ECLI:NL:RBNNE:2025:5189

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
23 september 2025
Publicatiedatum
17 december 2025
Zaaknummer
11500876 BU VERZ 25-45
Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Type
Uitspraak
Procedures
  • Mondelinge uitspraak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Matiging van boete wegens niet-verzekerd voertuig en overschrijding redelijke termijn

Op 23 september 2025 heeft de kantonrechter van de Rechtbank Noord-Nederland uitspraak gedaan in een zaak waarin betrokkene, vertegenwoordigd door mr. M. Lagas van Appjection B.V., in beroep ging tegen een boete die was opgelegd op grond van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv). De boete van € 429,00 was opgelegd omdat betrokkene geen verzekering had afgesloten voor zijn snorfiets, die op 25 juli 2023 was vastgesteld door de RDW in Veendam. Betrokkene heeft tegen de beslissing van de officier van justitie beroep ingesteld, maar deze werd ongegrond verklaard. Tijdens de zitting heeft betrokkene verklaard dat het voertuig niet op de openbare weg is geweest en dat hij het voertuig niet meer in zijn bezit had omdat zijn vader het naar de stort had gebracht. De kantonrechter heeft de argumenten van betrokkene in overweging genomen en geoordeeld dat er aanleiding is om de boete te matigen. De kantonrechter heeft de boete met 25% verlaagd tot € 324,00, maar heeft ook vastgesteld dat de redelijke termijn van berechting was overschreden. Hierdoor is de boete nogmaals gematigd tot € 245,25. De officier van justitie is veroordeeld in de proceskosten van betrokkene, die zijn vastgesteld op € 113,38. De uitspraak is gedaan in het kader van bestuursrecht en betreft de verantwoordelijkheden van de kentekenhouder met betrekking tot de verzekering van voertuigen.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Zittingsplaats Leeuwarden
Bestuursrecht
beschikkingsnummer: 260728978
zaaknummer: 11500876 BU VERZ 25-45
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak gedaan op de openbare zitting van 23 september 2025
in de zaak van

[betrokkene] (de betrokkene),

die woont in [woonplaats] ,
gemachtigde: mr. M. Lagas, Appjection B.V..

Inleiding

1. Aan betrokkene is een boete opgelegd op grond van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv). De overtreding waarvoor de boete is opgelegd is: ‘voor een bromfiets niet de vereiste verzekering afsluiten en in stand houden’, verricht op 25 juli 2023, om 17:03 uur, vastgesteld door middel van een registercontrole door de RDW in Veendam, met een snorfiets, met kenteken [kenteken] . De opgelegde boete bedraagt € 429,00 (inclusief administratiekosten).
1.1.
Betrokkene heeft tegen de boete beroep ingesteld bij de officier van justitie. Deze heeft het beroep ongegrond verklaard. Tegen die beslissing heeft betrokkene beroep ingesteld bij de kantonrechter.
1.2.
De kantonrechter heeft het beroep op 23 september 2025 op de zitting behandeld. Daarbij waren aanwezig: betrokkene en als vertegenwoordigster van de officier van justitie mr. P. Veenstra.
1.3
Na afloop van de behandeling op de zitting heeft de kantonrechter onmiddellijk uitspraak gedaan.

