenomen in het rapport en heeft [verweerder] de gelegenheid gehad daarop te reageren, zodat niet blijkt dat de belangen van [verweerder] in dat opzicht zijn geschaad. Voorts blijkt uit het rapport van [adviesbureau] dat het conceptrapport ter wederhoor is voorgelegd aan [verweerder] en diens advocaat, zij op het conceptrapport hebben gereageerd en [adviesbureau] waar nodig op basis van de reactie van [verweerder] het rapport heeft aangepast, zodat [verweerder] zijn visie kenbaar heeft kunnen maken en heeft kunnen reageren op de bij [adviesbureau] ingebrachte informatie. Ook hebben partijen nadien in deze procedure nog over en weer op elkaars stellingen kunnen reageren. Dit alles brengt de kantonrechter tot het oordeel dat de genoemde enkele onzorgvuldigheden niet aan de bruikbaarheid van het rapport van [adviesbureau] afdoen en ziet de kantonrechter geen aanleiding om niet van de getrouwheid van het rapport uit te gaan.
5.7.
De door VZD gestelde tekortkomingen van [verweerder] zijn gestoeld op de bevindingen van het onderzoeksrapport uitgevoerd door [adviesbureau] . De kantonrechter overweegt dat het onderzoeksrapport blijk geeft van een talrijke (28) opsomming van onderzochte misstanden. Voor het leeuwendeel daarvan heeft te gelden dat de bevindingen niet leiden tot de conclusie dat daarmee, voor de onderzochte misstand op zichzelf noch de onderzochte misstanden in onderling samenhang bezien, sprake is van een ernstige tekortkoming in vorengenoemde zin. In deze zin zijn te noemen:
  • de schoonmaakkosten en tankkosten van de auto van de directeur , ten aanzien waarvan “geen feiten of omstandigheden zijn vastgesteld waaruit blijkt dat de directeur heeft gehandeld in strijd met wet- en regelgeving of interne afspraken”;
  • het privé-onderhoud van de auto’s, ten aanzien waarvan “geen feiten of omstandigheden zijn vastgesteld die de melding ondersteunen en waaruit blijkt dat de directeur heeft gehandeld in strijd met wet- en regelgeving of interne afspraken”;
  • de oplaadkosten van de auto van de partner van [verweerder] waarvan geconcludeerd wordt dat dit qua omvang gering is en waarvan “geen feiten of omstandigheden zijn vastgesteld waaruit blijkt dat de directeur heeft gehandeld in strijd met wet- en regelgeving of interne afspraken”;
  • de huur van een loods te Klazienaveen en de onderverhuur van een opslaglocatie te Emmen, waarvoor geldt dat daarvoor “volgens de statuten toestemming gevraagd had moeten worden aan het bestuur”;
  • de inkoop van goederen voor Ben Kwijt , waarover gemeld wordt dat dit afwijkt van de doelstellingen van de stichting en waarvan vastgesteld wordt dat “eerst met het bestuur besproken had moeten worden en dat dit niet is gebeurd.” En ook hierover “het de vraag is of de directeur goederen voor privégebruik aangewend heeft”;
  • dat [verweerder] op kosten van VZD aan de coördinator van Ben Kwijt twee lattenbodems en twee matrassen cadeau heeft gedaan ter waarde van € 455,00, hetgeen de schijn van belangenverstrengeling en mogelijke bevoordeling oplevert;
  • de administratie van Ben Kwijt , waarvan gezegd wordt dat de afhandeling van gevonden voorwerpen onduidelijk is, een inventarisatie-overzicht ontbreekt en er tot 2024 veel contante geldstromen zijn. [verweerder] is hiervoor verantwoordelijk maar de onderzoeker meldt dat er ook verantwoordelijkheid ligt bij de controller en de accountant. Hun rol is niet onderzocht en zij hebben het bestuur te kennen gegeven dat er geen risico’s waren;
  • het gevonden geld in de kluis en de bon van de vishandel, waarvoor geldt dat op basis van de feiten en omstandigheden geen aanwijzingen bestaan “dat de directeur heeft gehandeld in strijd met wet- en regelgeving of interne afspraken”;
  • de sponsoring van FC Emmen, waarvoor geldt dat “geen feiten of omstandigheden zijn vastgesteld waaruit blijkt dat de directeur heeft gehandeld in strijd met wet- en regelgeving of interne afspraken”;
  • de sponsoring van de Gouden Pijl , waarvoor geldt dat “geen feiten of omstandigheden zijn vastgesteld waaruit blijkt dat de directeur heeft gehandeld in strijd met wet- en regelgeving of interne afspraken”;
