ECLI:NL:RBNNE:2025:5154

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
15 december 2025
Publicatiedatum
15 december 2025
Zaaknummer
LEE 25/5115
Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorlopige voorziening tegen omgevingsvergunning voor het vellen van bomen en herontwikkeling van het Hoefijzerterrein in Groningen

In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter van de Rechtbank Noord-Nederland op het verzoek om een voorlopige voorziening tegen de omgevingsvergunning voor het oprichten van 139 zelfstandige woningen op het voormalige Hoefijzerterrein in de wijk Helpman, Groningen. De omgevingsvergunning betreft onder andere het vellen van bomen en houtopstanden. De voorzieningenrechter overweegt dat de gronden die door de verzoeksters zijn ingediend deels buiten de beroepstermijn zijn ingediend en daarom buiten beschouwing worden gelaten. Ondanks het niet actualiseren van de bomen-effect-analyse (BEA) heeft het college de BEA aan het bestreden besluit ten grondslag mogen leggen. De voorzieningenrechter concludeert dat de belangen van het behoud van het groen voldoende in kaart zijn gebracht en afgewogen tegen de belangen van woningbouw, die als dringende reden wordt aangemerkt. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af, waardoor de vergunninghoudster gebruik mag maken van de verleende omgevingsvergunning voor de kapactiviteiten. De uitspraak is openbaar uitgesproken op 15 december 2025.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Bestuursrecht
locatie Groningen
zaaknummer: LEE 25/5115
uitspraak van de voorzieningenrechter van 15 december 2025 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen
1. [verzoeker]uit [plaats], verzoeker sub 1.,
2. [verzoekster]uit [plaats], verzoekster sub 2.,
3. [verzoekster]uit [plaats], verzoekster sub 3.,
4. [verzoekster]uit [plaats], verzoeksters sub 4.,
5. [verzoekster]uit [plaats], verzoekster sub 5.,
6. [verzoekster]uit [plaats], verzoekster sub 6.,
7. [verzoekster]uit [plaats], verzoekster sub 7.,
hierna gezamenlijk te noemen: verzoeksters,
(gemachtigde: mr. P.M.J. de Goede),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Groningen, het college,
(gemachtigden: mr. R.R. van Houdt en G. Demandt).
Als
derde-partijneemt aan het geding deel: [vergunninghoudster], gevestigd in [plaats], vergunninghoudster,
(gemachtigde: mr. R. Snel).
Inleiding
1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening tegen de omgevingsvergunning voor het oprichten van 139 zelfstandige woningen met een herinrichting van de buitenruimte inclusief het realiseren van een uitweg, archeologische begeleiding en het vellen van houtopstanden en compensatie van bomen en groen op het perceel aan [adres] (het perceel) in [plaats].
1.1. Het college heeft deze omgevingsvergunning op 12 mei 2025 verleend. Verzoekers hebben hiertegen beroep ingesteld [1] en de voorzieningenrechter gevraagd de werking van de verleende omgevingsvergunning te schorsen tot in ieder geval zes weken na de uitspraak in beroep. [2]
1.2. Het college heeft op het verzoek gereageerd met een verweerschrift.
1.3. De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 8 december 2025 op zitting behandeld. Verzoekster sub 2., verzoekster sub 3. en verzoekster sub 7. zijn in persoon verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden en A. van der Hilst. Vergunninghoudster heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde, [naam] en [naam]
Beoordeling door de voorzieningenrechter
2. De voorzieningenrechter beoordeelt de verleende omgevingsvergunning aan de hand van de gronden die verzoeksters hebben aangevoerd.
3. De voorzieningenrechter is van oordeel dat het verzoek om voorlopige voorziening moet worden afgewezen. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
3.1. De voor de beoordeling van het verzoek belangrijke wet- en regelgeving is te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.
Feiten en omstandigheden
4. De voorzieningenrechter gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.
4.1. Osaka Boomadvies heeft op 20 december 2023 een Bomen Effect Analyse (BEA) “Locatie Hoefijzerfabriek Groningen” opgesteld.
