RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Afdeling strafrecht
parketnummer 18/389715-24
vordering na voorwaardelijke veroordeling parketnummer 18/257164-22
Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 12 december 2025 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 2002 te [geboorteplaats] , wonende te [adres] .
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 28 november 2025.
Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. S.A. Heukers, advocaat te Leeuwarden. Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door officier van justitie mr. A.H.P. Polstra.
Tenlastelegging
Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
1.
hij op of omstreeks 6 december 2024 te Leeuwarden, in elk geval in de gemeente Leeuwarden, op of aan of bij [adres] , tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om [slachtoffer 1] opzettelijk van het leven te beroven,
met dat opzet tezamen en in vereniging met zijn mededader(s), althans alleen, die [slachtoffer 1] ,
- naar de grond heeft gewerkt en/of op de grond heeft gegooid en/of (vervolgens)
- meermalen, althans eenmaal, (met kracht) tegen het hoofd en/of een of meer ander(e) de(e)l(en) van het lichaam heeft getrapt en/of geschopt en/of
- meermalen, althans eenmaal, (met kracht) tegen het hoofd en/of een of meer ander(e) de(e)l(en) van het lichaam heeft gestompt en/of geslagen,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 6 december 2024 te Leeuwarden, in elk geval in de gemeente Leeuwarden, op of aan of bij [adres] , tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer 1] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet tezamen en in vereniging met zijn mededader(s), althans alleen, die [slachtoffer 1] ,
- naar de grond heeft gewerkt en/of op de grond heeft gegooid en/of (vervolgens)
- meermalen, althans eenmaal, (met kracht) tegen het hoofd en/of een of meer ander(e) de(e)l(en) van het lichaam heeft getrapt en/of geschopt en/of
- meermalen, althans eenmaal, (met kracht) tegen het hoofd en/of een of meer ander(e) de(e)l(en) van het lichaam heeft gestompt en/of geslagen,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
2.
hij op of omstreeks 6 december 2024 te Leeuwarden, in elk geval in de gemeente Leeuwarden, openlijk, te weten, op of aan of bij [adres] , in elk geval op of aan de openbare weg en/of op een voor het publiek toegankelijke plaats, in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een persoon, te weten [slachtoffer 1] , door die [slachtoffer 1] in vereniging meermalen, althans eenmaal,
- tegen het hoofd te stompen en/of te slaan en/of
(nadat die [slachtoffer 1] (ten gevolge van dat slaan en/of stompen) op de grond terecht was gekomen)
- aan het lichaam en/of de kleding vast te houden en/of
- tegen het hoofd en/of een of meer ander(e) de(e)l(en) van het lichaam te trappen en/of te schoppen en/of te stompen en/of te slaan;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 6 december 2024 te Leeuwarden, in elk geval in de gemeente Leeuwarden, openlijk, te weten, op of aan of bij [adres] , tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen [slachtoffer 1] heeft mishandeld door die [slachtoffer 1] tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, meermalen, althans eenmaal,
- tegen het hoofd te stompen en/of te slaan en/of
(nadat die [slachtoffer 1] (ten gevolge van dat slaan en/of stompen) op de grond terecht was gekomen)
- aan het lichaam en/of de kleding vast te houden en/of
- tegen het hoofd en/of een of meer ander(e) de(e)l(en) van het lichaam te trappen en/of te schoppen en/of te stompen en/of te slaan;
3.
hij op of omstreeks 6 december 2024, in elk geval in of omstreeks de maand december 2024, te Leeuwarden, in elk geval in de gemeente Leeuwarden, in elk geval in Nederland, [slachtoffer 2] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend (via een telefonische (video)verbinding) die [slachtoffer 2] (in de Arabische taal) de woorden (vertaald in het Nederlands) toegevoegd: "Of ze komen vandaag om hun excuus aan mijn vader aan te bieden en mijn vader hun excuus kan aanvaarden, anders zweer ik op God dat als ze morgen de ochtend meemaken dan ben ik [bijnaam] niet. Zelfs God zal je niet redden van mij. Als ik je niet als een lijk, als een lijk terugstuur naar Syrië, dan ben ik [bijnaam] niet.", althans woorden van gelijke (be)dreigende aard en/of strekking, en/of dat die voornoemde woorden (van gelijke aard en/of strekking) hem in voornoemde periode ter ore zijn gekomen.