  • de sponsoring van het Hello festival , waarvoor geldt dat “geen feiten of omstandigheden zijn vastgesteld waaruit blijkt dat de directeur heeft gehandeld in strijd met wet- en regelgeving of interne afspraken”;
  • de barbecue van het verzorgingstehuis waar de oom van de partner van [verweerder] woont van € 450,00, waarvan gezegd wordt dat er sprake is van belangenverstrengeling;
  • de overschrijding van arbeidsvoorwaarden door [verweerder] vanwege het hebben van nevenfuncties en het declareren van kilometers, waarvan in het onderzoek gemeld wordt dat het stichtingsbestuur op de hoogte was van de nevenfuncties en er geen afspraken zijn over de terugbetaling van kilometervergoedingen en geconcludeerd wordt dat “geen feiten of omstandigheden zijn vastgesteld waaruit blijkt dat de directeur heeft gehandeld in strijd met wet- en regelgeving of interne afspraken”;
  • het aanschaffen van computerbrillen, waarvan “geen feiten of omstandigheden zijn vastgesteld waaruit blijkt dat de directeur heeft gehandeld in strijd met wet- en regelgeving of interne afspraken”;
  • de integriteitsschending door de coördinator/praktijkopleider van de zoon van [verweerder] een mogelijke salarisverhoging in het vooruitzicht te stellen die gekoppeld is aan het succesvol afronden van de stage van de zoon, waarover de onderzoekers melden dat zij vinden dat sprake is van belangenverstrengeling;
  • kosten van de Retail Management opleiding van de zoon van [verweerder] , waarvan gemeld wordt dat de onderzoekers vinden dat hiermee sprake is van belangenverstrengeling en dat het passend geweest zou zijn als dit zou zijn voorgelegd aan het bestuur van VZD;
  • het vier keer door VZD laten betalen van de examengelden voor het vak rechtskennis voor de zoon van [verweerder] , in plaats van de gebruikelijke vergoeding van twee examenpogingen, waarmee sprake zou zijn van belangenverstrengeling en het zou passend zijn geweest als dit eerst zou zijn voorgelegd aan het bestuur, aldus de onderzoeker;
  • [horecagelegenheid] , waarvan gemeld wordt dat VZD aan deze horecagelegenheid betaald heeft voor een aantal lunches, zomerbarbecue, kerstdiner, dinerbonnen en een verjaardagsfeest van de oom van de partner van [verweerder] . Hierover wordt in het onderzoek vermeld dat uit een bankafschrift blijkt dat de oom de kosten van het verjaardagsfeest heeft betaald en dat er verder omtrent betalingen aan [horecagelegenheid] geen regels hierover bij VZD bekend zijn. Verder wordt door de onderzoeker gemeld dat er geen oordeel gegeven kan worden over de vraag of VZD buitensporig veel heeft betaald;
  • de bureaustoelen in de hoek waar de directeur werkt op het hoofdkantoor van VZD, waarvoor geldt dat “geen feiten of omstandigheden zijn vastgesteld waaruit blijkt dat [verweerder] heeft gehandeld in strijd met wet- en regelgeving of interne afspraken”;
  • het privégebruik van de bloembakken, waarvoor geldt dat “geen feiten of omstandigheden zijn vastgesteld waaruit blijkt dat [verweerder] heeft gehandeld in strijd met wet- en regelgeving of interne afspraken”;
  • het gebruik van de bankpas van VZD voor privégebruik, waarvoor geldt dat [verweerder] is gemandateerd om betalingen te doen namens VZD en “geen feiten of omstandigheden zijn vastgesteld waaruit blijkt dat de directeur heeft gehandeld in strijd met wet- en regelgeving of interne afspraken”;
  • de werkzaamheden uitgevoerd door [installateur] voor [verweerder] in privé (met uitzondering van de werkzaamheden die betrekking hebben op de factuur ten bedrage van € 321,00 exclusief btw, hierop wordt nog teruggekomen) waarvoor zou gelden dat [verweerder] , omdat het bestuur geen afspraken heeft gemaakt over het declareren van kosten voor het thuiswerken, formeel niet in strijd handelde met wet- en regelgeving of interne afspraken. Wel had [verweerder] naar de mening van de onderzoeker eerst toestemming moeten vragen om die kosten ten laste van VZD te brengen.
5.8.
