ECLI:NL:RBNNE:2025:5432

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
24 december 2025
Publicatiedatum
22 december 2025
Zaaknummer
18.170886.25
Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Type
Uitspraak
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor poging tot doodslag met hamer en vernieling van ruit

Op 24 december 2025 heeft de Rechtbank Noord-Nederland uitspraak gedaan in een strafzaak tegen een verdachte die op 26 mei 2025 in Delfzijl een poging tot doodslag heeft gepleegd. De verdachte heeft met een hamer op het hoofd van het slachtoffer, [slachtoffer 1], geslagen, terwijl hij in de veronderstelling verkeerde dat zijn zus, [slachtoffer 2], in gevaar was. De rechtbank oordeelde dat er vol opzet was bewezen, aangezien de verdachte tijdens het geweld herhaaldelijk riep: 'Ik maak je dood'. De rechtbank heeft de verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf van 36 maanden, waarvan 12 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren. Daarnaast is de vordering van de benadeelde partij gedeeltelijk toegewezen, waarbij de rechtbank een schadevergoeding van 20.000 euro heeft vastgesteld voor zowel materiële als immateriële schade. De rechtbank heeft ook bijzondere voorwaarden opgelegd, waaronder een contactverbod met het slachtoffer en de verplichting om zich te melden bij de reclassering. De zaak is behandeld op tegenspraak en de verdachte was aanwezig, bijgestaan door zijn advocaat, mr. B. Hartman, terwijl het openbaar ministerie werd vertegenwoordigd door mr. R.D. van Essen.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht
Locatie Groningen
parketnummer 18.170886.25
Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 24 december 2025 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1998 te [geboorteplaats] , wonende te [adres] ,
thans gedetineerd te [instelling] .
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 12 december 2025. Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. B. Hartman, advocaat te Amsterdam. Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. R.D. van Essen.
Tenlastelegging
Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
1
hij op of omstreeks 26 mei 2025 te Delfzijl, gemeente Eemsdelta ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk een ander, te weten [slachtoffer 1] van het leven te beroven, in elk geval zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, meermalen met een hamer, in elk geval een voorwerp, op/tegen het hoofd in elk geval het lichaam heeft gelagen,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
2
hij op of omstreeks 26 mei 2025 te Delfzijl, gemeente Eemsdelta opzettelijk en wederrechtelijk een ruit (van een deur), in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan een ander, te weten aan [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 1] , toebehoorde heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt en/of weggemaakt.

Beoordeling van het bewijs

Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft veroordeling gevorderd voor beide feiten, te weten poging tot doodslag en vernieling.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft betoogd dat verdachte moet worden vrijgesproken van feit 1. Hij heeft daartoe het volgende aangevoerd.
Het dossier geeft geen uitsluitsel over de aard van het geweld en de ernst van het letsel van aangever. Het is onvoldoende duidelijk of er met een voorwerp is geslagen en evenmin is duidelijk wat de aard van het voorwerp is waarmee zou zijn geslagen. Daarnaast is er geen duidelijkheid verkregen over de intensiteit waarmee zou zijn geslagen . Hierdoor zijn er in het dossier onvoldoende objectieve indicatoren aanwezig om te kunnen spreken van een aanmerkelijke kans op een dodelijk gevolg.
De raadsman refereert zich aan het oordeel van de rechtbank ten aanzien van feit 2.
Oordeel van de rechtbank
Ten aanzien van feit 1
De rechtbank past de volgende bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder zakelijk weergegeven.
