ECLI:NL:RBNNE:2025:5344

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
19 december 2025
Publicatiedatum
19 december 2025
Zaaknummer
18/201473-25
Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Type
Uitspraak
Procedures
  • Op tegenspraak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak voor bedreiging, poging zware mishandeling, diefstal in vereniging en dwang; veroordeling voor poging zware mishandeling, openlijke geweldpleging, diefstal in vereniging, bedreiging en wapenbezit

Op 19 december 2025 heeft de Rechtbank Noord-Nederland uitspraak gedaan in een strafzaak tegen een verdachte, geboren in 2007, die werd beschuldigd van meerdere geweldsdelicten en wapenbezit. De rechtbank heeft de verdachte vrijgesproken van bedreiging, poging zware mishandeling, en diefstal in vereniging, maar hem wel veroordeeld voor poging zware mishandeling, openlijke geweldpleging, diefstal in vereniging, bedreiging en wapenbezit. De rechtbank legde een jeugddetentie op van 293 dagen, waarvan 240 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren, en een werkstraf van 95 uren. De zaak kwam ter terechtzitting naar aanleiding van een incident op 2 juli 2025, waarbij de verdachte met een mes in de richting van een slachtoffer stak. De rechtbank oordeelde dat er onvoldoende bewijs was voor de vrijgesproken feiten, terwijl de bewezen feiten wel wettig en overtuigend waren aangetoond. De rechtbank hield rekening met de ernst van de feiten en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, waaronder zijn jeugdige leeftijd en de diagnose ADHD. De rechtbank benadrukte het belang van behandeling en begeleiding voor de verdachte, gezien zijn positieve ontwikkeling na eerdere incidenten.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht
Locatie Groningen
parketnummer 18/201473-25
ter terechtzitting gevoegde parketnummers 18/213106-25 en 18/113421-25
vordering na voorwaardelijke veroordeling parketnummer 18/113436-25

Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d.

19 december 2025 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 2007 te [geboorteplaats] ,
wonende te [adres 1] .
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 5 december 2025. Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. I. Djordjevic, advocaat te Groningen.
Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. J.G.F. van Boven.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat
onder parketnummer 18/201473-25:
1. primair
hij op of omstreeks 2 juli 2025 te Groningen ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk een ander, te weten [slachtoffer 1] zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, (- zakelijk weergegeven -) (meermalen) met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, in en/of in de richting van het (boven)lichaam (de borst/ ter
hoogte van het sleutelbeen) heeft gestoken en/of gesneden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
1. subsidiair
hij op of omstreeks 2 juli 2025 te Groningen [slachtoffer 1] heeft mishandeld, door hem (- zakelijk weergegeven -) (meermalen) met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, in het (boven)lichaam (de borst/ ter hoogte van het sleutelbeen) te steken en/of te snijden;
2
hij op of omstreeks 2 juli 2025 te Groningen [slachtoffer 2] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door (- zakelijk weergegeven -) met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, (meermalen) een of meer stekende beweging(en) in de richting van de zij, althans het lichaam, van die [slachtoffer 2] te maken;
3 primair
hij op of omstreeks 26 mei 2025 te Groningen ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk een ander, te weten [slachtoffer 3] zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, (- zakelijk weergegeven -) (meermalen) met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, in en/of in de richting van het (boven)lichaam (de zij/buik) heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
3 subsidiair
hij op of omstreeks 26 mei 2025 te Groningen [slachtoffer 3] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door (- zakelijk weergegeven -) (meermalen) met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, een of meer stekende beweging(en) in de richting van het (boven)lichaam (de zij/buik) van die [slachtoffer 3] te maken;
onder parketnummer 18/213106-25:
1
hij op of omstreeks 19 juni 2024 te Groningen [slachtoffer 4] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door
- een vuurwapen (een (gas)pistool met bijbehorende knalpatronen) in zijn hand te nemen en/of zijn arm daarbij uit te strekken in de richting van die [slachtoffer 4] en/of
- vervolgens het pistool te richten op die [slachtoffer 4] en/of
- ( meerdere malen) de trekker van dat pistool over te halen en/of
- te schieten op die [slachtoffer 4] en/of in de richting van die [slachtoffer 4] ;
2
hij op of omstreeks 19 juni 2024 te Groningen
- een wapen van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een semi-automatisch centraalvuur pistool, van het merk Record, type Cop 4, kleur zwart, zijnde een vuurwapen in de vorm van een geweer, revolver en/of pistool en/of
- ( een) wapen (onderde(e)l(en)) van categorie III onder 1 van de wet wapens en munitie, te weten een bijbehorende patroonmagazijn en/of
- munitie van categorie III van de Wet wapens en munitie te weten 6 stuks knalpatronen van het merk Umarex type knal, van het kaliber 9mm PAK
voorhanden heeft gehad;
onder parketnummer 18/113421-25:
1
hij op of omstreeks 13 december 2024 te Groningen tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, schoenen en/of een muts (en/of een jas), in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer 5] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;
2
hij op of omstreeks 13 december 2024 te Groningen, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een ander, te weten [slachtoffer 5] , door geweld of enige andere feitelijkheid en/of door bedreiging met geweld of enige andere feitelijkheid gericht tegen die ander en/of derde, te weten (die) [slachtoffer 5] wederrechtelijk heeft/hebben gedwongen iets te doen, niet te doen en/of te dulden, te weten het afstaan en/of het laten wegnemen van zijn schoenen en/of muts (en/of jas), door (- zakelijk weergegeven -) hem met (een) (fysieke en/of psychische) overmacht te benaderen en/of in te sluiten en/of de vrije doorgang te belemmeren en/of een arm om hem heen te slaan en/of hem vast te pakken en/of mee te voeren en/of daarbij te zeggen dat hij mee moest komen en/of de muts van zijn hoofd te grissen/pakken en/of door hem te sommeren dat hij zijn schoenen en/of muts (en/of jas) moe(s)t afstaan;
3
hij op of omstreeks 13 maart 2025 te Groningen tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een fiets (fatbike), in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan de Politie, in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats van het
misdrijf heeft/hebben verschaft en/of dat/die weg te nemen fiets (fatbike) onder zijn/haar/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak, verbreking of inklimming;
4
hij op of omstreeks 8 november 2024 te Groningen openlijk, te weten, op/aan/bij de [adres 1] , in elk geval op of aan de openbare weg en/of op een voor het publiek toegankelijke plaats, in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een persoon, te weten [slachtoffer 5] , door (- zakelijk weergegeven -) hem meermalen en/of met kracht op en/of tegen het lichaam (waaronder het hoofd) te slaan en/of te schoppen en/of door hem op zijn knieën te dwingen en/of hem (daarbij) 'sorry' tegen verdachte en/of zijn mededader(s) te laten zeggen.

