Uitspraak
derde-partijneemt aan het geding deel: [vergunninghoudster], gevestigd in [plaats], vergunninghoudster,
Rechtbank Noord-Nederland
De zaak betreft een verzoek om voorlopige voorziening tegen de omgevingsvergunning verleend door het college van burgemeester en wethouders van Groningen voor het vellen van negen bomen en houtopstanden op het voormalige Hoefijzerterrein, onderdeel van een herontwikkeling met 139 woningen.
Verzoeksters stelden dat de Boom Effect Analyse (BEA) niet actueel was en monumentale bomen onterecht werden gekapt. De voorzieningenrechter oordeelde dat de BEA, opgesteld volgens richtlijnen van de Bomenstichting en CROW, voldoende betrouwbaar was en dat de gronden die buiten de beroepstermijn waren aangevoerd buiten beschouwing moesten blijven. Het college had de belangen van behoud van groen zorgvuldig afgewogen tegen de dringende reden van woningbouw.
De voorzieningenrechter concludeerde dat het college terecht een groot gewicht toekende aan de woningbouwopgave en het tegengaan van woningnood in Groningen. Er was geen aanleiding om de voorlopige voorziening toe te wijzen, zodat vergunninghoudster mocht starten met de kapwerkzaamheden. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de omgevingsvergunning voor het vellen van bomen wordt afgewezen.