Daar waar [verweerder] in meer of mindere mate een verwijt gemaakt wordt in de hierboven staande opsomming onder rechtsoverweging 5.7, heeft te gelden dat de opgesomde feiten noch op zichzelf, noch in onderlinge samenhang leiden tot de conclusie dat daarmee sprake is van een ernstige tekortkoming die is vereist voor de ontbinding van de arbeidsovereenkomst wegens wanprestatie. De kantonrechter overweegt in dit verband dat dit gezien moet worden in het licht van het nagenoeg drie decennia durende dienstverband van [verweerder] en de grote mate van vrijheid die [verweerder] van VZD kreeg om te ondernemen met VZD, hetwelk op zijn minst oogluikend werd toegestaan door het bestuur en zelfs ook wel werd aangemoedigd door het bestuur. Dit blijkt uit het verslag van het functioneringsgesprek op 21 december 2004 waarin onder het kopje “toekomst” staat opgenomen dat er zorg moet worden gedragen voor verdere (commerciële) uitbouw van de Stichting alsmede uit de brief van 30 juli 2009 aan [verweerder] waarin het bestuur meedeelt dat het bevorderen van de diversiteit van de opdrachtgevers van de stichting een doel is waarvoor [verweerder] een prestatietoeslag zou worden toegekend. Ook de openlijkheid der dingen zoals het sponsoren van FC Emmen, de bestendigheid en de frequentie ervan maken dat je als VZD je rechten op strikte handhaving en naleving van de regels gaandeweg en zeker achteraf in enige mate verspeelt. In dit licht maakt ook het onderzoeksrapport onder meer gewag van “een verschil in interpretatie door partijen van het Stichtingsdoel” en “een ruim mandaat en grote handelingsvrijheid van de directeur met een bestuur op grote afstand, waar de directeur ruimhartig gebruik van heeft gemaakt.” Ook bij de stukken gevoegde krantenartikelen bevestigen dat het bestuur op grote afstand stond. Zo valt in de pers te lezen dat voorzitter [voorzitter] verklaarde, op de vraag of de checks en balances wel in orde geweest zijn: “Nou, het antwoord daarop is gewoon : nee.” Twee vergaderingen per jaar volstonden in de praktijk. Eén om de jaarrekening goed te keuren en één om de begroting vast te stellen. Dit betekent uiteraard niet dat de directeur naar believen zou mogen handelen en daarbij wet- en regelgeving en statutaire bepalingen met voeten zou mogen treden. Een zekere mate van vrijheid, daar waar het gaat om bagatellen en futiliteiten zoals veelvuldig aan de orde in het onderzoeksrapport, is daarmee echter redelijkerwijs gegeven zonder dat je kunt spreken van een ernstige tekortkoming als bedoeld in artikel 7:686 BW Pro. Voornoemde feiten en omstandigheden leiden naar het oordeel van de kantonrechter dan ook niet tot de conclusie dat sprake is van een ernstige tekortkoming die de ontbinding en haar gevolgen rechtvaardigt.
5.9.
Op enkele punten behoeft dit nog enige toelichting omdat anders de gedachte zou kunnen postvatten dat aan belangenverstrengeling alsmede het niet vragen om toestemming van het bestuur daar waar dat wel passend zou zijn geweest, zonder meer voorbij wordt gegaan. Dat is niet geval. De kantonrechter heeft notie genomen van deze elementen van het rapport en overweegt daar nog het volgende over.
