ECLI:NL:RBNNE:2025:5027

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
11 december 2025
Publicatiedatum
10 december 2025
Zaaknummer
18.003920.25
Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Type
Uitspraak
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor poging doodslag op agenten en bedreiging van agenten, COA-medewerkers en beveiligers met TBS en dwangverpleging

Op 11 december 2025 heeft de Rechtbank Noord-Nederland uitspraak gedaan in de zaak tegen een verdachte die op 3 januari 2025 in Groningen een poging tot doodslag heeft gepleegd op politieagenten. De verdachte, die lijdt aan een psychotische stoornis, heeft met een mes gedreigd en stekende bewegingen gemaakt richting de agenten, die hierdoor in gevaar zijn gebracht. De rechtbank heeft vastgesteld dat de verdachte volledig ontoerekeningsvatbaar was ten tijde van de feiten, wat heeft geleid tot de beslissing om hem te ontslaan van alle rechtsvervolging. De rechtbank heeft echter wel de maatregel van TBS met dwangverpleging opgelegd, gezien de ernst van de feiten en het risico op herhaling. De verdachte heeft ook andere personen bedreigd en goederen vernield, waarvoor hij eveneens is veroordeeld. De rechtbank heeft de vorderingen van benadeelde partijen toegewezen, waarbij schadevergoeding is opgelegd voor immateriële schade. De uitspraak benadrukt de noodzaak van behandeling voor de verdachte, gezien zijn psychische toestand en het risico op recidive.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht
Locatie Groningen
parketnummer 18.003920.25

Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d.

11 december 2025 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1990 te [geboorteplaats] ,
wonende te [adres] ,
thans gedetineerd te [instelling] .
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 27 november 2025. Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. A.R.H. Baas, advocaat te Groningen. Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. M. Kappeyne van de Coppelo.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
1
hij op of omstreeks 3 januari 2025 te Groningen ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] opzettelijk van het leven te beroven, in of op een woonboot voor asielzoekers een mes voorhanden heeft gehad en/of in zijn hand(en) heeft gehad en/of heeft rondgelopen door (meerdere) ruimtes van die woonboot en/of (meerdere malen)
-naar die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] is toegelopen (in versnelde pas en/of kleine sprint) met het mes in de hand en/of op voornoemde perso(o)n(en) gericht en/of
-hij, verdachte, ten val kwam (na het taseren) (daarbij het mes niet heeft losgelaten) en/of met het mes stekende en/of zwaaiende bewegingen heeft gemaakt in de richting van voornoemde personen en/of
- vervolgens met het mes in zijn hand(en) is opgestaan en/of naar/in de richting van voornoemde perso(o)nen is gelopen en/of meermalen stekende bewegingen heeft gemaakt op korte afstand naar die personen
waarbij de personen voornoemd (meerdere malen) achteruit moesten deinzen en/of opzij moesten springen (om de stekende bewegingen te ontwijken)
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 3 januari 2025 te Groningen ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan ambtenaren [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] , gedurende en/of terzake van de rechtmatige uitoefening van hun bediening opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen in of op een woonboot voor asielzoekers een mes voorhanden heeft gehad en/of in zijn hand(en) heeft gehad en/of heeft rondgelopen door (meerdere) ruimtes van die woonboot en/of (meerdere malen)
-naar die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] is toegelopen (in versnelde pas en/of kleine sprint) met het mes in de hand en/of op voornoemde perso(o)n(en) gericht en/of
-hij, verdachte, ten val kwam (na het taseren) (daarbij het mes niet heeft losgelaten) en/of met het mes stekende en/of zwaaiende bewegingen heeft gemaakt in de richting van voornoemde personen en/of
- vervolgens met het mes in zijn hand(en) is opgestaan en/of naar/in de richting van voornoemde perso(o)nen is gelopen en/of meermalen stekende bewegingen heeft gemaakt op korte afstand naar die personen waarbij de personen voornoemd (meerdere malen) achteruit moesten deinzen en/of opzij moesten springen (om de stekende bewegingen te ontwijken)
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
meer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 3 januari 2025 te Groningen [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling door in of op een woonboot voor asielzoekers
een mes voorhanden te hebben en/of in zijn hand(en) te hebben en/of rond te lopen door (meerdere) ruimtes van die woonboot en/of (meerdere malen)
-naar die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] toe te lopen (in versnelde pas en/of kleine sprint) met het mes in de hand en/of op voornoemde perso(o)n(en) te richten en/of
-hij, verdachte, ten val kwam (na het taseren) (daarbij het mes niet los te laten) en/of met het mes stekende en/of zwaaiende bewegingen te maken in de richting van voornoemde personen en/of
- vervolgens met het mes in zijn hand(en) op te staan en/of naar/in de richting van voornoemde perso(o)nen te lopen en/of meermalen stekende bewegingen te maken op korte afstand naar die personen waarbij de personen voornoemd (meerdere malen) achteruit moesten deinzen en/of opzij moesten springen (om de stekende bewegingen te ontwijken);
2
hij op of omstreeks 3 januari 2025 te Groningen de (overige) aanwezige politie ambtenaren en/of bewoners en/of medewerkers van het COA en/of Trigion (waaronder [slachtoffer 4] en/of [slachtoffer 5] en./of [slachtoffer 6] ) heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling door in of op een woonboot voor asielzoekers een mes voorhanden te hebben en/of in zijn hand(en) te hebben en/of heeft rondgelopen door (meerdere) ruimtes van die woonboot en/of (meerdere malen)
-met (de punt van) het mes te richten en/of te wijzen en/of stekende bewegingen te maken (op een (korte) afstand in de richting van die voornoemde personen en/of
-daarbij hard te schreeuwen en/of
-met het mes tegen de reling (van de boot) te slaan en/of
-vervolgens een brandblusapparaat leeg te spuiten waardoor het zicht (ernstig) werd belemmerd door rookontwikkeling en/of witte nevel;
3
hij op of omstreeks 3 januari 2025 te Groningen opzettelijk en wederrechtelijk een deurmat en/of een brandblusser, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer 7] en/of [slachtoffer 8] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft vernield, beschadigd en/of onbruikbaar heeft gemaakt.