4.2. Vergunninghoudster heeft op 22 december 2023 een aanvraag om omgevingsvergunning voor het voor het oprichten van 139 zelfstandige woningen met een herinrichting van het buitenruimte inclusief het realiseren van een uitweg, archeologische begeleiding en het vellen van houtopstanden en compensatie van bomen en groen op het perceel in Groningen bij het college ingediend.
4.3. BugelHajema heeft op 3 juli 2024 een ruimtelijke onderbouwing voor het project “omgevingsvergunning Hoefijzerlocatie Groningen” opgesteld.
4.4. Het college heeft een ontwerpbesluit tot het verlenen van de gevraagde omgevingsvergunning genomen. Het college heeft het ontwerpbesluit ter inzage gelegd vanaf 10 juli 2024. Daarbij is een ieder in de gelegenheid gesteld om een zienswijze in te dienen.
4.5. Verzoeksters hebben een zienswijze, gericht tegen het ontwerpbesluit, bij het college ingediend.
4.6. Het college heeft een nota van zienswijzen opgesteld.
4.7. Het college heeft bij het bestreden besluit een omgevingsvergunning verleend aan vergunninghoudster voor het oprichten van 139 zelfstandige woningen met een herinrichting van de buitenruimte inclusief het realiseren van een uitweg, archeologische begeleiding en het vellen van houtopstanden en compensatie van bomen en groen op het perceel in Groningen.
4.8. Vergunninghoudster heeft bij brief van 19 november 2025 medegedeeld in de eerste helft van december (2025) te starten met het kappen van bomen op het terrein van de voormalige Hoefijzerfabriek.
Is er sprake van een spoedeisend belang?
5. Een verzoek om voorlopige voorziening kan alleen worden toegewezen als onverwijlde spoed dat vereist. Aangezien vergunninghoudster op korte termijn gebruik wil maken van de aan haar verleende omgevingsvergunning voor kapactiviteiten, acht de voorzieningenrechter het spoedeisende belang aan de zijde van verzoeksters gegeven.
Welk recht is van toepassing?
6. Per 1 januari 2024 is de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) ingetrokken en is de Omgevingswet (Ow) in werking getreden. Omdat de aanvraag om omgevingsvergunning voor die datum bij het college is ingediend, is de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) met de onderliggende regelingen van toepassing. Dit volgt uit het overgangsrecht. [3]
Bevoegdheid tot kortsluiten
7. Omdat het verzoek om voorlopige voorziening uitsluitend betrekking heeft op de activiteit vellen en de verleende omgevingsvergunning ook ziet op andere activiteiten (bouwen, strijdig gebruik, aanleggen en het realiseren van een uitweg), bestaat er geen aanleiding om onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.
7.1. Dit betekent dat in dit geval uitsluitend uitspraak zal worden gedaan op het verzoek om voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter zal daarom een voorlopige beoordeling van de rechtmatigheid van het bestreden besluit geven en zal met inachtneming daarvan een oordeel geven over de vraag of het verzoek, gelet op de betrokken belangen, kan worden toegewezen.
Het geschil
8. Tussen partijen is in geschil of het college een omgevingsvergunning voor het vellen van bomen en houtopstanden op het perceel in Groningen heeft kunnen verlenen. Daarover overweegt de voorzieningenrechter als volgt.
Omvang van het geding
9. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter valt het door verzoeksters bij brief van 10 december 2025 bij het college van gedeputeerde staten van de provincie Groningen ingediende handhavingsverzoek met betrekking tot overtreding van de Wet natuurbescherming (Wnb) buiten de omvang van dit geding, zoals ter zitting ook is besproken. In deze procedure gaat het alleen om het verzoek om voorlopige voorziening tegen de omgevingsvergunning voor het vellen van negen bomen en houtopstand. Dat is door verzoeksters niet betwist.
Crisis- en herstelwet
10. De voorzieningenrechter stelt vast dat de Crisis- en herstelwet (Chw) van toepassing is op het bestreden besluit van 12 mei 2025. Dit brengt met zich dat op grond van artikel 1.6a van de Chw na afloop van de termijn voor het instellen van beroep geen beroepsgronden meer kunnen worden aangevoerd. Verder stelt de voorzieningenrechter vast dat het verzoek om voorlopige voorziening en de aanvulling van de gronden van dit verzoek buiten de beroepstermijn zijn ingediend.