Beoordeling van het bewijs
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft veroordeling gevorderd voor feit 1 primair (medeplegen van poging tot doodslag), feit 2 subsidiair (mishandeling) en feit 3.
De officier van justitie heeft aangevoerd dat feit 1 primair wettig en overtuigend kan worden bewezen op grond van de aangifte, de getuigenverklaringen en de beschrijvingen van de camerabeelden. Het voorwaardelijk opzet gericht op de dood kan worden bewezen omdat beide verdachten in een dynamische situatie meermalen tegen het hoofd en lichaam van aangever hebben geschopt en geslagen, ook toen aangever op enig moment weerloos op de grond lag.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft betoogd dat een veroordeling voor feit 2 subsidiair (mishandeling) en feit 3 kan volgen.
De raadsvrouw heeft vrijspraak van feit 1 primair en subsidiair bepleit, omdat het (voorwaardelijk) opzet op de dood dan wel het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel niet kan worden bewezen. Zij heeft daartoe het volgende aangevoerd. Allereerst heeft zij bepleit dat niet kan worden bewezen dat aangever tegen het hoofd is geschopt. Indien de rechtbank dit toch bewezen acht, dan heeft zij aangevoerd dat niet kan worden vastgesteld met welke kracht, in welke richting en waar op het hoofd geweld is uitgeoefend, zodat de aanmerkelijke kans op de dood dan wel zwaar lichamelijk letsel niet kan worden bewezen.
Bovendien zijn de gedragingen van beide verdachten niet gericht op de dood dan wel het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel, gelet op de contra-indicatie dat beiden snel stoppen met het plegen van geweld.
Oordeel van de rechtbank
Feit 1
De rechtbank acht feit 1 primair (medeplegen van poging tot doodslag) niet wettig en overtuigend bewezen, zodat verdachte hiervan zal worden vrijgesproken.
De rechtbank acht feit 1 (medeplegen van poging tot zware mishandeling) subsidiair wettig en overtuigend bewezen, zoals hierna opgenomen in de bewezenverklaring.
Bewijsmiddelen
De rechtbank past de volgende bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder zakelijk weergegeven.
1. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 7 december 2024, opgenomen op pagina 30 e.v. van het dossier van de politie Districtsrecherche Fryslân, Eenheid Noord-Nederland, met nummer 2025042654 d.d. 17 februari 2025, inhoudend als verklaring van [slachtoffer 1] :
Plaats delict: [adres] , Leeuwarden Pleegdatum: 6 december 2024
[verdachte] en een onbekende man stapten uit een auto, renden naar mij toe en hebben mij beiden geslagen. Ik werd meerdere keren geslagen. Ze sloegen mij allebei op mijn hoofd en mijn gezicht. Het waren stoten met een vuist. Toen viel ik op de grond. Toen ik op de grond lag, werd ik geschopt op mijn hoofd. Het letsel wat u nu op mijn gezicht ziet, komt door deze mishandeling. Ik heb zichtbaar letsel op de rechterzijde van mijn gezicht. Het is dik, rood en geschaafd. Op de achterzijde van mijn hoofd zit een dikke bult. Ik heb nekpijn. Mijn rechterschouder doet ook pijn. Maar ik heb vooral last van mijn gezicht.
Mijn kaak doet ook pijn aan de rechterkant.