Beoordeling van het bewijs

Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het primair tenlastegelegde met betrekking tot feit 1 en tot bewezenverklaring van de feiten 2 en 3.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft betoogd dat verdachte moet worden vrijgesproken van het onder feit 1 primair en subsidiair tenlastegelegde. Zij heeft daartoe het volgende aangevoerd. Gelet op de grote afstand tussen de verdachte en de verbalisanten, de handelingen die door verdachte zijn verricht en het gegeven dat er geen letsel is opgelopen bij aangevers, heeft verdachte geen opzet gehad, ook niet in voorwaardelijke zin, op het toebrengen van de dood of zwaar lichamelijk letsel. Er was geen sprake van een aanmerkelijke kans op de dood of zwaar lichamelijk letsel en verdachte heeft deze kans ook niet bewust aanvaard. Het meest subsidiair ten laste gelegde feit onder feit 1 (bedreiging), alsmede feit 2 en feit 3 kunnen wel wettig en overtuigend worden bewezen.
Oordeel van de rechtbank
Ten aanzien van feit 1 primair
De rechtbank past de volgende bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder zakelijk weergegeven.
1. De door verdachte ter zitting van 27 november 2025 afgelegde verklaring, voor zover inhoudend:
U houdt mij de aangiften van [slachtoffer 3] , [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] voor. U vraagt mij of ik het klopt wat zij zeggen. Ja, dat klopt, maar ik heb de politie niet geraakt met het mes.
2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 6 januari 2025, opgenomen op pagina 66 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer PL0100-2025002925 d.d. 27 maart 2025, inhoudend als verklaring van [slachtoffer 2] :
Op 3 januari 2025 was ik aan het werk als politieambtenaar in de noodhulp te Groningen. Ik zag op het platvorm van de boot een man staan die voldeed aan het signalement en ik zag dat deze man een mes in zijn rechterhand had. Ik zag dat het een mes inclusief handvat van ongeveer 40 centimeter lang was. Ik zag dat het lemmet een ijzeren kleur had en dat
het lemmet eindigde in een punt. Ik hoorde dat de man door meerdere collega’s in de Nederlandse en Engelse taal werd aangeroepen dat hij zijn mes moest laten vallen en op de grond moest gaan liggen. Ik zag dat de man hierop niet reageerde. Hierop heb ik mijn stroomstoot wapen getrokken ende verdachte aangeschoten met 1 cassette. Ik zag dat dit geen effect had. Ik heb vervolgens nog een cassette met mijn stroomstootwapen op de man afgeschoten. Ik zag dat ook deze geen effect had.
Ik zag vervolgens dat de man zich omdraaide en de lobby van de woonboot inliep. Ik hoorde de man vermoedelijk in het Arabisch schreeuwen en ik zag dat hij met het mes aan het rondzwaaien was. Ik zag dat de verdachte vanuit het restaurantgedeelte met versnelde pas op de collega's die in de hal stonden afrende. Ik zag dat de verdachte het mes nog steeds in zijn rechterhand vast hield. Ik zag dat één van de collega s zijn stroomstootwapen gebruikte en dat de verdachte werd geraakt. Ik zag dat de verdachte door de stroomstoot als een plank voorover viel. Verdachte viel parallel voor de wand van de hal. Ik zag vervolgens dat er meerdere collega’s naderden om de verdachte onder controle te krijgen. Ik zag dat de verdachte het mes niet los liet. Vervolgens zag ik dat de verdachte met het mes meerdere stekende bewegingen in de richting van de collega s maakte. Ik zag dat de collega s achteruit deinsden om het mes te ontwijken. Ik zag dat de verdachte opstond en het restaurant weer in rende. Ik zag dat hij nog steeds het mes in zijn rechterhand vast hield. Ik zag dat de verdachte vervolgens in versnelde pas dan wel een kleine sprint op mij en mijn collega [slachtoffer 3] afrende. Ik zag de blik van de verdachte en ik zag dat hij het mes in zijn rechterhand had.
3. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 6 januari 2025, opgenomen op pagina 72 e.v. van voornoemd dossier d.d. 27 maart 2025, inhoudend als verklaring van [slachtoffer 3] :
Ik ben werkzaam als aspirant bij de Nationale Politie. Op 3 januari 2025 was ik in uniform gekleed, rijdend in een opvallende dienstvoertuig en belast met de toezicht in de stad Groningen.
V: Kan jij het mes omschrijven?
A: volgens mij een zwart handvat en volgens mij was de lengte van de gehele mes ongeveer vijfentwintig (25) centimeter lang.
