ECLI:NL:RBNNE:2025:5009

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
8 december 2025
Publicatiedatum
9 december 2025
Zaaknummer
LEE 25/5084
Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzoek om voorlopige voorziening tegen heffingsbesluiten van de staatssecretaris aan de NAM door aandeelhouders Exxon en Shell

In deze uitspraak van de voorzieningenrechter van de Rechtbank Noord-Nederland op 8 december 2025, wordt het verzoek om een voorlopige voorziening van ExxonMobil Holding Company Holland LLC en Shell Nederland B.V. afgewezen. De aandeelhouders komen in verzet tegen heffingsbesluiten van de staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, die de Nederlandse Aardoliemaatschappij B.V. (NAM) een totaalbedrag van 1,3 miljard euro aan heffingen heeft opgelegd. De voorzieningenrechter oordeelt dat de verzoekers geen spoedeisend belang hebben en dat er geen sprake is van evidente onrechtmatige besluiten. De voorzieningenrechter wijst erop dat de NAM zelf ook bezwaar heeft gemaakt tegen de heffingsbesluiten en dat het verzoek van de aandeelhouders kennelijk ongegrond is. De voorzieningenrechter legt uit dat er geen onomkeerbare situatie dreigt en dat de heffingsbesluiten voldoende gemotiveerd zijn. De uitspraak heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank niet in een eventueel bodemgeding. De beslissing om het verzoek af te wijzen is genomen zonder zitting, op basis van artikel 8:83 van de Algemene wet bestuursrecht.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Bestuursrecht
zaaknummer: LEE 25/5084

uitspraak van de voorzieningenrechter van 8 december 2025 in de zaak tussen

ExxonMobil Holding Company Holland LLC en Shell Nederland B.V., verzoekers

(gemachtigden: mr. V.M.Y. van ’t Lam en mr. R. van Tricht),
en

de staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties

(gemachtigde: mr. M-L. Sluijter).

Inleiding

1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoekers tegen de besluiten van de staatssecretaris van 18 november 2025 gericht aan de Nederlandse Aardoliemaatschappij B.V. (NAM). Aan de NAM zijn in die besluiten tussentijdse heffingen opgelegd van in totaal circa 1,3 miljard euro die vóór 31 december 2025 betaald moeten zijn. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
1.1.
Omdat het verzoek kennelijk ongegrond is doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom het verzoek kennelijk ongegrond is.
1.2.
De NAM heeft tegen de besluiten van 18 november 2025 bezwaar gemaakt. Op 20 november 2025 heeft de NAM de staatssecretaris om uitstel van betaling verzocht. De staatssecretaris heeft dit verzoek op 25 november 2025 afgewezen. Daarop heeft de NAM op 26 november 2025 een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend. Zij heeft de voorzieningenrechter verzocht de heffingsbesluiten van 18 november 2025, en daarmee de betalingsverplichting, te schorsen tot zes weken nadat de staatssecretaris op het bezwaar heeft beslist, waarbij de NAM voor deze periode geen wettelijke rente is verschuldigd. Deze zaak is bij de rechtbank ingeschreven onder nummer LEE 25/4777.
1.3.
Verzoekers hebben op 1 december 2025 ook bezwaar gemaakt tegen voornoemde besluiten van 18 november 2025 en een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend. Zij hebben aangevoerd dat zij door de heffingsbesluiten die gericht zijn aan de NAM ook rechtstreeks in hun belangen worden geraakt.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

2. Omdat het verzoek om een voorlopige voorziening van de NAM als eerste bij deze rechtbank is ingediend, en de verzoeken van verzoekers zich tegen dezelfde besluiten richten, acht de voorzieningenrechter zich voorshands bevoegd om ook op die verzoeken te beslissen.
3. Verzoekers zijn aandeelhouders van de NAM. Zij stellen een zelfstandig belang te hebben bij de heffingsbesluiten die aan de NAM zijn gericht primair op grond van de eigendomsbelangen die onder meer volgen uit de Overeenkomst voor Samenwerking van 27 maart 1963 en het Akkoord op Hoofdlijnen van 25 juni 2018 waar verzoekers zelfstandig contractspartij bij zijn. Subsidiair stellen verzoekers dat hun rechtspositie bij de heffingsbesluiten een zelfstandige aanspraak op rechtsbescherming rechtvaardigt. Hoewel het er alle schijn van heeft dat verzoekers geen rechtstreeks maar een afgeleid belang hebben bij de heffingsbesluiten, zal de voorzieningenrechter hieraan, gelet op hetgeen hierna wordt overwogen, geen consequentie verbinden.
4. De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb alleen een voorlopige voorziening als "onverwijlde spoed" dat vereist. Bij een financieel geschil, zoals in deze zaak, is dat niet snel het geval. In beginsel kan namelijk na afloop van de bodemzaak het bedrag waarover het geschil gaat, alsnog worden (terug)betaald, zo nodig met vergoeding van de wettelijke rente. Als er geen onomkeerbare situatie dreigt, bijvoorbeeld faillissement of dat anderszins de continuïteit van de onderneming niet meer kan worden gewaarborgd, neemt de voorzieningenrechter aan dat een spoedeisend belang ontbreekt.
5. De NAM heeft in een e-mail van 28 november 2025 aangegeven dat er geen sprake is van een financiële noodsituatie dan wel dat de continuïteit van de onderneming in het geding is als de heffingen vóór 31 december 2025 betaald moeten worden. Verzoekers hebben niet naar voren gebracht dat er voor hen een onomkeerbare situatie dreigt als de NAM tot betaling van de heffingen overgaat. Uit de stellingen van verzoekers blijkt niet dat er voor hen acute financiële nood of nog erger dreigt. Er is daarom geen sprake van een spoedeisend belang. Met verwijzing naar een uitspraak van de voorzieningenrechter van deze rechtbank van 23 december 2024 (ECLI:NL:RBNNE:2024:5053) hebben verzoekers verder gesteld dat spoedeisendheid ook kan worden aangenomen omdat aan de besluiten ernstige motiveringsgebreken kleven. Voor zover vanwege een ongemotiveerd besluit al sprake zou kunnen zijn van spoedeisendheid, is de voorzieningenrechter van oordeel dat daarvan in het geval van de onderhavige heffingsbesluiten geen sprake is. De heffingsbesluiten zijn namelijk van een uitgebreide motivering voorzien. Verzoekers zijn verder van mening dat het verzoek om een voorlopige voorziening ook kan worden toegewezen omdat sprake is van evident onrechtmatige besluiten.
6. De voorzieningenrechter oordeelt als volgt. Bij het ontbreken van een spoedeisend belang kan alleen een voorlopige voorziening worden getroffen als het besluit evident onrechtmatig is. In het geval van het onderhavige verzoek, waarbij het belang louter van financiële aard is, is daarvan sprake als alleen al op basis van een eerste lezing van de meest essentiële stukken het buiten elke twijfel is dat aan de bestreden besluiten ernstige gebreken kleven waarvan vaststaat dat die niet meer kunnen worden hersteld in de bezwaarfase.
Op grond van de inhoud van de heffingsbesluiten, het verzoekschrift en de reactie van de staatssecretaris op het verzoekschrift van de NAM, dat nagenoeg dezelfde gronden bevat als het verzoekschrift van verzoekers, is de voorzieningenrechter van oordeel dat daar vooralsnog geen sprake van is. Hij ziet daarom geen aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen.

Conclusie en gevolgen

7. Het verzoek is daarom kennelijk ongegrond. De voorzieningenrechter wijst het verzoek dus af. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.H. de Groot, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. J.A. van Loo, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 8 december 2025.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.