Op 12 april 2025 stak verdachte het slachtoffer met een groot keukenmes in de buik, waarbij de dunne darm op twee plaatsen werd geperforeerd en een spoedoperatie noodzakelijk was. Verdachte verklaarde dat hij handelde uit zelfverdediging nadat het slachtoffer hem aanviel en bij de keel greep.
De rechtbank achtte het bewezen dat verdachte met voorwaardelijk opzet handelde, maar stelde vast dat sprake was van een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding door het slachtoffer. Verdachte had geen redelijke mogelijkheid om zich anders te verdedigen dan met het mes.
De rechtbank concludeerde dat het handelen van verdachte proportioneel en subsidiar was in verhouding tot de aanval en dat hij een gerechtvaardigd beroep op noodweer kon doen. Daarom werd verdachte ontslagen van alle rechtsvervolging.