Ik zag dat de verdachte in een versnelde pas naar ons toe liep. Ik zag dat de verdachte steekbewegingen maakte met zijn linkerhand, alwaar hij het mes nog steeds in vast hield. Ik zag dat de verdachte zijn linkerhand omhoog had en het mes naar beneden had gericht. Ik zag dat de verdachte het mes naar mij en collega [slachtoffer 1] had gericht. Ik besloot door deze dreigende situatie mijn stroomstootwapen te gebruiken en gericht te vuren op de torso van de verdachte. Ik haalde mijn trekker over en ik zag dat ik raak schoot op de borst van de verdachte. Ik zag dat collega [slachtoffer 1] ook met zijn stroomstootwapen raak schoot op de verdachte. Ik zag dat de verdachte op de grond viel en schokbewegingen maakte. Meerdere collega's en ik probeerden de verdachte te overmeesteren en zijn mes af te pakken. Ik zag dat dit niet lukte. Ik zag dat de verdachte met het mes wederom steekbewegingen richting mij en de collega's maakte. Ik liep van de verdachte weg en liep een gesloten hoek in. .Ik ben een hoek ingelopen waar ik niet zomaar weer weg kon komen. De verdachte versperde mijn uitgang. De verdachte kwam in een versnelde pas naar mij toe gelopen. Ik hoorde dat de verdachte wederom in voor mij een onbekende taal aan het schreeuwen was en steekbewegingen naar mij maakte met het mes die hij stevig vasthield. Ik zag dat de verdachte met zijn mes wederom steekbewegingen maakte en al schreeuwend naar een collega in een versnelde pas liep. Ik zag dat de verdachte zich op circa twee (2) meter van een collega bevond.
4. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 3 januari 2025, opgenomen op pagina 80 e.v. van voornoemd dossier d.d. 27 maart 2025, inhoudend als verklaring van [slachtoffer 1] :
V: In welke hoedanigheid was jij daar?
A: Ik was als daar als politie ambtenaar vanuit de noodhulp.
V: Hoe was jij gekleed?
A: In uniform.
A: Terwijl ik die stoel aan de kant deed zag ik dat hij het mes nog steeds in zijn linkerhand had. Dat heb ik geroepen naar de collega's. Terwijl ik dat zei zag ik dat de man weer een beetje bij kennis kwam. Kort daarop zag ik dat hij met het mes in de richting van de collega's begon te zwaaien. Ik weet nog dat collega [politiemedewerker] aan de kant moest springen.
V: Toen hij de eerste keer was opgestaan en wegliep. Weet jij of hij toen het mes nog had?
A: Ja toen had ik gezien dat hij mes nog had. En ik herinner mij ook nog dat de man het mes had toen hij in het kantoortje was.
V.: oke hij kwam op jou aflopen. En toen?
A: Ik weet nog dat ik geschreeuwd heb : “staan blijven”. Maar de afstand was zo kort.
V: Begrijp ik dus goed dat toen de man op jouw afkwam dat jij vreesde voor je leven?
A: Ja 100 procent.
Ten aanzien van feit 2
De rechtbank acht feit 2 wettig en overtuigend bewezen, zoals hierna opgenomen in de bewezenverklaring. Nu verdachte dit feit duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend, volstaat de rechtbank met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering.
Deze opgave luidt als volgt:
1. de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 27 november 2025;
2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 8 januari 2025, opgenomen op pagina 51 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer PL0100-2025002925 d.d. 27 maart 2025, inhoudend de verklaring van [slachtoffer 5] ;
3. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 8 januari 2025, opgenomen op pagina 60 e.v. van voornoemd dossier d.d. 27 maart 2025, inhoudend de verklaring van [slachtoffer 4] ;
4. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 9 januari 2025, opgenomen op pagina 88 e.v. van voornoemd dossier d.d. 27 maart 2025, inhoudend de verklaring van [slachtoffer 6] .
Ten aanzien van feit 3
De rechtbank acht feit 3 wettig en overtuigend bewezen, zoals hierna opgenomen in de bewezenverklaring. Nu verdachte dit feit duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend, volstaat de rechtbank met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering.
Deze opgave luidt als volgt:
1. de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 27 november 2025;
2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 7 januari 2025, opgenomen op pagina 37 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer PL0100-2025002925 d.d. 27 maart 2025, inhoudend de verklaring van [slachtoffer 7] .