Voor de onderverhuur van een loods in Emmen heeft te gelden dat onbetwist is gebleven dat de onderhuurprijs gelijk was aan de huurprijs. Dit heeft VZD geen geld gekost. Het verwijt dat hier geen toestemming voor gevraagd is acht de kantonrechter in het licht van de hiervoor omschreven verhouding tussen [verweerder] en het bestuur op afstand, dat de opbrengst uit de financiële stukken had kunnen halen, niet van groot gewicht. Dit geldt ook voor de huur van de locatie te Klazienaveen. De barbecue in het verzorgingstehuis van de oom kende een deelname van 65 gasten en had de stichting ook de spreekwoordelijke “worst” moeten zijn. Het ging om een goed doel en passend binnen de activiteiten van VZD. De oom was één van de 35 eters waarvoor naar rato nog geen zeven euro werd gespendeerd. Met betrekking tot het door [verweerder] namens VZD cadeau doen van de twee matrassen en twee lattenbodems aan de coördinator van Ben Kwijt overweegt de kantonrechter dat het anders had gemoeten en het passend was geweest om het bestuur hiervoor om toestemming te vragen. Ook ten aanzien van deze feiten acht de kantonrechter, in het licht van meergenoemde afstand van het bestuur en de rol zoals [verweerder] die jarenlang vervulde, geen verdergaande maatregelen op zijn plaats. Ten aanzien van de studiekosten van [zoon verweerder] met betrekking tot de opleiding Retail Manangent is genoegzaam komen vast te staan dat het belang van de stichting hiermee gediend werd. Zo is ter zitting door VZD namelijk bevestigd dat er sprake is van verkoop van fietsen vanuit de loodsen van VZD, hetgeen ook volgt uit het rapport van [adviesbureau] waarin staat opgenomen dat in de opslaglocatie te Klazienaveen een gedeelte van 200 m² is ingericht als winkelgedeelte. De kosten van de opleiding van [zoon verweerder] zijn ook niet dermate excessief (en ook bij anderen zo is onweersproken gebleven kwam het voor dat er gekeken werd naar extra examenkansen die vergoed werden) dat staande gehouden kan worden dat sprake zou zijn van een zwaarwegende belangenverstrengeling. Hier doet niet aan af dat het passend was geweest om het bestuur op de hoogte te stellen. Ten slotte is het verband tussen de salarisverhoging van de coördinator en het wel of niet behalen van de stage door [zoon verweerder] niet komen vast te staan, zodat de kantonrechter bij het ontbreken van een gemotiveerde onderbouwing op dit punt daaraan voorbij gaat. Hoewel [adviesbureau] daarvan uitgaat valt niet in te zien dat dit zou blijken uit de overgelegde verslagen van de functioneringsgesprekken met de coördinator van 30 januari 2024 en 10 juni 2024.
Het vorenstaande heeft mutatis mutandis ook te gelden voor de inkoop van goederen voor Ben Kwijt en de kosten [installateur] . Hiervoor had [verweerder] toestemming aan het bestuur moeten vragen, maar ook dit hoeft niet te leiden tot vergaande gevolgen.
5.10.
Van een andere orde evenwel, hoewel enkele feiten daarvan betwist worden zodat deze nog niet vaststaan, zijn de volgende bevindingen van [adviesbureau] :
  • het gebruik van 70 m² van de gehuurde opslaglocatie te Klazienaveen voor privé-opslag; dit wordt erkend door [verweerder] . Het gaat om een inboedel van zijn overleden moeder, een boot en twee aanhangwagens. [verweerder] betaalde hier geen vergoeding voor. Onbetwist is gebleven dat de vergoeding hiervoor € 2.500,00 per jaar zou moeten zijn. [verweerder] geeft hierover te kennen dat de opslag niet stiekem was, het de bedoeling was om het op te ruimen, de aanhangers ook door VZD gebruikt werden en andere (ex-)werknemers ook wel eens spullen stalden aldaar. Onder het mom “wie goed doet, goed ontmoet” moet dit maar kunnen, zo begrijpt de kantonrechter. Dat is echter niet het geval. Uit de stukken volgt dat deze privé-opslag vier jaren heeft geduurd. Van een kortstondige opslag die bedoeld was spoedig ongedaan gemaakt te worden was dus ook geen sprake. Het was van structurele aard en er werd op oneigenlijke wijze privé een voordeel mee behaald. Op dit punt is de kantonrechter van oordeel dat dit niet door de beugel kan en daarmee sprake is van een ernstige tekortkoming;
  • privé-klussen medewerkers Ben Kwijt ; het betreft twee medewerkers die grind hebben afgeleverd bij [verweerder] thuis, meerdere medewerkers die grofvuil hebben afgevoerd van privégoederen van [verweerder] , het onder werktijd door medewerkers laten afleveren van een badkamermeubel en twee jaloeziekasten. Dit wordt erkend door [verweerder] . Hij benadrukt dat het niet alleen bij hem zo ging en dat de zaken door elkaar liepen. Het was een goed gebruik om elkaar te helpen. De kantonrechter overweegt dat dit niet afdoet aan het feit dat dit zo niet kan. Ook op dit punt schiet [verweerder] ernstig tekort door een privévoordeel te bewerkstelligen ten koste van middelen en tijd van VZD;
  • het [bouwbedrijf] heeft werkzaamheden uitgevoerd in de opslaglocatie van Ben Kwijt voor een aanneemsom van € 29.000,00. Dit werk is afgerond op 5 oktober 2023. Hiervoor is gefactureerd aan VZD, op
  • de facturen van het installatiebedrijf [installateur] ; [verweerder] erkent dat de factuur ad € 321,00 (exclusief btw) van 30 november 2021 ten onrechte door VZD is voldaan en de werkzaamheden op deze factuur betrekking hebben op werkzaamheden ten behoeve van [verweerder] privé. Hiermee heeft [verweerder] privékosten ten laste van de stichting laten komen. Dit is te duiden als een ernstige tekortkoming. Voor de overige facturen van [installateur] geldt dat ze ofwel voor de stichting waren omdat [verweerder] thuis een kantoorvoorzieningen nodig had voor het werk, ofwel door [verweerder] niet door de stichting zijn betaald omdat het [verweerder] in privé betrof.