2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van getuigenverhoor d.d. 6 december 2024, opgenomen op pagina 68 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als verklaring van [getuige 1] :
Op 6 december 2024 zag ik het slachtoffer op [adres] lopen. Ik zag twee mannen uit een Jaguar stappen. Ik zag dat twee mannen op het slachtoffer afliepen. Ik zag vervolgens dat de beide mannen met volle kracht het slachtoffer meerdere keren sloegen en hem naar de grond werkten. Ik zag dat het slachtoffer van de romp tot en met zijn hoofd werd geslagen. Ik zag dat de beide mannen het slachtoffer in zijn zij trapten. Ik zag vervolgens dat de beide mannen vervolgens meerdere keren tegen het hoofd van het slachtoffer schopten. Ik zag dat de zijkant van het slachtoffer zijn hoofd open lag. Ik zag dat dit onder zijn slaap was. Ik zag dat dit zijn rechterkant van het hoofd was. Ook zag ik dat er bloed uit liep.
3. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van getuigenverhoor d.d. 7 december 2024, opgenomen op pagina 73 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als verklaring van [getuige 2] :
Op 6 december 2024 liep ik over het [adres] . Ik hoorde opeens gegil en zag dat er drie jongens stonden. Een jongen pakte de jongen vast, deed een soort judoworp en gooide hem op de grond. Eén van de twee jongens die nog stonden gaf een trap tegen het hoofd aan van het slachtoffer. Er werd meerdere keren geschopt. Ik heb een keer gezien dat een schop raak was op het hoofd van het slachtoffer. Ik zag dat het
slachtoffer een erg rood hoofd had.
4. De door verdachte ter zitting van 28 november 2025 afgelegde verklaring, voor zover inhoudend:
Op 6 december 2024 op het [adres] in Leeuwarden heb ik aangever [slachtoffer 1] , terwijl hij op de grond lag, geschopt tussen zijn zij en zijn schouder.
-
Medeplegen & schoppen tegen het hoofd
De rechtbank is op grond van de inhoud van de bovengenoemde bewijsmiddelen van oordeel dat verdachte tezamen en in vereniging met de medeverdachte geweld heeft gepleegd tegen aangever. Dit geweld bestond mede uit schoppen tegen het hoofd. De rechtbank ziet, anders dan de raadsvrouw, geen redenen om te twijfelen aan de verklaringen van aangever, getuige [getuige 1] en getuige [getuige 2] . Bovendien past het door aangever beschreven letsel bij geweld gepleegd tegen het hoofd. Hoe vaak aangever is geschopt is echter onduidelijk gebleven. Op de camerabeelden is weliswaar te zien dat er een keer wordt geschopt, maar niet precies waar de schop aangever raakt. Er zouden meer schoppen uitgedeeld zijn volgens getuigen maar omdat de camera van stadstoezicht elke zoveel seconden draait en dus niet voortdurend gericht stond op de plek waar het geweld heeft plaatsgevonden, valt dat op basis van de beelden van die camera niet te verifiëren.
-
Opzet
De vervolgvraag die de rechtbank dient te beantwoorden is wat het door de twee verdachten gepleegde geweld juridisch oplevert. Ten laste gelegd is primair een poging tot doodslag en subsidiair een poging tot zware mishandeling.
De rechtbank is van oordeel dat geen sprake is van vol opzet op het doden van, dan wel het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel aan, aangever.
Van opzet kan in juridische zin echter ook sprake zijn wanneer bewust de aanmerkelijke kans op de dood van, dan wel het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel aan, het slachtoffer is aanvaard. Dat wordt voorwaardelijk opzet genoemd. Dat van voorwaardelijk opzet sprake is, is door de raadsvrouw van verdachte betwist.
-
Aanmerkelijke kans
De beantwoording van de vraag of een gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Daarbij komt betekenis toe aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Het zal in alle gevallen moeten gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten.