Beoordeling van het bewijs

Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft vrijspraak gevorderd van het onder parketnummer 18/201473-25 feit 3 ten laste gelegde. De officier van justitie heeft veroordeling gevorderd voor het onder parketnummer 18/201473-25 feit 1 primair en 2 ten laste gelegde en voor de onder parketnummers 18/213106-25 en 18/113421-25 ten laste gelegde feiten. Ten aanzien van het onder parketnummer 18/201473-25 feit 2 ten laste gelegde heeft hij in het bijzonder aangevoerd dat de verklaring van aangever voldoende wordt ondersteund door de verklaring van getuige [getuige 1] . Ten aanzien van het onder parketnummer 18/113421-25 feit 1 en 2 ten laste gelegde heeft de officier van justitie aangevoerd dat uit de verklaringen van aangever en medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] voldoende blijkt dat sprake is van diefstal in vereniging en dwang.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft betoogd dat verdachte moet worden vrijgesproken van het onder parketnummer 18/113421-25 feit 1, 2 en 3 ten laste gelegde. Zij heeft daartoe aangevoerd dat niet kan worden vastgesteld dat verdachte een rol heeft gehad bij de feiten van 13 december 2024, anders dan dat hij - op afstand - bij het incident aanwezig is geweest. Ten aanzien van het derde feit heeft de raadsvrouw aangevoerd dat de datum in de tenlastelegging onjuist is. Ten aanzien van parketnummer 18/201473-25 heeft de raadsvrouw betoogd dat verdachte moet worden vrijgesproken van het onder feit 1 primair ten laste gelegde. Er is gebruik gemaakt van een klein aardappelschilmesje en het letsel is beperkt gebleven. Gelet op de geringe diepte van de snijwond is er geen sprake geweest van krachtig steken en er is ook niet gericht op vitale delen. Niet kan worden aangenomen dat verdachte de aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel heeft aanvaard. Ten aanzien van parketnummer 18/201473-25 heeft de raadsvrouw eveneens betoogd dat verdachte moet worden vrijgesproken van het onder feit 2 en 3 ten laste gelegde. Ten aanzien van het tweede feit wordt de betrouwbaarheid van de verklaringen van aangever en getuige [getuige 1] betwist. Ten aanzien van het derde feit voert zij aan dat het verhaal van aangever en zijn broertje tegenover het verhaal van verdachte en getuige [getuige 2] staat. Er is geen onafhankelijke getuige. De raadsvrouw heeft zich voor de overige ten laste gelegde feiten gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
Oordeel van de rechtbank
Vrijspraak ten aanzien van parketnummer 18/201473-25 feit 2 en feit 3:
Met de officier van justitie en de raadsvrouw is de rechtbank van oordeel dat er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs is ten aanzien van het onder feit 3 primair en subsidiair ten laste gelegde. Verdachte zal daarom hiervan worden vrijgesproken.
De rechtbank acht feit 2 evenmin wettig en overtuigend bewezen. In het dossier bevinden zich drie bewijsmiddelen, te weten de aangifte, de getuigenverklaring van [getuige 1] en de verklaring van verdachte. De aangifte moet worden bezien tegen de achtergrond van een langer lopend conflict tussen verdachte en (de familie van) aangever. Verdachte erkent dat er een confrontatie is geweest maar ontkent stellig dat hij de aangever daarbij heeft bedreigd met een mes. Zijn verklaring staat lijnrecht tegenover die van de aangever en de getuige. De rechtbank is van oordeel dat de verklaring van de getuige in dit geval niet als voldoende objectief steunbewijs kan worden aangemerkt. De aangever en de getuige zijn bevriend en hebben tijd gehad om hun verklaringen op elkaar af te stemmen. Er bestaat bovendien ook enig verschil tussen de door hun afgelegde verklaringen. In het dossier ontbreekt ander concreet bewijs. Dit maakt dat de rechtbank niet met voldoende zekerheid en overtuiging kan vaststellen dat verdachte aangever met een mes heeft bedreigd. Er is ruimte voor redelijke twijfel. Verdachte moet daarom van dit feit worden vrijgesproken.
Vrijspraak ten aanzien van parketnummer 18/113421-25 feit 1 en feit 2:
De rechtbank acht deze feiten niet wettig en overtuigend bewezen. De rechtbank stelt op basis van het dossier vast dat medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] degenen zijn die aangever hebben gedwongen om zijn schoenen en muts aan hen af te staan. Vastgesteld kan worden dat verdachte bij dit incident aanwezig is geweest. Verdachte heeft dit ter zitting ook erkend. Hij ontkent echter stellig dat hij een rol heeft gehad bij deze feiten. Uit de aangifte en de overige verklaringen van de getuigen en medeverdachten valt onvoldoende af te leiden wat de rol van verdachte bij de diefstal exact is geweest. De aangever heeft over verdachte verklaard dat hij op afstand stond, niets heeft gezegd en zich er niet veel mee heeft bemoeid. Het enkele feit dat verdachte er bij stond, heeft gezien wat er is gebeurd en niet heeft ingegrepen, acht de rechtbank onvoldoende voor het aannemen van de voor medeplegen vereiste nauwe en bewuste samenwerking. Verdachte zal daarom van het medeplegen van deze feiten worden vrijgesproken.