Bewijsoverweging

Ten aanzien van feit 1 primair overweegt de rechtbank het volgende.
Uit het dossier en de behandeling ter zitting volgt dat verdachte op een boot verbleef die diende als opvanglocatie voor asielzoekers. De politie kreeg een melding dat er iemand met een mes stond de zwaaien op de boot. Agenten kwamen op de melding af en troffen de verdachte op de boot aan met een mes in zijn hand. Hij wilde het mes niet los laten en kwam met het mes in zijn hand op de agenten afgerend. Ondanks de inzet van tasers waarmee meerdere malen is geschoten en waardoor verdachte meerdere malen werd geraakt, liet verdachte het mes niet los en maakte hij stekende bewegingen richting de agenten. Zij waren op een aantal momenten in de onmiddellijke nabijheid van de verdachte toen hij stekende bewegingen richting hen maakte waardoor zij moesten wegspringen om niet geraakt te worden.
Uit de verklaring van verdachte, noch uit andere bewijsmiddelen kan worden afgeleid dat de verdachte vol opzet heeft gehad op de dood van de agenten. Wel is naar het oordeel van de rechtbank sprake van voorwaardelijk opzet op de dood. Voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg -zoals hier het overlijden van de agenten- is aanwezig indien de verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat dit gevolg zal intreden. Verdachte heeft in een chaotische en dynamische situatie op meerdere momenten meerdere steekbewegingen gemaakt richting de agenten die zich toen in de onmiddellijke nabijheid van verdachte bevonden. Het was in het onderhavige geval zeer goed voorstelbaar dat het mes als gevolg van dergelijke ongecontroleerde steekbewegingen vitale delen kon raken in het lichaam. Naar de uiterlijke verschijningsvorm was verdachtes handelen gericht op het opzettelijk toebrengen van steekletsels. Verdachte heeft met zijn handelen ook een aanmerkelijke kans op het overlijden van de agenten in het leven geroepen. De gedraging van verdachte is naar zijn uiterlijke verschijningsvorm zozeer gericht geweest op het overlijden van de agenten, dat het niet anders kan dan dat verdachte ook bewust de aanmerkelijke kans op dat gevolg heeft aanvaard. De rechtbank is dan ook van oordeel dat wettig en overtuigend is bewezen dat verdachte de ten laste gelegde poging tot doodslag heeft begaan tegen in de tenlastegelegde genoemde agenten.
Ten aanzien van feiten 2 en 3 acht de rechtbank op grond van de bewijsmiddelen bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan bedreiging en het vernielen van de deurmat en het onbruikbaar maken van de brandblusser.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht de feiten 1 primair, 2 en 3 wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:
1. primair
hij op 3 januari 2025 te Groningen ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] opzettelijk van het leven te beroven, in of op een woonboot voor asielzoekers een mes in zijn hand(en) heeft gehad en daarmee heeft rondgelopen door (meerdere) ruimtes van die woonboot en (meerdere malen)
-naar die [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] is toegelopen (in versnelde pas en kleine sprint) met het mes in de hand en op voornoemde personen gericht en
-hij, verdachte, ten val kwam (na het taseren) (daarbij het mes niet heeft losgelaten) en met het mes stekende en zwaaiende bewegingen heeft gemaakt in de richting van voornoemde personen en
- vervolgens met het mes in zijn hand(en) is opgestaan en in de richting van voornoemde personen is gelopen en meermalen stekende bewegingen heeft gemaakt op korte afstand naar die personen waarbij de personen voornoemd (meerdere malen) achteruit moesten deinzen en opzij moesten springen (om de stekende bewegingen te ontwijken)
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
2
hij op 3 januari 2025 te Groningen de aanwezige politie ambtenaren en bewoners en medewerkers van het COA en Trigion (waaronder [slachtoffer 4] en [slachtoffer 5] en [slachtoffer 6] ) heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en met zware mishandeling door in of op een woonboot voor asielzoekers een mes in zijn hand(en) te hebben en daarmee heeft rondgelopen door
(meerdere) ruimtes van die woonboot en (meerdere malen)
-met (de punt van) het mes te richten en te wijzen en stekende bewegingen te maken (op een (korte) afstand in de richting van die voornoemde personen en
-daarbij hard te schreeuwen en
-met het mes tegen de reling (van de boot) te slaan en
-vervolgens een brandblusapparaat leeg te spuiten waardoor het zicht (ernstig) werd belemmerd door rookontwikkeling en/of witte nevel;
3
hij op 3 januari 2025 te Groningen opzettelijk en wederrechtelijk een deurmat en een brandblusser die geheel [slachtoffer 8] , in elk geval aan een ander toebehoorde heeft vernield en onbruikbaar heeft gemaakt.
Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:
Ten aanzien van feit 1:
Primair poging tot doodslag, meermalen gepleegd
Ten aanzien van feit 2:
2. bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, meermalen gepleegd
Ten aanzien van feit 3:
3. opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel aan een ander toebehoort,
vernielen en onbruikbaar maken
Deze feiten zijn strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ten aanzien van het hem tenlastegelegde zal worden ontslagen van alle rechtsvervolging, omdat verdachte volledig ontoerekeningsvatbaar was.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft bepleit dat de verdachte niet strafbaar is omdat hij volledig ontoerekeningsvatbaar was ten tijde van het plegen van de feiten. Ten gevolge daarvan dient de verdachte worden ontslagen van alle rechtsvervolging.
Oordeel van de rechtbank
Om tot het oordeel te komen dat sprake is van volledige ontoerekeningsvatbaarheid, moet sprake zijn van een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestvermogens van verdachte. Deze stoornis moet aanwezig zijn geweest op het moment van het bewezenverklaarde. Ook moet er een causaal verband zijn tussen de stoornis en het bewezen verklaarde. Bovendien moet die stoornis zodanig zijn, dat zij aan de toerekening van het feit aan verdachte in de weg staat.
De rechtbank heeft kennis genomen van het rapport psychiatrisch onderzoek Pro Justitia van
18 juli 2025 betreffende verdachte, opgemaakt door psychiater J. van der Meer en psycholoog R.A. Sterk.
De deskundigen concluderen dat verdachte lijdt aan een psychotische stoornis en een matige stoornis in alcohol- en cannabisgebruik. Ten tijde van het tenlastegelegde had de verdachte een psychotisch toestandsbeeld met wanen. Hij kreeg opdracht van stemmen in zijn hoofd om de deur op de asielboot open te maken met een mes vanwege magie, djinns en natuurrampen. Verdachte handelde vanuit deze verstoorde realiteitsbeleving.
Het advies van de deskundigen is om de feiten niet aan verdachte toe te rekenen.
De rechtbank kan zich verenigen met de conclusies van de deskundigen dat verdachte ten tijde van het tenlastegelegde leed aan een psychische stoornis en volledig werd beheerst door de uit deze stoornis voortvloeiende psychotische belevingen en neemt deze conclusies over. Dat brengt mee dat het bewezen verklaarde naar het oordeel van de rechtbank niet aan verdachte kan worden toegerekend.
De rechtbank acht verdachte derhalve niet strafbaar en zal verdachte ontslaan van alle rechtsvervolging.