De rechtbank is van oordeel dat de aanmerkelijke kans op de dood van aangever niet wettig en overtuigend kan worden bewezen en overweegt daartoe als volgt. Hoewel op grond van bovengenoemde bewijsmiddelen kan worden bewezen dat aangever tegen zijn hoofd is geschopt, beschikt de rechtbank over onvoldoende overtuigend bewijs waaruit volgt hoe vaak en met name met welke kracht er tegen of richting het hoofd is geschopt. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat, als gezegd, op de beelden weliswaar een harde trap is te zien, maar dat de rechtbank daarvan niet kan vaststellen dat deze op het hoofd van het slachtoffer gericht was en/of het hoofd heeft geraakt. Dit maakt dat de rechtbank niet wettig en overtuigend kan bewijzen dat de verdachten met hun gedragingen een aanmerkelijke kans op de dood van aangever in het leven hebben geroepen. Dit betekent dat de rechtbank zal vrijspreken van poging tot doodslag, nu het (voorwaardelijk) opzet op de dood niet kan worden bewezen.
Wel is de rechtbank van oordeel dat de verdachten door zo te handelen een aanmerkelijke kans op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel in het leven hebben geroepen. Aangever is meermalen tegen zijn hoofd en lichaam (terwijl hij op de grond lag) geschopt en geslagen. Hierdoor bestond naar het oordeel van de rechtbank een aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel, zoals een (flinke) hersenschudding en botbreuken.
-
Bewuste aanvaarding
De rechtbank is verder van oordeel dat verdachte zich ook bewust moet zijn geweest van die aanmerkelijke kans op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel.
De vervolgvraag betreft dan of verdachte die aanmerkelijke kans ook bewust heeft
aanvaard. Uit de enkele omstandigheid dat verdachte zich bewust was van die aanmerkelijke kans op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel, kan namelijk niet zonder meer volgen dat hij die aanmerkelijke kans ook bewust heeft aanvaard. Er kan namelijk ook sprake zijn van bewuste schuld.
Bepaalde gedragingen kunnen echter naar hun uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zozeer gericht op een bepaald gevolg dat het behoudens contra-indicaties niet anders kan zijn dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans op het betreffende gevolg bewust heeft aanvaard.
De rechtbank is van oordeel dat verdachte de aanmerkelijke kans op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel bewust heeft aanvaard. Verdachte heeft bewust de gewelddadige confrontatie met aangever opgezocht door met de medeverdachte uit de auto te stappen, direct op aangever af te lopen en geweld te plegen. Daarnaast is verdachte, terwijl aangever op de grond lag en dus extra kwetsbaar was, doorgegaan met het plegen van geweld tegen aangever. Ook heeft verdachte meerdere geweldshandelingen gepleegd. De rechtbank is daarom van oordeel dat de gedragingen van verdachte naar hun uiterlijke verschijningsvorm kunnen worden aangemerkt als zozeer op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel gericht te zijn gericht dat het niet anders kan zijn dan dat verdachte de aanmerkelijke kans op het betreffende gevolg bewust heeft aanvaard.
De door de raadsvrouw aangedragen contra-indicatie, namelijk dat beide verdachten snel met het geweld gestopt zijn, maakt dit oordeel niet anders. Toen verdachte en de medeverdachte stopten met het plegen van geweld, was er immers al veel geweld tegen aangever gepleegd, dat het gevolg van zwaar lichamelijk letsel had kunnen laten intreden. Bovendien bleef verdachte, nadat aangever vluchtte, de confrontatie met aangever opzoeken door een schoen achter aangever aan te gooien. Anders gezegd, dat het geweld
stopte, had vooral met het weglopen van aangever te maken.
-
Conclusie
Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat verdachte bewust de aanmerkelijke kans op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel aan aangever heeft aanvaard. De rechtbank acht het medeplegen van een poging tot zware mishandeling dan ook wettig en overtuigend bewezen.
Feit 2
De rechtbank acht feit 2 subsidiair (mishandeling) wettig en overtuigend bewezen, zoals hierna opgenomen in de bewezenverklaring.
Nu verdachte dit feit duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend, volstaat de rechtbank met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering.
Deze opgave luidt als volgt:
de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 28 november 2025;
een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 7 december 2024, opgenomen op pagina 30 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend de verklaring van [slachtoffer 1] .