Ten aanzien van parketnummer 18/213106-25:
De rechtbank acht de feiten 1 en 2 wettig en overtuigend bewezen, zoals hierna opgenomen in de bewezenverklaring. Nu verdachte deze feiten duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend, volstaat de rechtbank met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering. Ieder bewijsmiddel is -ook in onderdelen- slechts gebruikt voor het feit waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.
Deze opgave luidt als volgt:
1. de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 5 december 2025;
2. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 9 april 2025, opgenomen op pagina 301 (digitaal) e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer 2024162964/2024209262 d.d. 29 april 2025, inhoudende de verklaring van [slachtoffer 4] ;
3. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 15 april 2025, opgenomen op pagina 26 (digitaal) van voornoemd dossier, inhoudende het relaas van verbalisant;
4. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van forensisch onderzoek plaats delict d.d. 16 juli 2024, opgenomen op pagina 148 (digitaal) e.v. van voornoemd dossier, inhoudende het relaas van verbalisanten;
5. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van onderzoek wapen d.d. 17 juli 2024, opgenomen op pagina 189 (digitaal) e.v. van voornoemd dossier, inhoudende het relaas van verbalisant.
Ten aanzien van parketnummer 18/113421-25 feit 3 en feit 4:
De rechtbank acht de feiten 3 en 4 wettig en overtuigend bewezen, zoals hierna opgenomen in de bewezenverklaring. Nu verdachte deze feiten duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend, volstaat de rechtbank met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering. Ieder bewijsmiddel is -ook in onderdelen- slechts gebruikt voor het feit waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.
Deze opgave luidt als volgt:
1. de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 5 december 2025;
2. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 11 maart 2025, opgenomen op pagina 29 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer PL0100-2025062305 d.d. 2 april 2025, inhoudende de verklaring van [slachtoffer 5] ;
3. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 7 maart 2025, opgenomen op pagina 43 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende het relaas van verbalisant;
4. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 24 maart 2025, opgenomen op pagina 110 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende de verklaring van [naam] namens de Politie.
Overweging
Ter zitting is gebleken dat er een fout is geslopen in de tenlastelegging. In de tenlastelegging staat 13 maart 2025 als pleegdatum opgenomen. Uit het dossier blijkt echter dat het feit is gepleegd op 24 maart 2025. Verdachte heeft bekend dat hij deze diefstal, waarvoor hij op 24 maart 2025 op heterdaad is aangehouden, heeft gepleegd. Gelet op de bij iedereen bekende context van het feit zal de rechtbank de datum in de tenlastelegging verbeterd lezen. Er bestaat geen enkel misverstand om welk feit het hier gaat.
Ten aanzien van parketnummer 18/201473-25 feit 1:
De rechtbank acht feit 1 primair wettig en overtuigend bewezen, zoals hierna opgenomen in de bewezenverklaring. Nu verdachte de tenlastegelegde feitelijke handelingen duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend, volstaat de rechtbank met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering.
Deze opgave luidt als volgt:
1. de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 5 december 2025;
2. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 2 juli 2025, opgenomen op pagina 27 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer 2025175837 d.d. 27 augustus 2025, inhoudende de verklaring van [slachtoffer 1] .
Overweging
De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of hier sprake is geweest van een poging tot zware mishandeling. Vast staat dat verdachte met een mes in het bovenlichaam, bij het sleutelbeen, van aangever heeft gestoken. De kans dat daarbij zwaar lichamelijk letsel had kunnen ontstaan is naar het oordeel van de rechtbank aanmerkelijk geweest. Het is een feit van algemene bekendheid - en ook verdachte moet zich hiervan bewust zijn geweest - dat het steken met een mes in het lichaam kan leiden tot zwaar lichamelijk letsel. In het bovenlichaam bevinden zich vitale organen die als gevolg van een steekwond ernstig hadden kunnen worden beschadigd. Door het ongecontroleerd in het bovenlichaam steken heeft verdachte de aanmerkelijke kans op het ontstaan van zwaar lichamelijk letsel bewust aanvaard. Van aanwijzingen voor het tegendeel is niet gebleken. Verdachte heeft dus voorwaardelijk opzet gehad op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel. Anders dan de raadsvrouw heeft bepleit, acht de rechtbank de ten laste gelegde poging tot zware mishandeling dan ook bewezen.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht het onder parketnummer 18/201473-25 feit 1 primair ten laste gelegde, het onder parketnummer 18/213106-25 feiten 1 en 2 ten laste gelegde en het onder parketnummer 18/113421-25 feiten 3 en 4 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat
onder parketnummer 18/201473-25:
1
hij op 2 juli 2025 te Groningen ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk een ander, te weten [slachtoffer 1] zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met een mes, in de borst ter hoogte van het sleutelbeen heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
onder parketnummer 18/213106-25:
1
hij op 19 juni 2024 te Groningen [slachtoffer 4] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, door
- een vuurwapen (een gaspistool met bijbehorende knalpatronen) in zijn hand te nemen en zijn arm daarbij uit te strekken in de richting van die [slachtoffer 4] en
- vervolgens het pistool te richten op die [slachtoffer 4] en
- meerdere malen de trekker van dat pistool over te halen en
- te schieten in de richting van die [slachtoffer 4] ;
2
hij op 19 juni 2024 te Groningen
- een wapen van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een semi-automatisch centraalvuur pistool, van het merk Record, type Cop 4, kleur zwart, zijnde een vuurwapen in de vorm van een pistool en
- een wapenonderdeel van categorie III onder 1 van de wet wapens en munitie, te weten een bijbehorend patroonmagazijn en
- munitie van categorie III van de Wet wapens en munitie te weten 6 stuks knalpatronen van het merk Umarex type knal, van het kaliber 9mm PAK
voorhanden heeft gehad;
onder parketnummer 18/113421-25:
3
hij op 24 maart 2025 te Groningen tezamen en in vereniging met een ander, een fiets (fatbike), die aan de Politie toebehoorde heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en zijn mededader die weg te nemen fiets (fatbike) onder hun bereik hebben gebracht door middel van braak;
4
hij op 8 november 2024 te Groningen openlijk, te weten op de [adres 1] , in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een persoon, te weten [slachtoffer 5] , door hem meermalen en met kracht tegen het lichaam waaronder het hoofd te slaan en te schoppen en door hem op zijn knieën te dwingen en hem daarbij 'sorry' tegen verdachte en zijn mededaders te laten zeggen.
Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op
ten aanzien van parketnummer 18/201473-25:
1.
primairpoging tot zware mishandeling
ten aanzien van parketnummer 18/213106-25:
1. bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht
2. handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie
ten aanzien van parketnummer 18/113421-25:
3. diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak
4. openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen.
Deze feiten zijn strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte strafbaar is.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft ten aanzien van feit 1 onder parketnummer 18/201473-25 subsidiair bepleit dat er sprake is van noodweer. Zij heeft daartoe aangevoerd dat er sprake was van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding. Verdachte was op de fiets en werd door twee oudere gespierde mannen in een auto klemgereden. Verdachte wist dat er naar zijn werk was gebeld door een persoon die zich voordeed als zijn oudere broer, terwijl verdachte geen oudere broer heeft. Er was sprake van een langlopend conflict met de familie [slachtoffer 1] . Verdachte was bang en kon geen kant op. De mannen stapten uit de auto en kwamen op verdachte af. Verdachte heeft één keer kort in de richting van aangever gestoken. Vervolgens is hij hard weggerend, het was zijn doel om uit de situatie te komen. De reactie van verdachte was binnen de grenzen van proportionaliteit en subsidiariteit.
Oordeel van de rechtbank
Voor noodweer is vereist dat er sprake is van verdediging tegen een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding. Van een ogenblikkelijke aanranding is ook sprake bij een onmiddellijk dreigend gevaar voor een aanranding, maar de enkele vrees daartoe is niet voldoende. De rechtbank stelt vast dat aangever samen met een vriend in een auto rondrijdend op zoek was naar verdachte, naar eigen zeggen om verdachte aan te spreken op diens gedrag richting het jongere broertje van aangever. Verdachte had al rekening gehouden met een confrontatie en had als voorzorgsmaatregel een mes bij zich. Toen aangever verdachte had gevonden stopte hij de auto voor verdachte op het fietspad, beide mannen stapten uit en liepen naar verdachte toe. Verdachte stond op dat moment stil met zijn fiets. In plaats van weg te fietsen en zich op die manier aan een mogelijke confrontatie te onttrekken heeft hij meteen zijn mes gepakt en aangever gestoken. Uit de verklaring van verdachte blijkt niet dat aangever geweldshandelingen heeft verricht waartegen verdachte zich moest verdedigen. Niet aannemelijk is geworden dat de situatie zodanig dreigend was dat de gedragingen van verdachte geboden waren door de noodzakelijke verdediging van zijn lijf. Het beroep op noodweer wordt dan ook verworpen.

