In deze zaak is aan de betrokkene een boete opgelegd op grond van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) voor het parkeren op een gehandicaptenparkeerplaats zonder het daarvoor bestemde voertuig. De overtreding vond plaats op 7 maart 2024 om 19:37 uur op de Marktstraat in Delfzijl. De opgelegde boete bedraagt € 499,00, inclusief administratiekosten. Betrokkene heeft tegen de boete beroep ingesteld bij de officier van justitie, die het beroep ongegrond verklaarde. Hierop heeft betrokkene beroep ingesteld bij de kantonrechter, die de zaak op 24 oktober 2025 heeft behandeld. Tijdens de zitting was betrokkene aanwezig, evenals de vertegenwoordigster van de officier van justitie, mr. Z. Fluitsma. Betrokkene voerde aan dat zij het verkeersbord niet kon zien door een blokkade in haar zicht en dat het bord niet voldeed aan de geldende eisen. De vertegenwoordigster van de officier van justitie was van mening dat het beroep gegrond moest worden verklaard. De kantonrechter twijfelde aan de verklaring van de verbalisant en concludeerde dat de gedraging niet kon worden vastgesteld, omdat het voertuig van betrokkene voor het bord stond. De kantonrechter verklaarde het beroep gegrond, vernietigde de beslissing van de officier van justitie en de inleidende beschikking, en bepaalde dat betrokkene het bedrag van de zekerheidstelling terugkrijgt.