Op 6 december 2023 heeft betrokkene een boete van € 119,00 ontvangen voor het parkeren van een motorvoertuig zonder parkeerschijf bij een blauwe streep in Leeuwarden. Betrokkene heeft hiertegen beroep ingesteld bij de officier van justitie, die het beroep ongegrond verklaarde. Vervolgens heeft betrokkene beroep ingesteld bij de kantonrechter, die de zaak op 23 september 2025 heeft behandeld. Tijdens deze zitting was de officier van justitie vertegenwoordigd door mr. P. Veenstra. De kantonrechter heeft na de behandeling onmiddellijk uitspraak gedaan en het beroep gegrond verklaard, waardoor de boete werd vernietigd. De kantonrechter oordeelde dat de verkeersovertreding niet kon worden vastgesteld, omdat de instantie die de boete had opgelegd had verzocht om vernietiging van de boete en geen aanvullend proces-verbaal kon opstellen. De kantonrechter heeft de officier van justitie ook veroordeeld in de proceskosten van betrokkene, die in totaal € 234,69 bedragen. De uitspraak benadrukt dat in zaken op grond van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) de verklaring van de verbalisant in beginsel voldoende is, tenzij er concrete omstandigheden zijn die aanleiding geven tot twijfel. De uitspraak is van belang voor de rechtspraktijk, omdat het de voorwaarden voor het opleggen van boetes en de rol van de officier van justitie in het proces verduidelijkt.