De door verdachte ter zitting van 12 december 2025 afgelegde verklaring, voor zover inhoudend: Ik ben met een hamer de woning ingegaan;
Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d.26 mei 2025, opgenomen op pagina 18 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer PL0100-2025137862 d.d. 8 juli
2025, inhoudend als verklaring van [slachtoffer 1] :
Op 26 mei 2025 bevond ik mij thuis aan de [adres] . Ik was op dat moment samen met mijn vriendin. [slachtoffer 2] , en wij zaten aan de eettafel in de woonkamer. Omstreeks 18.15 uur hoorde ik geklop aan de voordeur. Voordat ik het balkon bereikte, hoorde ik een harde klap en glasgerinkel vanaf de voorkant van de woning. Ik was er honderd procent zeker van dat het geluid van de voordeur kwam. Toen de woonkamerdeur openging, stond ik in de woonkamer, tussen de bank en de kachel; dit was namelijk de looproute naar het balkon. Op dat moment zag ik dat de verdachte, [verdachte] , op mij af kwam rennen. Terwijl ik tussen de bank en de kachel stond, sloeg hij mij. Wel voelde ik dat hij mij twee á drie keer met een hamer op mijn hoofd sloeg. Ik voelde de klappen duidelijk en ze deden veel pijn. Ik zag dat [verdachte] dat opzettelijk en met kracht deed. Terwijl ik nog op de grond lag, bleef [verdachte] op mij inslaan. Het voelde alsof hij ongeveer één minuut doorging met slaan. Ik hoorde [slachtoffer 2] roepen: "Nee, niet doen!" Ik hoorde ook [verdachte] schreeuwen: "Ik maak je dood!" Hij herhaalde deze woorden meerdere keren, maar ik wist niet meer hoe vaak precies. Mijn moeder bracht mij met de auto naar het ziekenhuis in [plaats] . Ik had ook foto's van mijn verwondingen. Op dat moment voelde ik mij misselijk, duizelig en zweterig. Van de arts kreeg ik te horen dat ik een zware hersenschudding had opgelopen. Op mijn hoofd zat een snee van drie a vier centimeter, midden boven op mijn hoofd;
3. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aanvullend verhoor aangever d.d. 27 mei 2025, opgenomen op pagina 28 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als verklaring van [slachtoffer 1] :
V. Ik las dat hij heeft gezegd : ' ik maak je dood".
A. Dat is het enige wat hij steeds heeft gezegd, 'ik maak je dood, ik maak je dood'.
V. Denk je dat hij dat zou doen, dat hij daar tot toe in staat is?
A. Als ik me niet afweerde, of [slachtoffer 2] er niet tussen zou staan had hij me dood gemaakt. Ik zag dat hij echt de hamer vanaf achteren uithaalde en meerdere malen op mij insloeg, hij deed dit met heel wat kracht;
4. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van getuigenverhoor d.d. 27 mei 2025, opgenomen op pagina 33 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als verklaring van [slachtoffer 2] :
Ik was die avond met mijn vriend, [slachtoffer 1] . Ik woon samen met hem aan de [adres] . Er werd bij ons op de deur geklopt. Ik was richting de deur gelopen. Op het moment dat ik de deur van de hal open deed om bij de voordeur te komen zag ik dat het glas kapot werd geslagen. Het raam van de voordeur is doorzichtig en ik kon er direct door heen kijken. Ik zag dat mijn broertje, [verdachte] , voor de deur stond. Ik zag dat hij een hamer in zijn hand had. Dit zag ik nadat hij het glas van de voordeur in had geslagen met deze hamer. Ik zag dat mijn broertje met zijn hand door het kapot geslagen raam van de voordeur de deur aan de binnenzijde open maakte. Ik zag dat hij direct naar binnen rende. Mijn broertje rende mij voorbij en ik zag dat hij op [slachtoffer 1] af rende. Ik zag dat mijn broertje de hamer nog in zijn hand hield. Ik vermoed in zijn rechterhand. Ik weet het bijna wel zeker. Hij rende langs mij en volgens mij had hij de hamer in die hand vast. Hij is ook rechtshandig. Ik ben direct achter mijn broertje aan gerend. Ik weet niet zeker of ik direct tussen [slachtoffer 1] en mijn broertje stond op het moment dat mijn broertje [slachtoffer 1] sloeg met de hamer of net daarna. Ik weet ook niet hoe vaak mijn broertje [slachtoffer 1] heeft geslagen met de hamer maar ik weet dat het meerdere keren was. Mijn broertje heeft [slachtoffer 1] iedere keer geslagen op zijn hoofd. Ik was zo gefocust op [slachtoffer 1] of hij nog leefde en hoe gewond hij was dat ik niet heb gemerkt dat mijn broertje weg was gegaan;
5. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen, inclusief foto van de verwonding, d.d. 26 mei 2025, opgenomen op pagina 12 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als relaas van verbalisanten [verbalisant] en [verbalisant] :
Op 26 mei 2025 waren wij, verbalisanten [verbalisant] en [verbalisant] , beiden werkzaam bij de politie Noord-Nederland, basisteam Ommelanden-Noord, belast met de incidentenafhandeling van de gemeente Eemsdelta. Op genoemde dag omstreeks 18:25 uur kregen wij een melding van een centralist van het Operationeel Centrum te Drachten. Ter plaatse aangekomen zagen wij het slachtoffer, naar later bleek [slachtoffer 1] , op de balustrade voor de woning staan. Wij liepen de flat
binnen en zagen op de derde etage dat het raam van de voordeur kapot was. Wij zagen dat er veel glas op de vloer lag.