De oplegging van een maatregel

Nu het feit niet aan verdachte kan worden toegerekend, kan hem daarvoor geen (gevangenis)straf worden opgelegd. De rechtbank dient de vraag te beantwoorden of een maatregel aan de verdachte moet worden opgelegd en zo ja, welke.
Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie vordert aan verdachte de maatregel tbs met dwangverpleging op te leggen.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw verzoekt de rechtbank om ambtshalve een zorgmachtiging af te geven.
Zij heeft daartoe aangevoerd dat er bij oplegging van een tbs-maatregel met dwangverpleging geen behandeldoelen zijn en dat deze maatregel tot een uitzichtloze situatie zal leiden. Er zijn voldoende aanknopingspunten om ondanks de beëindiging van de voorbereiding van de verzoekschriftprocedure voor een zorgmachtiging, alsnog een machtiging daarvoor af te geven.
Oordeel van de rechtbank
De ernst van de feiten
De rechtbank stelt vast dat verdachte zich tijdens een psychose schuldig heeft gemaakt aan poging tot doodslag, bedreiging en vernieling. Verdachte is met een mes afgerend op agenten en heeft meerdere stekende bewegingen gemaakt. De agenten hebben moeten wegspringen om het mes te ontwijken waardoor er gelukkig geen slachtoffers zijn gevallen. Een poging tot doodslag is evenwel een zeer ernstig feit, waarvoor doorgaans hoge straffen worden opgelegd. Omdat de verdachte vanwege de psychose waarin hij verkeerde ten tijde van de feiten volledig ontoerekeningsvatbaar is, kan er volgens de wet voor deze feiten geen straf opgelegd worden. De gedachte hierachter is dat als iemand iets in het geheel niet is toe te rekenen vanwege een psychische stoornis, het opleggen van een straf niet te rechtvaardigen is. Wel bestaat de mogelijkheid om de maatregel van terbeschikkingstelling (tbs) op te leggen. De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of deze maatregel aan de verdachte moet worden opgelegd.
Adviezen van de deskundigen
De psycholoog schat in voornoemd rapport het herhalingsgevaar in als laag, nu de verdachte goed is ingesteld op medicatie en de psychotische symptomen zijn verdwenen. Wanneer de verdachte echter opnieuw in een psychose geraakt, wordt het herhalingsgevaar ingeschat als hoog. Ten aanzien van de geconstateerde psychische problematiek adviseert de psycholoog vanuit forensisch oogpunt behandeling. De focus dient hierbij te liggen op de ambivalente houding van verdachte tegenover het gebruik van medicatie en psycho-educatie. Dit laatste dient ter vergroting van zijn ziekte-inzicht en -besef, zodat hij rekening zal gaan houden met de beperkingen die psychotische problematiek met zich meebrengt voor zijn functioneren.
De psycholoog adviseert een zorgmachtiging af te geven zodat er een behandeling kan plaatsvinden binnen een reguliere GGZ-instelling. Een tbs-maatregel acht de psycholoog niet wenselijk nu de verdachte goed is ingesteld op de medicatie, de psychotische symptomen zijn verdwenen en hij de kans op herhaling als laag inschat.
De psychiater acht het herhalingsgevaar laag tot matig. Om het risico op recidive te verlagen en de maatschappelijke veiligheid te waarborgen is het nodig dat de psychose van de verdachte in remissie blijft. Als de verdachte in de toekomst besluit om de medicatie te staken, wat volgens de behandelrichtlijnen een jaar na het in remissie gaan van de psychose mag worden geprobeerd, is het nodig dat zijn behandelaren goed op hem letten en tijdig ingrijpen als wederom psychotische verschijnselen ontstaan. Verder acht de psychiater het noodzakelijk dat de verdachte geen cannabis gebruikt, omdat dit psychotische verschijnselen kan versterken. De psychiater adviseert om de verdachte aanvankelijk klinisch te behandelen op een Forensisch Psychiatrische Afdeling. Daarna zal een langdurige ambulante behandeling nodig zijn, waarbij het vooral van belang is dat de verdachte langere tijd wordt gemonitord. De psychiater adviseert om de verdachte met een zorgmachtiging te plaatsen in [instelling] . Deze instelling heeft ervaring met transculturele problematiek. Tevens kan de verdachte hier beter worden geholpen met zijn repatriëring en met het organiseren van de nodige psychiatrische nazorg in Syrië. De psychiater ziet op dit moment geen reden tot het opleggen van een tbs-maatregel.
De rechtbank heeft voorts acht geslagen op het advies van Reclassering Nederland van
19 november 2025. De kans op recidive wordt door de reclassering ingeschat als gemiddeld tot hoog. Vooral de psychische gesteldheid en het middelengebruik worden door de reclassering aangemerkt als primaire criminogene factoren. Bij het niet innemen van medicatie of een terugval in het middelengebruik is er direct sprake van een verhoging van het herhalingsgevaar met kans op letselschade. De verdachte heeft in het gesprek met de reclassering meermaals aangegeven dat hij het niet nodig acht om medicatie te blijven gebruiken na detentie. Ook heeft hij aangegeven dat hij alcohol wil blijven drinken, hetgeen drempelverlagend kan werken ten aanzien van het cannabisgebruik.