Strafmotivering

Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot een jeugddetentie voor de duur van 292 dagen, waarvan 240 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren en met daaraan verbonden de voorwaarden zoals geformuleerd in het rapport van de Raad voor de Kinderbescherming. In de voorwaarde van het locatieverbod kan als aanvulling worden opgenomen dat verdachte zich met toestemming van de jeugdreclassering wel in Groningen mag bevinden. Daarnaast heeft de officier van justitie gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot een taakstraf in de vorm van een werkstraf voor de duur van 95 uur.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft ter zitting aangegeven dat zij de strafeis van de officier van justitie redelijk vindt.
Oordeel van de rechtbank
Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek op de terechtzitting en de over hem opgemaakte rapportages, het verdachte betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de raadsvrouw.
De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan meerdere ernstige geweldsdelicten. Hij heeft de oudere broer van een jongen waarmee hij een conflict had bij een confrontatie op straat met een mes gestoken. Eerder al had hij met een gaspistool op een leeftijdsgenoot geschoten. Deze jongen heeft teruggeschoten en verdachte in diens voet geraakt. Op een ander moment heeft verdachte met twee vrienden een andere jongen belaagd, waarbij deze is geschopt en geslagen en op zijn knieën is gedwongen. Deze handelingen zijn gefilmd en het filmpje is verspreid, wat grote impact heeft gehad op het sociale leven van het slachtoffer. Dit zijn stuk voor stuk ernstige feiten, waarbij verdachte een forse inbreuk heeft gemaakt op de lichamelijke integriteit van de slachtoffers. Het is een feit van algemene bekendheid dat slachtoffers van dergelijke geweldsdelicten zich nog gedurende lange tijd angstig en onveilig kunnen voelen en/of psychische gevolgen van de gebeurtenis kunnen ondervinden. De feiten vonden allemaal plaats in het openbaar, op straat, en dragen daarmee bij aan versterking van de gevoelens van onveiligheid in de samenleving. Naast deze geweldsdelicten heeft verdachte zich ook nog schuldig gemaakt aan het medeplegen van diefstal van een fatbike. Verdachte heeft daarmee weinig respect getoond voor de eigendommen van anderen
De rechtbank heeft acht geslagen op het rapport van de Raad voor de Kinderbescherming d.d. 27 november 2025 en het rapport van de jeugdreclassering d.d. 1 december 2025. Daaruit blijkt dat verdachte is gediagnosticeerd met ADHD en een normoverschrijdende gedragsstoornis. Hij kan zelfbepalend en dwingend zijn en heeft daarnaast moeite met zijn emotieregulatie. Hij is daarnaast beïnvloedbaar en biedt weinig weerstand tegen negatieve invloeden. Inmiddels volgt verdachte voor zijn problematiek een behandeling bij [instelling] . Sinds zijn schorsing en zijn vertrek uit [plaats] wordt gezien dat verdachte zich positief ontwikkelt. In de rapportages wordt benadrukt dat het belangrijk is dat verdachte de huidige positieve ontwikkeling weet vast te houden. Verdachte stelt zich open op voor de betrokken hulpverlening. Hij heeft laten zien dat hij zijn leven op een positieve wijze wil vormgeven en is hiervoor gemotiveerd. Er wordt geadviseerd om een deels voorwaardelijke jeugddetentie op te leggen, waarbij het onvoorwaardelijk deel gelijk is aan de reeds doorgebrachte tijd in voorlopige hechtenis, met daarbij de oplegging van de door de Raad geadviseerde bijzondere voorwaarden. Een nieuw verblijf in de jeugdgevangenis zal de huidige positieve ontwikkeling doorbreken. Daarnaast wordt de oplegging van een werkstraf geadviseerd.
De rechtbank is van oordeel dat de hoeveelheid en de aard van de feiten in beginsel de oplegging van een forse jeugddetentie rechtvaardigen. Het is echter wenselijk dat de positieve ontwikkeling van verdachte niet wordt doorbroken en dat behandeling op de voorgrond staat. De rechtbank is van oordeel dat verdachte wel een stevige stok achter de deur nodig heeft om te voorkomen dat hij weer de fout in gaat. Alles afwegende acht de rechtbank een jeugddetentie voor de duur van 293 dagen, waarvan 240 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren en met aftrek van voorarrest, passend en geboden. Aan het voorwaardelijke strafdeel zullen, ter voorkoming van recidive, de bijzondere voorwaarden worden verbonden die de Raad voor de Kinderbescherming heeft geformuleerd in zijn adviesrapport. In de voorwaarde van het locatieverbod zal als aanvulling worden opgenomen dat verdachte zich met toestemming van de jeugdreclassering in Groningen mag bevinden.
Daarnaast zal de rechtbank een werkstraf opleggen voor de duur van 95 uren, te vervangen door 47 dagen hechtenis.