De rechtbank is met de officier van justitie en de raadsvrouw van oordeel dat niet overtuigend kan worden bewezen dat verdachte samen met een of meer anderen geweld tegen aangever heeft gepleegd. Dit betekent dat verdachte integraal van feit 2 primair en partieel van feit 2 subsidiair (ten aanzien van het medeplegen) zal worden vrijgesproken.
Feit 3
De rechtbank acht feit 3 wettig en overtuigend bewezen, zoals hierna opgenomen in de bewezenverklaring.
Nu verdachte dit feit duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend, volstaat de rechtbank met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering.
Deze opgave luidt als volgt:
de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 28 november 2025;
een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 27 januari 2025, opgenomen op pagina 206 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend de verklaring van verdachte [verdachte] ;
een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 20 december 2024, opgenomen op pagina 184 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend de verklaring van [slachtoffer 2] .
Bewezenverklaring
De rechtbank acht feit 1 subsidiair, feit 2 subsidiair en feit 3 wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:
1. subsidiair
hij op 6 december 2024 te Leeuwarden op [adres] , tezamen en in vereniging met een ander,
ter uitvoering van het door verdachte en zijn mededader voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer 1] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet tezamen en in vereniging met zijn mededader, die [slachtoffer 1] ,
- op de grond heeft gegooid,
- tegen het hoofd en een ander deel van het lichaam heeft geschopt en
- tegen het hoofd en een ander deel van het lichaam heeft geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
- subsidiair
hij op 6 december 2024 te Leeuwarden [slachtoffer 1] heeft mishandeld door die [slachtoffer 1] tegen het hoofd te slaan;
hij op 6 december 2024 te Leeuwarden [slachtoffer 2] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht,
immers heeft verdachte opzettelijk dreigend via een telefonische verbinding die [slachtoffer 2] in de Arabische taal de woorden vertaald in het Nederlands toegevoegd:
"Of ze komen vandaag om hun excuus aan mijn vader aan te bieden en mijn vader hun excuus kan aanvaarden, anders zweer ik op God dat als ze morgen de ochtend meemaken dan ben ik [bijnaam] niet. Zelfs God zal je niet redden van mij. Als ik je niet als een lijk, als een lijk terugstuur naar Syrië, dan ben ik [bijnaam] niet.".
Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Strafbaarheid van het bewezen verklaarde
Het bewezen verklaarde levert op:
subsidiair medeplegen van poging tot zware mishandeling;
subsidiair mishandeling;
bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht.
Deze feiten zijn strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.
Strafbaarheid van verdachte
De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.
Strafmotivering
Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van feit 1 primair, feit 2 subsidiair en feit 3 wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van 18 maanden waarvan 12 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren en de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden (met uitzondering van het locatieverbod) en met aftrek van het voorarrest. Daarnaast heeft de officier van justitie gevorderd om aan verdachte een contactverbod met aangever [slachtoffer 1] ex artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht (hierna: 38v-maatregel) op te leggen.
Standpunt van de verdediging
Voor het geval de rechtbank wel tot een bewezenverklaring van feit 1 zou komen, heeft de raadsvrouw bepleit een taakstraf in combinatie met een gevangenisstraf gelijk aan de duur van het voorarrest op te leggen. Daarbij heeft de raadsvrouw verzocht om in strafmatigende zin rekening te houden met het elektronisch toezicht dat verdachte in het kader van de schorsing van de voorlopige hechtenis gedurende zeven maanden heeft ondergaan. Ten aanzien van de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden heeft de raadsvrouw aangevoerd dat de voorwaarden van een contact- en locatieverbod en ambulante behandeling inmiddels achterhaald zijn.
Oordeel van de rechtbank
Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek ter terechtzitting en het reclasseringsadvies van VNN
d.d. 16 april 2025, het uittreksel uit de justitiële documentatie d.d. 11 november 2025, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de verdediging.