De zorgmachtiging krachtens de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (WVGGZ) wordt vanuit reclasseringsoogpunt als niet uitvoerbaar en niet effectief gezien, omdat het problematisch is om een constructief nazorgtraject op te tuigen gezien de verblijfsstatus van de verdachte. Een klinische opname in het kader van een zorgmachtiging komt in de praktijk neer op een opname in de reguliere GGZ. Een zorgmachtiging is echter geen garantie voor een opname. GGZ-instellingen hebben geen kennis van de Forensische Zorg en er wordt weinig gedaan aan het inschatten van de risico’s op delictgedrag. Een kortdurende (crisis) opname is derhalve ‘slechts’ gericht op het stabiliseren van de verdachte en er is weinig tot geen zicht op de risicofactoren die van invloed zijn geweest op het delictgedrag en het terugdringen van het als hoog ingeschatte recidiverisico. De reclassering adviseert een strikter kader met een hoger beveiligingsniveau en een hogere behandelintensiteit om te komen tot enige gedragsverandering.
De reclassering ziet geen mogelijkheden om door middel van een tbs-maatregel met voorwaarden het gedrag te veranderen en de kans op recidive te verkleinen. Het ontbreekt de verdachte aan probleeminzicht en hij ziet de noodzaak niet in van een behandeling. Daarnaast is een belangrijk onderdeel van de tbs met voorwaarden het toewerken naar resocialisatie waarbij huisvesting, inkomen en dagbesteding de basis vormen. Dit is onuitvoerbaar voor een persoon zonder geldige verblijfstatus. In het licht van de behandelnoodzaak kan gedacht worden aan het opleggen van een tbs-maatregel met dwangverpleging. De reclassering acht hier ook uitvoeringsproblemen en beperkingen gelet op de verblijfsstatus van de verdachte. Uiteindelijk kan dit betekenen dat betrokkene zonder uitzicht op resocialisatie of beëindiging van de maatregel in een tbs-kliniek dient te verblijven zonder toekomstplan.
De rechtbank heeft tevens acht geslagen op een brief met aanvulling van de IND van 21 november 2025 en een e-mail van de heer [adviseur] (adviseur repatriëring) van [instelling] . Hieruit is de rechtbank onder andere gebleken dat verdachte zijn asielaanvraag in februari 2025 heeft ingetrokken. Op dit moment heeft [instelling] nog geen contacten met de psychiatrische zorg in Syrië.
Conclusies van de rechtbank
Uit de hiervoor besproken adviezen volgt onmiskenbaar dat er een reëel risico op recidive bestaat, zeker gelet op het feit dat de verdachte op dit moment dwangmedicatie krijgt en hij het nut niet ziet van het innemen van medicatie. Dit risico zal toenemen wanneer een adequate behandeling van de psychische problematiek en middelengebruik uitblijft. De rechtbank is daarom van oordeel dat het noodzakelijk is dat de verdachte voor zijn problematiek wordt behandeld. Het is de vraag binnen welk kader dit moet plaatsvinden. Uit het advies van de reclassering volgt duidelijk dat een zorgmachtiging of tbs met voorwaarden geen reële mogelijkheden zijn, nu beide opties in het geval van de verdachte, mede gezien zijn verblijfsstatus, onuitvoerbaar zijn.
Naar het oordeel van de rechtbank resteert gelet op de hiervoor besproken adviezen en het ontbreken van enige andere optie slechts het opleggen van de tbs met dwangverpleging. De rechtbank realiseert zich dat oplegging van deze maatregel in theorie op termijn tot een voor de verdachte uitzichtloze situatie in een tbs-kliniek kan leiden. Daar staat tegenover de situatie dat de verdachte, indien wordt afgezien van het opleggen van een tbs-maatregel, onbehandeld en zonder recht op enige behandeling op straat komt te staan. De rechtbank vindt de risico’s die dat met zich brengt voor de samenleving, mede gelet op de thans bewezenverklaarde feiten, onaanvaardbaar. Voorts acht de rechtbank van belang dat de wet diverse mogelijkheden biedt om de tbs-behandeling niet langer dan noodzakelijk te laten voortduren. Het uitgangspunt bij de executie van tbs bij vreemdelingen zonder rechtmatig verblijf (zoals de verdachte) is dat, waar mogelijk, wordt ingezet op een snelle en veilige repatriëring naar het land van herkomst. De rechtbank verwijst hierbij naar hetgeen staat opgenomen in de ‘Aanwijzing tbs bij vreemdelingen’ (zie hoofdstuk 3 van die Aanwijzing).
De wettelijke vereisten van de tbs-maatregel
Om tbs met dwangverpleging op te leggen, moet aan drie vereisten worden voldaan: er is sprake van een psychische stoornis ten tijde van het misdrijf, de verdachte heeft een ernstig misdrijf gepleegd (een delict waar minimaal vier jaar gevangenisstraf op staat of een specifiek in de wet benoemd misdrijf), en de veiligheid van anderen of de algemene veiligheid van personen en goederen eist het opleggen van deze maatregel, vanwege een reëel gevaar op herhaling. De rechtbank is van oordeel dat aan al deze wettelijke vereisten is voldaan.
Zoals reeds hiervoor besproken is de rechtbank, gelet op de inhoud van de Pro Justitia rapportages, de rapportage van de reclassering en de ernst van de feiten, specifiek voor de poging tot doodslag en de bedreiging met de dood, van oordeel dat oplegging van een tbs-maatregel noodzakelijk is. Op één van de gepleegde misdrijven (feit 1: de poging tot doodslag) is een gevangenisstraf van vier jaren of meer gesteld en daarnaast betreft feit 2 (de bedreiging met de dood) een specifiek benoemd misdrijf waarvoor tbs kan worden opgelegd. Verder bestond er bij verdachte ten tijde van het plegen van de feiten een ziekelijke stoornis van zijn geestvermogens, zo blijkt onder meer uit de Pro Justitia rapportages. Ook is de rechtbank van oordeel dat de veiligheid van anderen, dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen, het opleggen van de tbs-maatregel eist. Er is, zoals hiervoor reeds is overwogen, immers sprake van herhalingsgevaar.
De maatregel van terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege wordt opgelegd ter zake van een misdrijf dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen, te weten een poging doodslag. De totale duur van de op te leggen maatregel kan daarom een periode van vier jaar te boven gaan.