10.1. Uit artikel 1.6a van de Chw volgt dat buiten de beroepstermijn er wel sprake mag zijn van de aanvulling van de al in beroep genoemde gronden, maar niet van een uitbreiding met nieuwe gronden. De voorzieningenrechter leidt uit dit artikel af dat het vermelden van nieuwe beroepsgronden in het verzoek om voorlopige voorziening of de aanvulling daarvan buiten de beroepstermijn in dit geval aan verzoeksters kan worden tegengeworpen. [4]
10.2. Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter kunnen de door verzoeksters in de aanvulling van het verzoekschrift weergegeven gronden ten aanzien van de plantvakken A, C en D en het ontbreken van een boombeschermingsplan niet (meer) beschouwd worden als een aanvulling op de algemeen omschreven beroepsgrond over de actualisering van de bomeneffectanalyse. Dit betekent dat deze gronden, gelet op
artikel 1.6a van de Chw, door de voorzieningenrechter buiten beschouwing worden gelaten.
Aan welke regels moet de omgevingsvergunning worden getoetst?
11. Op grond van artikel 2.2, eerste lid, aanhef en onder g, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) in samenhang met artikel 4:9 van de Algemene Plaatselijke Verordening Groningen (APVG) is een omgevingsvergunning vereist voor het vellen van houtopstanden. Het toetsingskader voor een vergunning voor het vellen van houtopstanden is opgenomen in artikel 4:11 van de APVG. Op grond van dit artikel verleent het college in beginsel geen vergunningen anders dan na een zorgvuldige belangenafweging op basis van minimaal een van de criteria “waardering”, “overlast”, “kwaliteit” en “dringende redenen.” Deze criteria zijn uitgewerkt in de ‘Beleidsregels APVG Behoud van groen: kap en herplant 2022’ (hierna: de Beleidsregels).
11.1. Artikel 4:11 van de APVG verlangt slechts dat tenminste een van de criteria in de belangenafweging wordt meegenomen. Het college heeft de aanvraag getoetst aan het criterium ‘dringende reden’ en hoefde in het bestreden besluit niet in te gaan op de andere criteria.
Is er sprake van een ‘dringende reden’ als bedoeld in de Beleidsregels?
12. In het bestreden besluit is vermeld dat het verlenen van de omgevingsvergunning voor het realiseren van 139 zelfstandige woningen met een herinrichting van de buitenruimte inclusief het realiseren van een uitweg een ruimtelijke ontwikkeling is die als dringende reden in de zin van de Beleidsregels kan worden aangemerkt. De voorzieningenrechter stelt vast dat tussen partijen niet in geschil is dat het college zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat sprake is van een ‘dringende reden’ als bedoeld in de Beleidsregels.
Voldoet de BEA aan de daarvoor geldende vereisten?
13. Verzoeksters betogen dat de opgestelde BEA niet meer actueel is. Zij voeren aan dat monumentale bomen ten onrechte worden verwijderd en dat bomen die ten tijde van het opstellen van de BEA nog niet (potentieel) monumentaal waren dat nadien wel zijn geworden. Het gaat daarbij om de bomen GH-002, GH-024, GH 072, GH-078, GH-080. Ook wijzen verzoeksters op bomen die vóór de uitspraak in de bodemzaak dan wel in de periode 2028 - 2030 uitgroeien tot (potentieel) monumentale bomen. Die omstandigheid is ten onrechte niet betrokken in de BEA. Wat betreft boom GH-026 voeren verzoeksters aan dat conditie van de boom niet goed is beoordeeld; uit de eigen waarneming van verzoeksters De Valk en Arends blijkt dat de kwaliteit en conditie van de boom bijzonder goed is. Verzoeksters betogen dat er gelet op het voorgaande geen bomen gekapt kunnen worden voordat de actualisatie van de BEA heeft plaatsgevonden. Dat is immers een onomkeerbare handeling en de juridische juistheid van de toestemming om bomen te kappen moet volgens verzoeksters daarom buiten kijf staan.