Benadeelde partij

De volgende personen hebben zich als benadeelde partij in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding:
1. [slachtoffer 1] , tot een bedrag van € 757,49 ter vergoeding van materiële schade en
€ 3.000,00 ter vergoeding van immateriële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum dat de schade is ontstaan;
2. [slachtoffer 2] , tot een bedrag van € 15.000,00 ter vergoeding van immateriële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum dat de schade is ontstaan;
3. [slachtoffer 5] , tot een bedrag van € 19.026,70 ter vergoeding van materiële schade en € 4.500,00 ter vergoeding van immateriële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum dat de schade is ontstaan.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vorderingen van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 5] integraal kunnen worden toegewezen. Ten aanzien van de vordering van [slachtoffer 5] heeft de officier van justitie opgemerkt dat de rechtbank de vordering zou kunnen matigen in verband met de jeugdige leeftijd van verdachte. De vorderingen kunnen worden vermeerderd met wettelijke rente, de schadevergoedingsmaatregel kan worden opgelegd en het aantal dagen gijzeling dient op 0 te worden bepaald. De officier van justitie heeft zich ten aanzien van de vordering van [slachtoffer 2] op het standpunt gesteld dat deze vordering niet aan de wettelijke vereisten voldoet. [slachtoffer 2] heeft de vordering als minderjarige zelf ondertekend en ingediend. Daarnaast is de vordering onvoldoende onderbouwd.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft zich ten aanzien van de vordering van [slachtoffer 5] primair op het standpunt gesteld dat de vordering niet-ontvankelijk moet worden verklaard, wegens de verzochte vrijspraak. Subsidiair heeft zij zich op het standpunt gesteld dat de vordering een onevenredige belasting vormt voor het strafgeding. Meer subsidiair heeft de raadsvrouw verzocht om de vordering af te wijzen wegens het ontbreken van een causaal verband tussen de schade en het handelen van verdachte. Het verband tussen de angstklachten van aangever en het handelen van verdachte is onvoldoende aangetoond. Hierdoor is de schade die uit de angstklachten voortvloeit ook niet toerekenbaar: de studievertraging, gemiste inkomsten, kosten sportschool, de kosten die voortvloeien uit de bezoeken aan de psycholoog en de kosten om met het openbaar vervoer naar school te reizen. De jas en schoenen zijn niet door het handelen van verdachte beschadigd geraakt. Indien en voor zover er immateriële schadevergoeding wordt toegewezen, verzoekt de raadsvrouw om het bedrag te matigen. De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat [slachtoffer 2] niet-ontvankelijk moet worden verklaard in zijn vordering tot schadevergoeding, wegens de verzochte vrijspraak en wegens het niet voldoen aan de wettelijke vereisten. Ten aanzien van de vordering van [slachtoffer 1] heeft de raadsvrouw zich op het standpunt gesteld dat de immateriële schadevergoeding moet worden gematigd tot een bedrag van € 1.500,00.
Oordeel van de rechtbank
Vordering [slachtoffer 2]
De rechtbank stelt vast dat de benadeelde partij minderjarig is en niet is vertegenwoordigd door zijn wettelijk vertegenwoordiger (artikel 51f lid 4 Sv). De benadeelde partij zal daarom niet ontvankelijk worden verklaard in de vordering. De vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
Vordering [slachtoffer 1]
Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk geworden dat de benadeelde partij schade heeft geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het onder parketnummer 18/201473-25 feit 1 primair bewezen verklaarde. Gelet op de bedragen die in soortgelijke zaken worden toegekend als schadevergoeding en rekening houdend met de zogenoemde Rotterdamse schaal, oordeelt de rechtbank ten aanzien van de immateriële schade dat een vergoeding van € 2.000,00 billijk is. De rechtbank zal de gevorderde immateriële schadevergoeding matigen tot dit bedrag en voor het overige afwijzen. Het materiële deel van de vordering is niet weersproken en zal daarom worden toegewezen. In totaal zal de rechtbank de vordering toewijzen tot een bedrag van € 2.757,49, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 2 juli 2025.
Nu vast staat dat verdachte tot het hiervoor genoemde bedrag aansprakelijk is voor de schade die door het bewezen verklaarde is toegebracht, zal de rechtbank de schadevergoedingsmaatregel opleggen om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed.
De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.
Vordering [slachtoffer 5]
Hoewel naar het oordeel van de rechtbank voldoende aannemelijk is geworden dat de benadeelde partij schade heeft geleden, beschikt de rechtbank over onvoldoende informatie om de hoogte van de geleden schade te kunnen beoordelen. De vordering is niet eenvoudig van aard. Op alle punten is gemotiveerd verweer gevoerd en er liggen meerdere incidenten ten grondslag aan de klachten en de schade van het slachtoffer. Daar zijn meerdere verdachten aansprakelijk voor. De rechtbank heeft verdachte vrijgesproken van het onder parketnummer 18/113421-25 feit 1 en 2 ten laste gelegde. Deze feiten liggen mede ten grondslag aan de vordering tot schadevergoeding. Verdachte is voor dat deel niet strafrechtelijk aansprakelijk. De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld voor welk bedrag verdachte wel aansprakelijk is. Vast staat dat verdachte heeft deelgenomen aan het openlijk geweld tegen de benadeelde partij op 8 november 2024. De rechtbank acht het redelijk om daarvoor een bedrag van 500 euro toe te kennen als immateriële schadevergoeding. Schorsing van het onderzoek om de benadeelde partij de hoogte van de overige schade alsnog nader te laten aantonen, zal leiden tot een onevenredige belasting van het strafgeding en daartoe zal dan ook niet worden overgegaan. De rechtbank zal de vordering daarom toewijzen tot 500 euro, vermeerderd met wettelijke rente vanaf 8 november 2024, en voor het overige niet ontvankelijk verklaren. Dat deel van de vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
De rechtbank stelt vast dat verdachte het strafbare feit samen met anderen heeft gepleegd en dat zij naar civielrechtelijke maatstaven hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de schade. De rechtbank zal daarom bepalen dat verdachte de schadevergoeding niet meer aan de benadeelde partij hoeft te betalen indien zijn medeverdachten deze al hebben betaald, en andersom.
Nu vast staat dat verdachte tot het hiervoor genoemde bedrag aansprakelijk is voor de schade die door het bewezen verklaarde is toegebracht, zal de rechtbank de schadevergoedingsmaatregel opleggen om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed.
De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Vordering na voorwaardelijke veroordeling