Vervolgens hebben wij [slachtoffer 1] aangesproken, deze was goed aanspreekbaar maar had een flinke verwonding aan de bovenzijde van zijn hoofd. Wij hoorden [slachtoffer 1] zeggen dat er ontzettend hard op de deur werd geklopt terwijl ze in de woonkamer op de bank zaten, vervolgens dat er glasgerinkel was te horen en dat er vervolgens iemand met een hamer binnenkwam en begon in te slaan op [slachtoffer 1] . Vervolgens ging ik, verbalisant [verbalisant] , buiten de woning in gesprek met de vriendin van [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] . Ik hoorde [slachtoffer 2] zeggen dat ze hard gebonk hoorde op de voordeur, vervolgens glasgerinkel hoorde en dat ze iemand zag binnen komen. Ik hoorde haar vervolgens zeggen dat haar broertje herkende als degene die binnenkwam. Vervolgens hoorde ik haar zeggen dat haar broertje de kamer binnen kwam met een hamer en dat ze zag dat hij insloeg op [slachtoffer 1] . Het broertje betrof [verdachte] .
Ten aanzien van feit 2
De rechtbank acht feit 2 wettig en overtuigend bewezen, zoals hierna opgenomen in de bewezenverklaring. Nu verdachte dit feit duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend, volstaat de rechtbank met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering.
Deze opgave luidt als volgt:
De verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 12 december 2025;
Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van getuigenverhoor d.d. 27 mei 2025, opgenomen op pagina 33 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als verklaring van [slachtoffer 2] :
Ik was die avond met mijn vriend, [slachtoffer 1] . Ik woon samen met hem aan de [adres] . Er werd bij ons op de deur geklopt. Ik was richting de deur gelopen. Op het moment dat ik de deur van de hal open deed om bij de voordeur te komen zag ik dat het glas kapot werd geslagen. Het raam van de voordeur is doorzichtig en ik kon er direct door heen kijken. Ik zag dat mijn broertje, [verdachte] , voor de deur stond. Ik zag dat hij een hamer in zijn hand had. Dit zag ik nadat hij het glas van de voordeur in had geslagen met deze hamer. Ik zag dat mijn broertje met zijn hand door het kapot geslagen raam van de voordeur de deur aan de binnenzijde open maakte. Ik zag dat hij direct naar binnen rende. Mijn broertje rende mij voorbij en ik zag dat hij op [slachtoffer 1] af rende. Ik zag dat mijn broertje de hamer nog in zijn hand hield. Ik vermoed in zijn rechterhand. Ik weet het bijna wel zeker. Hij rende langs mij en volgens mij had hij de hamer in die hand vast. Hij is ook rechtshandig. Ik ben direct achter mijn broertje aan gerend. Ik weet niet zeker of ik direct tussen [slachtoffer 1] en mijn broertje stond op het moment dat mijn broertje [slachtoffer 1] sloeg met de hamer of net daarna. Ik weet ook niet hoe vaak mijn broertje [slachtoffer 1] heeft geslagen met de hamer maar ik weet dat het meerdere keren was. Mijn broertje heeft [slachtoffer 1] iedere keer geslagen op zijn hoofd. Ik was zo gefocust op [slachtoffer 1] of hij nog leefde en hoe gewond hij was dat ik niet heb gemerkt dat mijn broertje weg was gegaan.