13.2. Het college stelt zich op het standpunt er geen noodzaak bestond om de BEA te actualiseren. Volgens het college heeft slechts één boom ten tijde van het bestreden besluit een monumentale status gekregen, boom nummer GH-002. Die was ten tijde van het opstellen van de BEA 48 jaar oud en had de status potentieel monumentaal. Die boom zou nu de status monumentaal krijgen. Volgens het college heeft dat echter geen gevolgen voor het besluit. Niet alleen werd reeds voldaan aan de vereisten dat het college de BEA moest vaststellen en de Raad geïnformeerd moest worden, ook was de reeds opgelegde herplantplicht ruim voldoende voor de situatie waarbij de leeftijd van de bomen wordt aangehouden op het moment van het bestreden besluit.
13.3. Vergunninghoudster voert aan dat - met uitzondering van boom GH-002 - de overige door verzoeksters genoemde bomen niet geveld worden, zodat actualisatie van de BEA wat die bomen betreft niet noodzakelijk is. Verder wordt aangevoerd dat het 1,5 jaar ouder zijn van de bomen geen relevant gewicht in de schaal legt wat betreft de belangenafweging. Vergunninghoudster wijst daarbij op paragraaf 7.6 van de BEA waarin de kansen en knelpunten zijn uiteengezet.
14. De voorzieningenrechter overweegt als volgt. De voorzieningenrechter stelt vast dat uit de BEA volgt dat in het onderzochte projectgebied 12 monumentale en vier potentieel monumentale bomen aanwezig zijn. Uit de verleende omgevingsvergunning blijkt dat negen bomen, waarvan drie monumentaal en vier potentieel monumentaal alsmede 736 m2 houtopstand geveld worden.
14.1. Op grond van artikel 2, negende lid, van de Beleidsregels moet de aanvrager van een omgevingsvergunning bij een ruimtelijke ontwikkeling een vastgestelde BEA voegen zoals opgesteld volgens de richtlijn BEA, opgesteld door de landelijke Bomenstichting en CROW. Omdat er sprake is van het vellen van monumentale bomen en een deel van de compensatie financieel wordt gedaan, moet het college de BEA vaststellen.
14.2. Een bestuursorgaan mag op het advies van een deskundige afgaan, nadat het is nagegaan of dit advies op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen, de redenering daarin begrijpelijk is en de getrokken conclusies daarop aansluiten. Als een partij concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de zorgvuldigheid van de totstandkoming van het advies, de begrijpelijkheid van de in het advies gevolgde redenering of het aansluiten van de conclusies daarop naar voren heeft gebracht, mag het bestuursorgaan niet zonder nadere motivering op het advies van de door hem geraadpleegde deskundige afgaan.
14.3. Verzoeksters hebben geen contra-expertise overgelegd en naar het oordeel van de voorzieningenrechter ook geen concrete aanknopingspunten naar voren gebracht op grond waarvan getwijfeld zou moeten worden aan de zorgvuldigheid, begrijpelijkheid of conclusies van de BEA op dit punt.
14.3.1. De voorzieningenrechter stelt vast dat de bomen GH-024, GH 072, GH-078, GH-080 waar verzoeksters naar verwijzen niet worden gekapt, zodat het college zich wat betreft deze bomen heeft kunnen baseren op de BEA. Dat is door verzoeksters ook erkend. Aangezien de voorzieningenrechter het bestreden besluit ex tunc moet toetsen, zal de voorzieningenrechter niet ingaan op de stelling van verzoeksters ten aanzien van bomen die na het bestreden besluit tot en met 2030 potentieel monumentaal zouden kunnen worden.
14.3.2. In de enkele stelling dat verzoeksters op basis van eigen waarneming hebben geconstateerd dat boom GH-026 geen slechte conditie heeft, heeft het college naar het oordeel van de voorzieningenrechter geen aanknopingspunten hoeven zien om te twijfelen aan de juistheid van de BEA.