De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
Ernst van de feiten
Verdachte heeft zich op één dag schuldig gemaakt aan het medeplegen van een poging tot zware mishandeling en een mishandeling tegen een slachtoffer en een bedreiging van een ander slachtoffer. Volgens verdachte is de aanleiding gelegen in de pesterijen en het ongepaste gedrag van de slachtoffers jegens de ouders van verdachte. De twee slachtoffers zijn vrienden van elkaar en zaten bij de ouders van verdachte op school.
Verdachte heeft pijn, letsel en schade bij het slachtoffer van de mishandelingen veroorzaakt. Verdachte heeft met zijn handelen een inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer. Gezien de omstandigheden waaronder het geweld is gepleegd, kan de rechtbank zich voorstellen dat dit zeer beangstigend voor het slachtoffer moet zijn geweest. In beide situaties was het slachtoffer alleen, terwijl verdachte zijn vrienden om zich heen had, waarbij één van zijn vrienden ook heeft meegedaan aan het geweld. Daar komt bij dat deze feiten gevoelens van angst en onveiligheid in de samenleving veroorzaken, omdat de feiten op de openbare weg, in het centrum van Leeuwarden, zijn gepleegd. Veel mensen hebben het zien gebeuren. In de tijd tussen de twee mishandelingen heeft verdachte de vriend van voornoemd slachtoffer bedreigd. Ook dit is kwalijk en beangstigend.
De rechtbank rekent het verdachte aan dat hij een conflict -dat niet eens het zijne was- op een agressieve, bedreigende en gewelddadige manier heeft geprobeerd op te lossen.
Persoonlijke omstandigheden
De reclassering heeft het volgende over verdachte gerapporteerd, zakelijk weergegeven. Verdachte is een Syrische vluchteling en verblijft sinds zes jaar in Nederland. Hij woont alleen in een huurwoning in [plaats] en is sinds twee jaar herenigd met zijn ouders en zusje, die ook in [plaats] wonen. Verdachte volgt een MBO opleiding tot [beroep] aan [college] en is op zoek naar werk. Verdachte ontvangt studiefinanciering, maar kan hiervan moeilijk rondkomen. Verdachte houdt zich aan de schorsingsvoorwaarden en stelt zich meewerkend op. Hij heeft de intakefase bij GGZ Friesland doorlopen. Het risico op recidive wordt ingeschat als gemiddeld. Het risico op onttrekken aan voorwaarden wordt ingeschat als laag. De reclassering heeft de indruk dat er sprake is van agressieregulatie-problematiek. Bij een veroordeling adviseert de reclassering een (deels) voorwaardelijke straf met de volgende bijzondere voorwaarden: 1) meldplicht, 2) ambulante behandeling, 3 en 4) contactverbod met en een locatieverbod voor het adres van het slachtoffer [slachtoffer 1] . Oplegging van een gevangenisstraf zou kunnen leiden tot instabiliteit op de leefgebieden huisvesting, dagbesteding en de financiën. Daarnaast zou een gevangenisstraf het lopende hulpverleningstraject doorkruisen, wat door de reclassering niet als wenselijk wordt geacht.
Ter terechtzitting heeft verdachte aangegeven te zijn gestopt met voornoemde opleiding en een opleiding tot rijinstructeur te willen gaan volgen. Aangezien dit een dure opleiding is, is hij op dit moment veel aan het werk om deze opleiding te kunnen bekostigen. Hij wil zich aan de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden houden.
Ter terechtzitting heeft de officier van justitie een bericht van de reclassering d.d. 28 november 2025 medegedeeld, inhoudende dat de schorsing van de voorlopige hechtenis tot op heden moeizaam verloopt.
Straf
Anders dan de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat geen langere onvoorwaardelijke gevangenisstraf dan de duur van het voorarrest van 27 dagen moet volgen. De rechtbank komt immers tot een andere, lichtere, bewezenverklaring van feit 1 dan de officier van justitie. Daarnaast zal een gevangenisstraf het lopende hulpverleningstraject doorkruisen, wat de rechtbank, net als de reclassering, niet wenselijk vindt. Ook houdt de rechtbank rekening met de relatief jonge leeftijd van verdachte en het elektronische toezicht dat in het kader van de schorsing van de voorlopige hechtenis zeven maanden heeft geduurd.
