Aan betrokkene werd een boete opgelegd wegens parkeren op een gehandicaptenparkeerplaats zonder het daarvoor bestemde voertuig te gebruiken. De overtreding vond plaats op 7 maart 2024 in Delfzijl. Betrokkene stelde dat het verkeersbord E6 niet zichtbaar was vanwege de positie van haar spiegel en de duisternis, en dat het bord niet voldeed aan de eisen qua hoogte en plaatsing.
De officier van justitie verklaarde het beroep ongegrond, waarna betrokkene beroep instelde bij de kantonrechter. Tijdens de zitting op 24 oktober 2025 betoogde betrokkene dat het bord recent was geplaatst en niet duidelijk was. De kantonrechter twijfelde aan de verklaring van de verbalisant en concludeerde op basis van fotomateriaal dat het voertuig van betrokkene voor het bord stond, waardoor de overtreding niet kon worden vastgesteld.
De kantonrechter verklaarde het beroep gegrond, vernietigde de beslissing van de officier van justitie en de boete, en bepaalde dat betrokkene het bedrag van de zekerheidstelling terugkrijgt. Tevens werd gewezen op de mogelijkheid tot hoger beroep bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden binnen zes weken.