Bewijsoverweging feit 1

Uit het strafdossier en het verhandelde ter terechtzitting volgt dat verdachte met een hamer naar de woning van zijn zus en haar partner (aangever) is gegaan. Hij heeft met de hamer een ruit ingeslagen en heeft de woning betreden. Vervolgens is hij, nadat hij zijn zus [slachtoffer 2] in de hal voorbij is gerend, op aangever afgerend, heeft hij geschreeuwd: Ik maak je dood en heeft hij hem met de hamer op het hoofd geslagen. Verdachte stelt dat hij naar binnen is gerend met een hamer omdat hij in de veronderstelling verkeerde dat zijn zusje in gevaar was. Volgens verdachte was er sprake van huiselijk geweld in de relatie en was hij gebeld met de mededeling dat zijn zusje zou worden aangevallen door aangever. Volgens verdachte kwam aangever bij binnenkomst in de woning op hem afgerend. Verdachte
ontkent aangever te hebben geslagen met een hamer. De rechtbank acht deze verklaring van verdachte onaannemelijk, gelet op de verklaringen van aangever en getuige, te weten de zus van verdachte.
Verdachte erkent met een hamer de woning in te zijn gegaan. Zowel aangever als getuige verklaren dat verdachte met een hamer op het hoofd van aangever heeft geslagen. De getuige heeft tevens verklaard dat verdachte haar direct voorbij rende en op aangever afstormde. De rechtbank oordeelt deze verklaringen als betrouwbaar aangezien zowel aangever ( [slachtoffer 1] ) als getuige ( [slachtoffer 2] ) naar het oordeel van de rechtbank ieder voor zich consistent over de gebeurtenissen hebben verklaard. De rechtbank hecht temeer waarde hieraan, aangezien de verklaringen kort na het incident zijn afgelegd. De rechtbank ziet geen aanknopingspunten in het dossier om aan te nemen dat de zus van verdachte de partner van aangever toen onmiddellijk in gevaar zou zijn doordat aangever haar iets had willen aandoen. De rechtbank heeft vastgesteld dat het dossier geen (forensisch-) medische informatie bevat over (de aard van) het letsel en of dit past bij de beschreven toedracht. Het dossier bevat een foto waarop letsel op het hoofd van aangever te zien is. Gelet hierop kan er naar het oordeel van de rechtbank, in samenhang bezien met de verklaringen van aangever en getuige alsmede met de bevindingen van de politie hieromtrent, worden vastgesteld dat er tenminste één keer met de hamer op het hoofd van aangever is geslagen.
Opzet
Daarnaast ziet de rechtbank zich voor de vraag gesteld of er sprake is van opzet op de (impliciet primair tenlastegelegde) levensberoving, al dan niet in voorwaardelijke zin. De gedraging van de verdachte, zoals daarvan uit de voornoemde vastgestelde feiten en omstandigheden blijkt, is naar haar uiterlijke verschijningsvorm zozeer gericht geweest op het gevolg, de dood van de aangever, dat dit naar het oordeel van de rechtbank vol opzet op dodelijk letsel bij de aangever oplevert. Hierbij betrekt de rechtbank met name de omstandigheid dat de verdachte tijdens het geweld heeft geroepen Ik maak je dood.