Benadeelde partijen

De volgende personen hebben zich als benadeelde partij in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding:
Ten aanzien van feit 1
[slachtoffer 1] , tot een bedrag van € 1500,00 ter vergoeding van immateriële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan;
[slachtoffer 2] , tot een bedrag van € 1500,00 ter vergoeding van immateriële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan;
[slachtoffer 3] , tot een bedrag van € 1500,00 ter vergoeding van immateriële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan.
Ten aanzien van feit 2
1.
[slachtoffer 5] , tot een bedrag van € 500,00 ter vergoeding van immateriële schade,
vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan;
2. [slachtoffer 6] , tot een bedrag € 570,00 ter vergoeding van immateriële schade,
vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie vordert de verzoeken tot schadevergoeding geheel toe te wijzen en vordert tevens dat aan verdachte de schadevergoedingsmaatregel wordt opgelegd.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw stelt zich op het standpunt dat het gevorderde bedrag door benadeelde partijen [slachtoffer 3] , [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] gematigd dienen te worden.
Oordeel van de rechtbank
Ten aanzien van feit 1 primair
Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk dat de benadeelde partijen de gestelde schade hebben geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het onder feit 1 primair bewezen verklaarde. De rechtbank ziet geen aanleiding voor matiging, mede gelet op het feit dat de rechtbank het primaire feit, poging tot doodslag, bewezen acht. De vorderingen zullen daarom worden toegewezen, vermeerderd met wettelijke rente vanaf 3 januari 2025.
Ten aanzien van feit 2
Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk dat de benadeelde partijen de gestelde schade hebben geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het onder feit 2 bewezen verklaarde. De vorderingen, waarvan de hoogte niet door verdachte is betwist, zullen daarom worden toegewezen, vermeerderd met wettelijke rente vanaf 3 januari 2025.
Nu de aansprakelijkheid van verdachte vaststaat, zal de rechtbank de schadevergoedingsmaatregel opleggen om te bevorderen dat verdachte de schade zal vergoeden, waarbij de rechtbank gelet op de persoonlijke omstandigheden van verdachte zal bevelen dat de gijzeling op nihil wordt gesteld.
De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten die de benadeelde partijen tot aan deze uitspraak in verband met de vordering hebben gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partijen ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moeten maken.

Beslag

Onder verdachte zijn de volgende voorwerpen in beslag genomen:
  • PL0100-2025002925-G1789131 (pas)
  • PL0100-2025002925-G1789127 (pas)
  • PL0100-2025002925-G1789123 (aansteker)
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de goederen verbeurd moeten worden verklaard.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw refereert zich aan het oordeel van de rechtbank.
Oordeel van de rechtbank
De onder verdachte in beslag genomen goederen worden verbeurd verklaard.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 33, 33a, 36f, 37a, 37b, 45, 55, 285, 287, 350 van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak gelden.