14.3.3. Wat betreft boom GH-002 heeft het college erkend dat deze boom door tijdsverloop monumentaal was ten tijde van het bestreden besluit. Met het college is de voorzieningenrechter van oordeel dat het college zich toch op de BEA heeft kunnen baseren voor wat betreft deze boom. De voorzieningenrechter acht van belang dat het toetsingskader voor het vellen van een potentieel monumentale en een monumentale boom hetzelfde is. Dat is niet in geschil. De voorzieningenrechter acht verder van belang dat het college zich gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat de belangenafweging niet anders zou zijn uitgevallen als de boom als monumentaal zou zijn aangemerkt. Daarbij verwijst het college naar het alternatievenonderzoek uit de BEA. Verder stelt het college dat de opgelegde herplantplicht voldoende is voor de situatie waarbij de leeftijd van de boom wordt aangehouden ten tijde van de besluitvorming. Het voorgaande is door verzoeksters niet gemotiveerd bestreden. Gelet hierop heeft het college zich naar het oordeel van de voorzieningenrechter op het standpunt kunnen stellen dat het verlangen van een geactualiseerde BEA geen verschil had gemaakt voor deze boom.
14.4. Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter heeft het college bij het verlenen van het bestreden besluit mogen uitgaan van de overgelegde BEA. Deze grond van verzoeksters slaagt niet.
Zijn de belangen bij behoud van de bomen en de houtopstand voldoende betrokken?
15. Verzoeksters betogen dat de te kappen bomen een belangrijk onderdeel uitmaken van hun woon- en leefklimaat. In dit verband voeren verzoeksters aan dat de aanwezige bomen de visuele kwaliteit van hun woon- en leefomgeving versterken en voor privacy zorgen. Er zou sprake zijn van het eenzijdig positioneren van groen. Bovendien gaat het om monumentale bomen die in de visie van verzoeksters niet gekapt mogen worden en om bomen die ten onrechte (nog) niet als monumentaal zijn aangeduid. Het belang van vergunninghoudster om nu al te beginnen met kapwerkzaamheden is in de visie van verzoeksters dan ook gering en staan zeker niet in verhouding tot de nadelige gevolgen daarvan voor hen.
15.1. Het college stelt zich op het standpunt dat in het bestreden besluit is aangegeven dat de bomen en houtopstand zichtbaar zijn vanaf de openbare weg en daardoor een bijdrage leveren aan de beleving van de openbare ruimte, zodat er sprake is van een esthetische waarde. Er heeft een belangenafweging plaatsgevonden tussen realisatie van 139 woningen conform de daarvoor opgestelde stedenbouwkundige uitgangspunten en het behoud van de bomen en houtopstand. Gelet op de dringende reden meent het college dat ondanks de waarde van de bomen en houtopstand het verwijderingsbelang prevaleert. Daarbij merkt het college op dat er (netto) geen sprake is van verdwijning van groen in Helpman-Noord. Wel is er hier en daar sprake van verschuiving van het groen van de rand van een bouwblok naar het midden. Dat geldt ook voor de Helper Westsingel en de Helper Molenstraat. Daarnaast heeft het college ook gekeken naar de aspecten uitzicht en privacy. In de zienswijzennota is verschillende onderdelen op ingegaan. Er is sprake van een stedelijke omgeving waarbij enige inkijk en beperking van privacy inherent is. Een woonsituatie met vrij uitzicht (of in dit geval: ongewijzigd uitzicht op de bestaande situatie) kan niet worden gegarandeerd. Het college heeft deze belangen van de omwonenden afgewogen tegen het belang van het realiseren van woningbouw op deze locatie. Volgens het college is de toename in aantasting van privacy of inkijk bij een beperkt aantal bewoners niet zodanig onevenredig dat om die reden de gevraagde omgevingsvergunning niet kon worden verleend.
15.1.1. Ter zitting heeft de gemachtigde van het college toegelicht dat dat het belang bij het behoud van groen is verweven in de Beleidsregels die uitgaan van een ‘nee-tenzij’-principe, hetgeen inhoudt dat een vergunning voor het vellen niet wordt verleend, tenzij zich één of meer omstandigheden voordoen. Verder heeft de gemachtigde van het college ter zitting naar voren gebracht dat in de BEA de groenbelangen adequaat en zorgvuldig in beeld zijn gebracht en afgewogen tegen de belangen van de ruimtelijke ontwikkeling. Daardoor is de dringende reden verkregen voor het verlenen van de omgevingsvergunning voor de activiteit vellen van een boom.