Bij onherroepelijk geworden vonnis van 16 juni 2025, gewezen door de kinderrechter in de rechtbank Noord-Nederland te Groningen, is verdachte veroordeeld tot -voor zover hier van belang- een werkstraf voor de duur van 50 uur, te vervangen door 25 dagen jeugddetentie, waarvan 25 uur, te vervangen door 12 dagen jeugddetentie, voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren. De proeftijd is ingegaan op 1 juli 2025. De officier van justitie heeft bij vordering d.d. 14 november 2025 de tenuitvoerlegging gevorderd van de bij voormeld vonnis voorwaardelijk opgelegde straf. Het hiervoor onder parketnummer 18/201473-25 feit 1 bewezen verklaarde is door verdachte begaan voor het einde van de bij voormeld vonnis gestelde proeftijd.
Nu veroordeelde de in voormeld vonnis gestelde algemene voorwaarde niet heeft nageleefd, zal de rechtbank de tenuitvoerlegging gelasten van de hem bij voornoemd vonnis van 16 juni 2025 voorwaardelijk opgelegde werkstraf.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 36f, 63, 77a, 77g, 77i, 77m, 77n, 77x, 77y, 77z, 77aa, 77gg, 141, 285, 302 en 311 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie. Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak gelden.

Uitspraak

De rechtbank

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte onder parketnummer 18/201473-25 feit 2 en 3 en onder parketnummer 18/113421-25 feit 1 en 2 is ten laste gelegd en spreekt verdachte daarvan vrij.
Verklaart het onder parketnummer 18/201473-25 feit 1 primair, het onder parketnummer 18/213106-25 feit 1 en 2 en het onder parketnummer 18/113421-25 feit 3 en 4 ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.
Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.
Veroordeelt verdachte tot:

een jeugddetentie voor de duur van 293 dagen.