Uitspraak

De rechtbank

Verklaart het onder feit 1 primair, feit 2 en feit 3 ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld, maar verdachte daarvoor niet strafbaar.
Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij;
Ontslaat verdachte ter zake van alle rechtsvervolging.
Gelast dat verdachte
ter beschikking wordt gestelden beveelt dat hij van
overheidswege wordt verpleegd.
Ten aanzien van feit 1 primair:
Wijst de vordering van de benadeelde partij toe tot het hierna te noemen bedrag en veroordeelt verdachte om aan [slachtoffer 1] te betalen:
- het bedrag van € 1500,00 (zegge: vijftienhonderd euro);
- de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 3 januari 2025 tot de dag van algehele voldoening;
- de proceskosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog zal maken, tot heden begroot op nihil.
Legt aan verdachte de verplichting op om ten behoeve van [slachtoffer 1] aan de Staat te betalen een bedrag van € 1500,00 (zegge: vijftienhonderd euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 3 januari 2025 tot de dag van algehele voldoening. Dit bedrag bestaat uit € 1500,00 immateriële schade.
Bepaalt dat bij gebreke van volledig verhaal van de betalingsverplichting aan de Staat gijzeling voor de duur van 0 dagen kan worden toegepast.
Bepaalt dat als verdachte voldoet aan de betalingsverplichting aan de benadeelde partij of aan de Staat, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd van de betalingsverplichting.
Wijst de vordering van de benadeelde partij toe tot het hierna te noemen bedrag en veroordeelt verdachte om aan [slachtoffer 2] te betalen:
- het bedrag van € 1500,00 (zegge: vijftienhonderd euro);
- de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 3 januari 2025 tot de dag van algehele voldoening;
- de proceskosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog zal maken, tot heden begroot op nihil.
Legt aan verdachte de verplichting op om ten behoeve van [slachtoffer 2] aan de Staat te betalen een bedrag van € 1500,00 (zegge: vijftienhonderd euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 3 januari 2025 tot de dag van algehele voldoening. Dit bedrag bestaat uit € 1500,00 immateriële schade.
Bepaalt dat bij gebreke van volledig verhaal van de betalingsverplichting aan de Staat gijzeling voor de duur van 0 dagen kan worden toegepast.
Bepaalt dat als verdachte voldoet aan de betalingsverplichting aan de benadeelde partij of aan de Staat, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd van de betalingsverplichting.
Wijst de vordering van de benadeelde partij toe tot het hierna te noemen bedrag en veroordeelt verdachte om aan [slachtoffer 3] te betalen:
- het bedrag van € 1500,00 (zegge: vijftienhonderd euro);
- de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 3 januari 2025 tot de dag van algehele voldoening;
- de proceskosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog zal maken, tot heden begroot op nihil.
Legt aan verdachte de verplichting op om ten behoeve van [slachtoffer 3] aan de Staat te betalen een bedrag van € 1500,00 (zegge: vijftienhonderd euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 3 januari 2025 tot de dag van algehele voldoening. Dit bedrag bestaat uit € 1500,00 immateriële schade.
Bepaalt dat bij gebreke van volledig verhaal van de betalingsverplichting aan de Staat gijzeling voor de duur van 0 dagen kan worden toegepast.
Bepaalt dat als verdachte voldoet aan de betalingsverplichting aan de benadeelde partij of aan de Staat, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd van de betalingsverplichting.
Ten aanzien van feit 2
Wijst de vordering van de benadeelde partij toe tot het hierna te noemen bedrag en veroordeelt verdachte om aan [slachtoffer 5] te betalen:
- het bedrag van € 500,00 (zegge: vijfhonderd euro);
- de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 3 januari 2025 tot de dag van algehele voldoening;
- de proceskosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog zal maken, tot heden begroot op nihil.
Legt aan verdachte de verplichting op om ten behoeve van [slachtoffer 5] aan de Staat te betalen een bedrag van € 500,00 (zegge: vijfhonderd euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 3 januari 2025 tot de dag van algehele voldoening. Dit bedrag bestaat uit
€ 500,00 immateriële schade.
Bepaalt dat bij gebreke van volledig verhaal van de betalingsverplichting aan de Staat gijzeling voor de duur van 0 dagen kan worden toegepast.
Bepaalt dat als verdachte voldoet aan de betalingsverplichting aan de benadeelde partij of aan de Staat, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd van de betalingsverplichting.
Wijst de vordering van de benadeelde partij toe tot het hierna te noemen bedrag en veroordeelt verdachte om aan [slachtoffer 6] te betalen:
- het bedrag van € 570,00 (zegge: vijfhonderdzeventig euro);
- de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 3 januari 2025 tot de dag van algehele voldoening;
- de proceskosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog zal maken, tot heden begroot op nihil.
Legt aan verdachte de verplichting op om ten behoeve van [slachtoffer 6] aan de Staat te betalen een bedrag van € 570,00 (zegge: vijfhonderdzeventig euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 3 januari 2025 tot de dag van algehele voldoening. Dit bedrag bestaat uit € 570,00 immateriële schade.
Bepaalt dat bij gebreke van volledig verhaal van de betalingsverplichting aan de Staat gijzeling voor de duur van 0 dagen kan worden toegepast.
Bepaalt dat als verdachte voldoet aan de betalingsverplichting aan de benadeelde partij of aan de Staat, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd van de betalingsverplichting.

Verklaart verbeurd:

  • PL0100-2025002925-G1789131 (pas)
  • PL0100-2025002925-G1789127 (pas)
  • PL0100-2025002925-G1789123 (aansteker)
Dit vonnis is gewezen door mr. H. Brouwer, voorzitter, mr. A.L.J.M.A. Janssens en mr. E.P. van Sloten, rechters, bijgestaan door J. Kunst, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 11 december 2025.
Mr. van Sloten is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.