16. De voorzieningenrechter overweegt als volgt. Op grond van artikel 2 van de Beleidsregels, toetst het college een aanvraag om een omgevingsvergunning op het belang voor het behoud van de houtopstand en op het belang voor het verwijderen van de houtopstand.
16.1. Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter blijkt uit het bestreden besluit en daarvan deel uitmakende onderliggende stukken, voldoende dat de belangen voor het behoud van de monumentale- en potentieel monumentale bomen en de houtopstand zijn betrokken bij de besluitvorming.
16.1.1. Hierbij neemt de voorzieningenrechter in aanmerking dat het college bij de besluitvorming heeft betrokken dat het - mede ten behoeve van de omwonenden - inpassen en zoveel mogelijk behouden van de monumentale bomen in de plannen is onderzocht. Dit resulteerde in het grotendeels behoud van de groenstrook aan de Helpermolenstraat. Dit is gerealiseerd door het woonblok aan de Helpermolenstraat richting het groene middengebied te schuiven. Op deze manier is er meer ruimte gecreëerd voor de groenstrook met bomen aan de Helpermolenstraat, met instandhouding van het groene middengebied met Wadi. Gelet op de bevindingen en de conclusies van de BEA dat het (verder) behouden blijven van de monumentale- en potentieel monumentale bomen zal leiden tot een serieuze aanpassing van het bouwplan in afwijking van de stedenbouwkundige uitgangspunten en het verplanten van deze bomen in verband met het oppervlakkige wortelpakket en de aanwezigheid van kabels en leidingen niet een deugdelijk alternatief is, heeft het college zich op het standpunt kunnen stellen dat de belangen van het behoud van de monumentale- en potentieel monumentale bomen alsmede de houtopstand minder zwaar wegen dan de belangen bij het verwijderen van deze bomen en houtopstand.
16.1.2. Van de door het college verrichte belangenafweging kan naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter niet gezegd worden dat die onredelijk is. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft het college in de belangenafweging zwaar gewicht mogen toekennen aan het belang van de herontwikkeling van het Hoefijzerterrein in het licht van de op de gemeente Groningen rustende woningbouwopgave en het tegengaan van woningnood in de stad Groningen in zijn algemeenheid. Gelet hierop heeft het college niet het door verzoeksters veronderstelde gewicht van de belangen bij het behoud van de monumentale- en potentieel monumentale bomen in verband met hun woon- en leefklimaat hoeven laten prevaleren boven de belangen bij verwijdering van deze bomen. Deze grond van verzoeksters slaagt niet.
Conclusie en gevolgen
17. Gelet op de voorgaande overwegingen bestaat er geen aanleiding een voorlopige voorziening te treffen. Dit betekent dat vergunninghoudster gebruik mag maken van de verleende omgevingsvergunning voor de kapactiviteit en velwerkzaamheden kan verrichten.
18. Voor een proceskostenveroordeling ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding.
Beslissing
De voorzieningenrechter:
- wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.S. van den Berg, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. H.L.A. van Kats als griffier.
De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 15 december 2025.
griffier voorzieningenrechter
Afschrift verzonden op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Bijlage

Artikel 8:81
1. Indien tegen een besluit bij de bestuursrechter beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de bestuursrechter, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de bestuursrechter op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
(…).
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht
Artikel 2.2
1. Voor zover ingevolge een bepaling in een provinciale of gemeentelijke verordening een vergunning of ontheffing is vereist om:
(…),
g. houtopstand te vellen of te doen vellen,
(…),
geldt een zodanige bepaling als een verbod om een project voor zover dat geheel of gedeeltelijk uit die activiteiten bestaat, uit te voeren zonder omgevingsvergunning.