De rechtbank is van oordeel dat daarnaast ook een voorwaardelijke gevangenisstraf moet volgen. Dit is enerzijds ingegeven door de omstandigheid dat de reclassering het recidiverisico inschat als gemiddeld en de indruk heeft dat sprake is van agressieregulatie-problematiek. Daarvoor is een ambulante behandeling nodig, die in het kader van de schorsing van de voorlopige hechtenis is opgestart maar nog niet is voltooid. Anderzijds is dit oordeel ingegeven door de omstandigheid dat het onderliggende conflict tussen verdachte en zijn ouders aan de ene kant en de slachtoffers en hun naasten aan de andere kant nog altijd niet opgelost lijkt te zijn. Om te voorkomen dat verdachte opnieuw strafbare feiten (in relatie tot de slachtoffers en/of hun naasten) pleegt, vindt de rechtbank het passend en geboden om een voorwaardelijke gevangenisstraf met de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden, met uitzondering van het locatieverbod, op te leggen. Hoewel uit het meest recente bericht van de reclassering blijkt dat het traject moeizaam verloopt, heeft de rechtbank toch vertrouwen in het continueren van
reclasseringstoezicht, omdat verdachte ter terechtzitting heeft aangegeven dat hij nog altijd wil meewerken aan de voorwaarden.
De rechtbank acht, alles afwegende, een gevangenisstraf van 90 dagen waarvan 63 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren en na te noemen bijzondere voorwaarden, met aftrek van het voorarrest, passend en geboden.
Tot slot vindt de rechtbank dat verdachte nog wel een directe consequentie van zijn gedrag moet ondervinden. De rechtbank zal dit doen in de vorm van een onvoorwaardelijke taakstraf. Alles afwegende vindt de rechtbank een taakstraf van 160 uren passend en geboden.
Voor de oplegging van de 38v-maatregel, zoals gevorderd door de officier van justitie, ziet de rechtbank geen aanleiding.
Benadeelde partij
De volgende personen hebben zich als benadeelde partij in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding:
1. [slachtoffer 1] , tot een bedrag van 1.000,00 ter vergoeding van immateriële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan;
2. [ [slachtoffer 2] , tot een bedrag van 350,00 ter vergoeding van immateriële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd om beide vorderingen tot schadevergoeding toe te wijzen, vermeerderd met de wettelijke rente, en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft verzocht om de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] toe te wijzen tot een bedrag van 500,00. Ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2] heeft de raadsvrouw verzocht om de vordering af te wijzen dan wel niet-ontvankelijk te verklaren, omdat onvoldoende is onderbouwd dat sprake is van een aantasting in de persoon zoals bedoeld in artikel 6:106 onder b van het Burgerlijk Wetboek (BW).
Oordeel van de rechtbank
Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1]
Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk dat de benadeelde partij [slachtoffer 1] de gestelde schade heeft geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het onder 1 subsidiair en 2 subsidiair bewezen verklaarde. De vordering, waarvan de hoogte onvoldoende door verdachte is betwist, zal daarom worden toegewezen, vermeerderd met wettelijke rente vanaf 6 december 2024.
Nu de aansprakelijkheid van verdachte vaststaat, zal de rechtbank de schadevergoedingsmaatregel opleggen om te bevorderen dat verdachte de schade zal vergoeden.
De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.
Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2]
De benadeelde partij [slachtoffer 2] heeft vergoeding van immateriële schade gevorderd. Indien geen sprake is van lichamelijk letsel, zoals in dit geval, kan op grond van artikel 6:106 onder b BW slechts een vergoeding voor immateriële schade worden toegekend indien de benadeelde partij in zijn eer of goede naam is geschaad of op andere wijze in zijn persoon is aangetast.