Beoordeling door de kantonrechter

Beslissing

2. De kantonrechter beoordeelt het beroep aan de hand van de beroepsgronden van betrokkene. Hij oordeelt dat het beroep gegrond is en zal de boete matigen
.De kantonrechter zal hierna uitleggen waarom hij dat doet.
Standpunten
3. Gemachtigde voert aan dat de snorfiets inderdaad niet geschorst of verzekerd was, maar er bestaat wel aanleiding om de boete te matigen. De officier van justitie heeft in een vergelijkbare zaak de boete gematigd, omdat het voertuig niet aan het verkeer had deelgenomen en de betrokkene met bekwame spoed het voertuig alsnog had geschorst of de tenaamstelling had beëindigd. [1] Gemachtigde heeft een afschrift van de melding van de sloop overgelegd. Daarnaast heeft hij twee foto’s overgelegd die bewijzen dat het voertuig defect was. Betrokkene heeft verder nog verklaard dat hij het voertuig niet meer in zijn bezit had omdat zijn vader het naar de stort heeft gebracht. Op de zitting heeft betrokkene verklaard dat het voertuig motorisch niet meer werkte. Hij had er al een jaar niet mee gereden. Hij heeft nog geprobeerd om de stort te bellen, maar daar kon men niet meer nagaan of het voertuig was weggegooid. Verder heeft hij de brieven van de RDW te laat gezien omdat hij op Terschelling aan het werk was. Zijn huisgenoot was ook niet thuis. Ten slotte heeft hij een verklaring van zijn vader voorgelezen, waarin hij verklaart het voertuig te hebben weggegooid.
4. De vertegenwoordigster stelt zich op het standpunt dat de boete gematigd moet worden. Betrokkene heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat er niet met het voertuig is gereden. Hij heeft alleen niet snel gereageerd, omdat hij op Terschelling was. Zij ziet daarom aanleiding om de boete te matigen met 25%. Daarnaast is de redelijke termijn geschonden. Zij verzoekt de kantonrechter om de boete nogmaals te matigen met 25%.
Overwegingen
5. Betrokkene betwist de verkeersovertreding niet, maar voert argumenten aan om deze te verklaren. Daarmee is de overtreding komen vast te staan. Vervolgens is de vraag of er feiten en omstandigheden zijn die aanleiding geven tot een wijziging van de boete.
6. De boete is terecht opgelegd. De kentekenhouder is verantwoordelijk voor de verplichtingen die horen bij het op naam hebben van een voertuig (tenaamstelling), zoals de verzekering ervan. [2] De RDW voert registercontroles uit om na te gaan of de verplichtingen worden nageleefd. Blijkt het voertuig niet verzekerd zonder dat de tenaamstelling is geschorst, kan er een boete worden opgelegd.
7. De kantonrechter ziet wel aanleiding om de boete te matigen met 25% tot een bedrag van
€ 324,00 (inclusief administratiekosten). Betrokkene heeft op de zitting namelijk voldoende aannemelijk gemaakt dat het voertuig niet op de openbare weg is geweest. De kantonrechter ziet geen aanleiding om de boete verder te matigen omdat er geen sprake is van bekwame spoed zoals in het arrest dat de gemachtigde heeft aangevoerd. Betrokkene heeft pas twee maanden na de boete de sloop doorgegeven. Hij had ervoor moeten zorgen dat iemand zijn post bijhield. Dat hij dat niet heeft gedaan komt voor zijn eigen risico.
8. Daarnaast stelt de kantonrechter vast dat er meer dan twee jaar zit tussen de boete en deze uitspraak. De redelijke termijn van berechting is twee jaar vanaf de verzending van de boete. [3] Deze redelijke termijn is overschreden, daardoor ziet de kantonrechter aanleiding om de boete nogmaals te matigen met 25% tot een bedrag van € 245,25 (inclusief administratiekosten).
9. Omdat de kantonrechter het beroep gegrond zal verklaren, zal hij de officier van justitie veroordelen in de proceskosten van betrokkene in de kantonfase. Hij zal één punt toekennen voor het indienen van het beroepschrift bij de kantonrechter met een waarde van € 907,00. Gelet op de aard van de zaak past hij de wegingsfactor 0,5 (gewicht van de zaak = licht) toe. Hij kent geen punten toe voor het administratief beroep omdat de onrechtmatigheid niet aan het bestuursorgaan dat het besluit heeft genomen, te wijten is. Daarnaast heeft de Hoge Raad op 24 juni 2025 geoordeeld dat de extra vermenigvuldigingsfactor uit artikel 13a, tweede lid, van de Wahv toelaatbaar is. [4] Hij zal de officier van justitie veroordelen in de kosten van € 113,38 (€ 907,00 x 0,5 x 0,25).
10. Artikel 13a, vijfde lid, van de Wahv regelt dat uitbetalingen op grond van een uitspraak op beroep op grond van deze wet uitsluitend plaatsvinden op een bankrekening die op naam staat van degene aan wie de boete is opgelegd. Gelet op de jurisprudentie is de kantonrechter niet bevoegd om over deze feitelijke uitvoering van zijn beslissing een oordeel te geven. [5]

Conclusie

De kantonrechter:
  • verklaart het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond;
  • vernietigt die beslissing;
  • wijzigt de inleidende beschikking en matigt de sanctie tot € 245,25 (inclusief administratiekosten);
  • bepaalt dat betrokkene het teveel betaalde aan zekerheidstelling terugkrijgt;
  • veroordeelt de officier van justitie in de proceskosten van betrokkene van € 113,38.
Waarvan proces-verbaal,
mr. M. Hidding, griffier, is verhinderd om mr. P.G. Wijtsma, kantonrechter
dit proces-verbaal te tekenen.

Rechtsmiddel

Als u het met de beslissing op uw beroep niet eens bent, dan kunt u binnen zes weken na de hieronder vermelde datum van toezending van deze beslissing hoger beroep instellen bij het
gerechtshof Arnhem - Leeuwarden, maar alleen als:
a. de u opgelegde administratieve boete meer dan € 110,00 bedraagt, of
b. uw beroep niet-ontvankelijk is verklaard omdat u geen (of niet op tijd) zekerheid heeft gesteld.
Het (hoger) beroepschrift moet worden ingediend bij de rechtbank Noord-Nederland, Afdeling Bestuursrecht, locatie Groningen (Postbus 150, 9700 AD Groningen). U dient daarbij het zaaknummer te vermelden.
De wet gaat uit van een geheel schriftelijke procedure, tenzij door u bij het (hoger) beroepschrift uitdrukkelijk om een zitting is gevraagd.

Voetnoten

1.Hof Arnhem-Leeuwarden 1 september 2017, ECLI:NL:GHARL:2017:7647.
2.Artikel 30 van de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen (WAM).
3.Artikel 6, eerste lid, van het EVRM.
4.HR 24 juni 2025, ECLI:NL:HR:2025:985.
5.Hof Arnhem-Leeuwarden 17 juni 2024, ECLI:NL:GHARL:2024:4051.