Bepaalt dat van deze jeugddetentie een gedeelte, groot
240 dagenniet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond dat de veroordeelde zich voor het einde van een proeftijd, welke hierbij wordt vastgesteld op 2 jaren, aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt of de hierna te noemen voorwaarden niet heeft nageleefd.
Beveelt dat de tijd door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde jeugddetentie geheel in mindering zal worden gebracht.
Voorwaarde is, dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig zal maken aan een strafbaar feit.
Stelt als bijzondere voorwaarden:
dat de veroordeelde meewerkt aan de behandeling van [instelling] of een soortgelijke instelling;
dat de veroordeelde meewerkt aan hulpverlening van Youturn 180 of een soortgelijke instelling;
dat de veroordeelde meewerkt aan een verblijf bij Foornu Zorg of een soortgelijke instelling;
dat de veroordeelde volgens rooster dagbesteding en/of onderwijs volgt;
dat de veroordeelde zich niet in of in de directe omgeving van Groningen bevindt, tenzij de jeugdreclassering hier toestemming voor heeft gegeven, zolang de jeugdreclassering dit nodig acht;
dat de veroordeelde inzicht geeft in zijn sociale netwerk.
Draagt Leger des Heils Jeugdbescherming en Reclassering [adres 1] op toezicht te houden op de naleving van de bijzondere voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.
Voorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde gedurende de proeftijd:
- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;
- medewerking zal verlenen aan het jeugdreclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 77aa, eerste tot en met het vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de jeugdreclassering zo vaak en zolang als de jeugdreclassering dit noodzakelijk acht, daaronder begrepen.

Een taakstraf, bestaande uit een werkstraf voor de duur van 95 uren.

Beveelt dat voor het geval de veroordeelde de werkstraf niet naar behoren verricht, vervangende jeugddetentie voor de duur van 47 dagen zal worden toegepast.
Heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van heden.
Vordering benadeelde partij
Ten aanzien van parketnummer 18/201473-25 feit 1
Wijst de vordering van de benadeelde partij toe tot het hierna te noemen bedrag en veroordeelt verdachte om aan [slachtoffer 1] te betalen:
- het bedrag van € 2.757,49 (zegge: tweeduizend zevenhonderdzevenenvijftig euro en negenenveertig eurocent);
- de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 2 juli 2025 tot de dag van algehele voldoening;
- de proceskosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog zal maken, tot heden begroot op nihil.
Wijst de vordering voor het overige af.
Legt aan verdachte de verplichting op om ten behoeve van [slachtoffer 1] aan de Staat te betalen een bedrag van € 2.757,49 (zegge: tweeduizend zevenhonderdzevenenvijftig euro en negenenveertig eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 2 juli 2025 tot de dag van algehele voldoening. Dit bedrag bestaat uit € 757,49 aan materiële schade en € 2.000,00 aan immateriële schade.
Bepaalt dat bij gebreke van volledig verhaal van de betalingsverplichting aan de Staat gijzeling voor de duur van 0 dagen kan worden toegepast.
Bepaalt dat als verdachte voldoet aan de betalingsverplichting aan de benadeelde partij of aan de Staat, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd van de betalingsverplichting aan beiden.
Ten aanzien van parketnummer 18/201473-25 feit 2
Verklaart de vordering van [slachtoffer 2] niet-ontvankelijk. De vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht. Bepaalt dat [slachtoffer 2] zijn eigen proceskosten draagt.
Ten aanzien van parketnummer 18/113421-25 feit 4
Wijst de vordering van de benadeelde partij toe tot het hierna te noemen bedrag en veroordeelt verdachte hoofdelijk, aldus dat als een mededader betaalt, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd, om aan [slachtoffer 5] te betalen:
- het bedrag van € 500,00 (zegge: vijfhonderd euro);
- de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 8 november 2024 tot de dag van algehele voldoening;
- de proceskosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog zal maken, tot heden begroot op nihil.
Verklaart de vordering voor het overige niet-ontvankelijk. Dit deel van de vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
Legt aan verdachte hoofdelijk, aldus dat als een mededader betaalt verdachte in zoverre zal zijn bevrijd, de verplichting op om ten behoeve van [slachtoffer 5] aan de Staat te betalen een bedrag van € 500,00 (zegge: vijfhonderd euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 8 november 2025 tot de dag van algehele voldoening. Dit bedrag bestaat uit immateriële schade.
Bepaalt dat bij gebreke van volledig verhaal van de betalingsverplichting aan de Staat gijzeling voor de duur van 0 dagen kan worden toegepast.
Bepaalt dat als verdachte of een mededader voldoet aan de betalingsverplichting aan de benadeelde partij of aan de Staat, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd van de betalingsverplichting aan beiden.
Beslissing op de vordering na voorwaardelijke veroordeling onder parketnummer 18/113436-25:Gelast de tenuitvoerlegging van de werkstraf voor zover voorwaardelijk opgelegd bij vonnis van de kinderrechter in de rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen d.d. 16 juni 2025, te weten: 25 uur werkstraf, te vervangen door 12 dagen jeugddetentie.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.B.W. [getuige 2] , voorzitter, tevens kinderrechter,
mr. O.J. Bosker en mr. K. Offerein-Hulshoff, rechters, bijgestaan door mr. M.M. Peters, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 19 december 2025.