Algemene plaatselijke verordening Groningen 2021
Artikel 4:8 Begripsomschrijvingen
1. In deze afdeling wordt verstaan onder:
a. boom: Een houtachtig, overblijvend gewas. Deze is vergunningplichtig indien de boom een dwarsdoorsnede van de stam heeft van minimaal 20 centimeter op
1,3 meter hoogte boven het maaiveld. In geval van meerstammigheid geldt de dwarsdoorsnede van de dikste stam
b. hakhout: Eén of meer bomen of boomvormers, die na te zijn geveld, opnieuw op de stronk uitlopen;
c. houtopstand: één of meer bomen, hakhout of een beplantingsvak van bosplantsoen van meer dan >100m² met een natuurlijke groeihoogte van meer dan twee meter.
Artikel 4:9 Velverbod
1. Het is verboden zonder vergunning van het bevoegd gezag een houtopstand te vellen of te doen vellen.
Artikel 4:11 Beslissing op aanvraag
1. Het bevoegd gezag verleent in beginsel geen velvergunningen anders dan na een zorgvuldige belangenafweging op basis van minimaal één van de criteria “waardering”, “overlast”, “kwaliteit” en “dringende redenen”. De aanvrager dient duidelijk te maken waarom naar zijn mening de vergunning noodzakelijk is.
2. Het college stelt met betrekking tot de in het vorige lid genoemde criteria en de te maken afweging beleidsregels vast.
Artikel 4:14 Herplant/instandhoudingsplicht
1. Indien een houtopstand, waarop het verbod tot vellen als bedoeld in deze afdeling van toepassing is, zonder vergunning van het bevoegd gezag is geveld, dan wel op andere wijze teniet is gegaan, kan het bevoegd gezag aan de zakelijk gerechtigde van de grond, waarop de houtopstand bevond, dan wel aan degene, die uit andere hoofde tot het treffen van voorzieningen bevoegd is, de verplichting op te leggen tot herbeplant over te gaan. De voorschriften als genoemd in artikel 4:9 vierde, vijfde en zesde zijn hier ook van toepassing.
2. Wordt een verplichting als bedoeld in het eerste lid opgelegd, dan kan daarbij tevens worden bepaald binnen welke termijn na herbeplanting en op welke wijze niet-geslaagde beplanting moet worden vervangen.
Beleidsregels APVG Behoud van groen: kap en herplant 2022
Artikel 1 Definities
I. potentieel monumentale houtopstand:
de houtopstand die voldoet aan de hierna te noemen basisvoorwaarden en aan tenminste één van de hierna te noemen specifieke voorwaarden:
1. basisvoorwaarden:
- tussen 35 en 50 jaar oud;
- voldoende conditie; minimaal 10 à 15 jaar nog te leven;
2. specifieke voorwaarden:
- onderdeel ecologische infrastructuur;
- onderdeel karakteristieke boom groep/laanbeplanting;
- onderdeel zeldzame biotoop;
- zeldzaam, gedenkboom;
- bepalend voor de omgeving;
- herkenningspunt.
Artikel 2 Toetsing aanvraag omgevingsvergunning
1. Het college toetst een aanvraag om een omgevingsvergunning op het belang voor het behoud van de houtopstand en op het belang voor het verwijderen van de houtopstand. Hierbij toetst het college op de criteria ‘kwaliteit’, ‘overlast’, ‘dringende reden’ of ‘waardering’.
2. Het college toetst voor het criterium ‘waardering’ en maakt een belangenafweging met minimaal één van de volgende aspecten:
a. onderdeel van de groenstructuur;
b. leefbaarheid;
c. esthetische waarde;
d. monumentale c.q. cultuurhistorische waarde;
e. potentieel monumentale houtopstand;
f. zeldzaamheid (dendrologische waarde);
(…);
7. Het college toetst voor het criterium ‘dringende reden’ de volgende aspecten:
a. ruimtelijke ontwikkeling;
b. bouwplan;
c. rendementsverlies energie-opwekkers;
d. sloopmelding;
e. groot onderhoud.
(…);
9. Bij een ruimtelijke ontwikkeling dient de aanvrager van een omgevingsvergunning een vastgestelde Boom Effect Analyse (BEA) bij te voegen zoals opgesteld volgens de richtlijn BEA, opgesteld door de landelijke Bomenstichting en CROW. Deze BEA moet conform deze richtlijn worden opgesteld vanaf de initiatieffase als een doorlopend advies.
a. Het college stelt de BEA vast indien er sprake is van een negatieve balans op de houtopstand, en/of er sprake is van geveld houtopstand in Stedelijke Ecologische Structuur (SES)gebied ongeacht de groenbalans, en/of als er sprake is van het vellen van monumentaal houtopstand ongeacht de groenbalans;
b. Het college mandateert in de overige gevallen de teamleider VTH tot het vaststellen van de BEA.