  • De inruil van auto’s bij [autohandelaar] ; het betreft hier inruil van auto’s (een Suzuki Jimny en een Fiat Panda) van VZD op de koop van een Skoda Enyaq waarvoor € 5.000,00 minder ontvangen werd dan aanvankelijk werd voorgesteld door het autobedrijf en een korte tijd later een inruil in privé van een Citroën van de schoonzoon van [verweerder] op de aankoop van een Skoda Kodiaq die € 5.000,00 meer opleverde dan aanvankelijk werd voorgesteld door het autobedrijf. Ook hier acht de kantonrechter voorshands bewezen dat [verweerder] ten koste van VZD een privévoordeel heeft bewerkstelligd. [verweerder] heeft dit gemotiveerd betwist. [verweerder] zal daarom, gelet op het door hem uitdrukkelijk gedane bewijsaanbod, worden toegelaten tot het leveren van tegenbewijs.
5.11.
Uit het hier voorgaande volgt dat het gebruik van de 70 m² van de gehuurde opslaglocatie te Klazienaveen, de uitgevoerde privé-klussen voor [verweerder] door de medewerkers van Ben Kwijt en de privékosten van [installateur] die [verweerder] ten laste van VZD heeft laten komen zeker zijn aan te merken als tekortkomingen aan de zijde van [verweerder] . Echter is de kantonrechter van oordeel dat voornoemde drie gebeurtenissen, op zichzelf en in samenhang bezien, nog een onvoldoende ernstige tekortkoming betreffen om de ontbinding met al haar gevolgen te dragen. Dit gezien in het licht van het bijna dertig jaar durende dienstverband en de mate van vrijheid die [verweerder] oogluikend werd toegestaan. Voor de bouwkosten van € 11.134,35 en/of de auto’s ligt dit anders.
5.12.
Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.

6.De beslissing

De kantonrechter
in de zaak van het verzoek en het tegenverzoek
6.1.
laat [verweerder] toe tot het leveren van tegenbewijs tegen het voorshands door de kantonrechter bewezen geachte feit dat [verweerder] VZD heeft laten betalen voor zijn
privé-aanbouw ten bedrage van € 11.134,35.
6.2.
laat [verweerder] toe tot het leveren van tegenbewijs tegen het voorshands door de kantonrechter bewezen geachte feit dat [verweerder] ten koste van VZD een privévoordeel heeft bewerkstelligd van € 5.000,00 door de inruil en koop van auto’s bij [autohandelaar] , zoals omschreven onder rechtsoverweging 5.10;
6.3.
bepaalt dat [verweerder] uiterlijk
vrijdag 2 januari 2026zich dient uit te laten of hij bewijs wil leveren door het overleggen van bewijsstukken, door het horen van getuigen en/of door een ander bewijsmiddel;
6.4.
bepaalt dat, als [verweerder] geen bewijs door het horen van getuigen wil leveren maar wel
bewijsstukkenwil overleggen, hij die stukken dan direct in het geding moet brengen;
6.5.
bepaalt dat, als [verweerder] getuigen wil laten horen, hij de getuigen en de verhinderdagen van de partijen en hun gemachtigden in de maanden
februari 2026tot en met
juni 2026dan direct moet opgeven, waarna dag en uur van het getuigenverhoor zullen worden bepaald;
6.6.
bepaalt dat het getuigenverhoor zal plaatsvinden op de zitting van
mr. C.J.R. de Locht, in het gerechtsgebouw te Assen, Brinkstraat 4;
6.7.
bepaalt dat
alle partijenuiterlijk twee weken voor het eerste getuigenverhoor
alle beschikbare bewijsstukkenaan de kantonrechter en de wederpartij moeten toesturen;
6.8.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Deze beschikking is gegeven door mr. C.J.R. de Locht en in het openbaar uitgesproken op
5 december 2025.
typ: 33514/CJR/awi

Voetnoten

1.Hoge Raad 20 april 1990, ECLI:NL:HR:1990:AD1092.
2.Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 8 juli 2021, ECLI:NL:GHSHE:2021:2157.