Geestelijk letsel kan pas worden aangemerkt als aantasting van de persoon, indien de psychische gevolgen voldoende ernstig zijn. Gevoelens van angst en schrik vormen nog geen aantasting van de persoon als bedoeld in artikel 6:106 BW. Ernstige psychische schade, als hiervoor bedoeld, is door de benadeelde partij niet aangevoerd.
De rechtbank is van oordeel dat het in dit geval niet zo is dat de aard en ernst van de normschending meebrengen dat nadelige gevolgen zo voor de hand liggen, dat zonder nadere onderbouwing aantasting in de persoon kan worden aangenomen.
De rechtbank is van oordeel dat de vordering onvoldoende is onderbouwd en dat aanhouding van de zaak om dit te herstellen een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert.
De rechtbank zal dan ook bepalen dat de vordering in het geheel niet-ontvankelijk is en dat de benadeelde partij [slachtoffer 2] zijn vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.
Vordering na voorwaardelijke veroordeling
Bij onherroepelijk vonnis van 24 maart 2023 van politierechter in de rechtbank Noord-Nederland te Leeuwarden is verdachte veroordeeld tot een geldboete van 250 euro, waarvan 125 euro voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren. De proeftijd is ingegaan op 7 april 2023. Daarbij is als algemene voorwaarde gesteld dat veroordeelde voor het einde van de proeftijd geen strafbare feiten zal plegen.
De officier van justitie heeft bij vordering van 11 november 2025 de tenuitvoerlegging gevorderd van de voorwaardelijke straf. De verdediging heeft geen verweer gevoerd.
Nu veroordeelde de bewezenverklaarde feiten heeft begaan voor het einde van de proeftijd, zal de rechtbank de tenuitvoerlegging gelasten van deze voorwaardelijke straf.
Toepassing van wetsartikelen
De rechtbank heeft gelet op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36f, 45, 47, 57, 285, 300 en 302 van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak gelden.
Uitspraak
De rechtbank
Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte het onder 1 primair en 2 primair is ten laste gelegd en spreekt verdachte daarvan vrij.
Verklaart het onder 1 subsidiair, 2 subsidiair en 3 ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.
Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.
Veroordeelt verdachte tot:
een gevangenisstraf voor de duur van 90 dagen.
Bepaalt dat van deze gevangenisstraf
een gedeelte, groot 63 dagen, nietzal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond, dat de veroordeelde voor het einde van of gedurende de proeftijd, die hierbij wordt vastgesteld op
drie jaren, de hierna te noemen voorwaarden niet heeft nageleefd.
Beveelt dat de tijd die de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf, geheel in mindering zal worden gebracht.
Voorwaarde is, dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig zal maken aan een strafbaar feit.
Stelt als bijzondere voorwaarden:
1. dat veroordeelde zich binnen vijf dagen na het ingaan van de proeftijd meldt bij de reclassering van Verslavingszorg Noord Nederland op het adres [adres] . Verdachte blijft zich melden op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt;
2. dat veroordeelde zich, zolang de reclassering dit nodig vindt, ambulant laat behandelen door Polikliniek Forensische Psychiatrie van GGZ Friesland of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering. Veroordeelde houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling;
3. dat veroordeelde op geen enkele wijze - direct of indirect - contact heeft of zoekt met het slachtoffer [slachtoffer 1] , geboren op [geboortedatum] 1995, zolang het Openbaar Ministerie dit verbod nodig vindt en met uitzondering van eventueel contact tussen een bemiddelaar/mediator/Perspectief Herstelbemiddeling.
Geeft aan voornoemde reclasseringsinstelling de opdracht als bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden 1 en 2 en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.
Voorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde gedurende de proeftijd:
- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;
- medewerking zal verlenen aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht, daaronder begrepen.
Een taakstraf voor de duur van 160 uren.
Beveelt dat voor het geval de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis voor de duur van 80 dagen zal worden toegepast.