(…);
11. Indien een financiële compensatie aan de omgevingsvergunning vellen van een houtopstand is verbonden, mag de houtopstand niet worden geveld dan nadat de opgelegde financiële compensatie in het compensatiefonds is gestort.
Artikel 3 Eisen aan een Boom Effect Analyse
1. Een BEA dient opgesteld te zijn conform de richtlijn Boom Effect Analyse, zoals opgesteld door de Bomenstichting en het CROW en dient de volgende aanvullende onderdelen te omvatten:
a. het aantal bomen, en de oppervlakte houtopstand;
b. boomsoort (Nederlandse en wetenschappelijke naam);
c. diameter van de stam op 130 centimeter hoogte boven het maaiveld;
d. schaalvaste tekening waarop de ingemeten bomen (met weergave van de kroonprojectie) staan weergegeven;
e. unieke boomnummering: op de tekening vermelding van een verkort nummer, in de inventarisatielijst vermelding van zowel het verkorte als het gemeentelijke boomnummer;.
f. staat de boom in de basisgroenstructuur, bomenhoofdstructuur of stedelijke ecologische structuur (uitkomsten onderzoek op grond van de Wet natuurbescherming opnemen);
g. verplantbaarheid (nader onderzoek wortelpakket, ligging kabels en leidingen, transport mogelijkheden, nieuwe locatie);
h. conditie van de boom (op basis van Roloff);
i. opdruk van verharding door boomwortels;
j. bijzonderheden van de boom (meerstammig, leiboom, knotboom, gedenkboom e.d.);
k. (potentiële) monumentale boom;
l. herplant in het projectgebied of in de directe omgeving (straal 500 meter) van het projectgebied;
m. de hoogte van de eventuele financiële compensatie.
Artikel 4 Herplantplicht en groencompensatie
1. Het college legt voor iedere gevelde houtopstand een herplantplicht voor een nieuwe houtopstand op, hetzij op dezelfde locatie, hetzij in de directe omgeving (binnen 500 meter) tenzij:
1. De standplaats van de houtopstand vanwege een ruimtelijke ontwikkeling verdwijnt en er binnen het projectgebied of in de directe omgeving van het projectgebied geen geschikte ruimte voor een nieuwe houtopstand is dient een compensatie als bepaald in artikel 6 in het groencompensatiefonds te worden gestort;
(…).
Artikel 6 Financiële compensatie
1. Indien vanwege een ruimtelijke ontwikkeling de houtopstand (volgens een door het college vastgestelde BEA) afneemt, legt het college een financiële compensatie op.
2. De financiële compensatie voor te vellen hakhout, bosplantsoen en (lint)begroeiing met een minimale oppervlakte van 100 m2 en een natuurlijke groeihoogte van
> 2 meter, bedraagt € 42,50 per m2;
3. De financiële compensatie voor een vanwege een ruimtelijke ontwikkeling gevelde houtopstand, en voor een niet zijnde een ruimtelijke ontwikkeling gevelde houtopstand, wordt bepaald aan de hand van de nominale waarde van de gevelde en aangeplante bomen. Deze waarde wordt bepaald conform de meest recente richtlijn van de Nederlandse Vereniging van Taxateurs van Bomen (NVTB). Bij een gedeeltelijke compensatie in of in de directe omgeving van een project door aanplant, dient de financiële compensatie berekend te worden op basis van de gemiddelde nominale waarde van de te vellen bomen.

Voetnoten

1.Het beroep is geregistreerd onder het procedurenummer LEE 25/2282.
2.Het verzoek om voorlopige voorziening is geregistreerd onder het procedurenummer LEE 25/5115.
3.Zie artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet.
4.Vgl. de uitspraak van 5 juni 2024 van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (AbRvS), ECLI:NL:RVS:2024:2307.