Daarnaast heeft verdachte welbewust en doelgericht met de hamer - een hard en zwaar voorwerp - op het hoofd van aangever geslagen, dat (zoals algemeen bekend is) een kwetsbaar deel van het menselijk lichaam is. Een slag met een hamer op het hoofd kan tot dodelijk letsel leiden. Het slachtoffer heeft gelukkig slechts een hoofdwond aan de aanval overgehouden. Het is echter niet aan het handelen van verdachte te danken dat het niet veel erger is afgelopen. Verdachte heeft door dit handelen een grove inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht de feiten 1 en 2 wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:
1
hij op 26 mei 2025 te Delfzijl, gemeente Eemsdelta ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk een ander, te weten [slachtoffer 1] van het leven te beroven, met een hamer op het hoofd heeft geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
2
hij op 26 mei 2025 te Delfzijl, gemeente Eemsdelta opzettelijk en wederrechtelijk een ruit (van een deur), die geheel een ander, te weten aan [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 1] , toebehoorde heeft vernield.
Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:
poging tot doodslag
opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort vernielen
Deze feiten zijn strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafmotivering

Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van feit 1 en feit 2 wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 42 maanden met aftrek van de tijd doorgebracht in voorarrest, waarvan 12 maanden voorwaardelijk. De officier van justitie heeft daarnaast gevorderd dat de proeftijd op 3 jaren wordt gesteld en dat de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden aan de voorwaardelijke gevangenisstraf worden verbonden. De officier van justitie heeft ten slotte gevorderd dat de bijzondere voorwaarden dadelijk uitvoerbaar moeten worden verklaard. .
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft gepleit voor vrijspraak voor feit 1 en subsidiair een matiging van de duur van een gevangenisstraf voor beide feiten. De eis van de officier van justitie is de absolute bovengrens van de OM-richtlijn. Verdachte dient er bij het opleggen van een onvoorwaardelijke straf en een voorwaardelijk strafdeel niet slechter af te komen dan bij oplegging van een geheel onvoorwaardelijke straf waarbij voorwaardelijke invrijheidstelling mogelijk is. Ook dient mee te spelen dat verdachte de zorg heeft over een jong zoontje. De raadsman ziet geen noodzaak voor dadelijke uitvoerbaarheid van de bijzondere voorwaarden.
Oordeel van de rechtbank
Algemeen
Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek ter terechtzitting, het reclasseringsadvies van 30 juli 2025, het uittreksel uit de justitiële documentatie van
4 november 2025, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de verdediging.
De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
De ernst van de feiten
De verdachte heeft met een hamer de ruit van de woning van het slachtoffer vernield, waarna hij de woning is binnengedrongen. Vervolgens is hij op het slachtoffer afgerend en heeft hem met de hamer op het hoofd geslagen. Door dit handelen heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan een poging tot doodslag. Dit alles heeft zich afgespeeld in de woning van het slachtoffer, de plek waar hij zich bij uitstek veilig hoort te voelen. Dit zijn zeer ernstige feiten. Het slachtoffer heeft aan de confrontatie met verdachte een snee in zijn hoofd opgelopen en een hersenschudding. Hij mag van geluk spreken dat het niet erger voor hem is afgelopen. Het slaan met een hamer tegen een kwetsbaar lichaamsdeel als het hoofd had immers veel verdergaande gevolgen kunnen hebben. Uit de vordering tot schadevergoeding blijkt dat het voorval veel impact heeft gehad op het slachtoffer. Dat alles is verdachte aan te rekenen.
Strafblad
Uit het strafblad van verdachte volgt dat verdachte in de laatste vijf jaar niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke feiten.
Persoon van verdachte
Uit het reclasseringsrapport van 30 juli 2025 volgt dat er problemen worden gesignaleerd op onder meer het psychosociaal functioneren. Het slachtoffer is de vriend van de zus van verdachte. Verdachte maakte zich zorgen over de verhouding tussen zijn zus en haar partner (aangever) en heeft zelf actie ondernomen in plaats van de politie te bellen. Achteraf gezien geeft hij hierover aan dat hij dit misschien beter wel had kunnen doen. Tegelijkertijd geeft hij ook aan dat hij het zichzelf nooit zou vergeven als er wel wat met zijn zusje gebeurd zou zijn in de periode dat ze aan het wachten zouden zijn op de politie. De reclassering schat het herhalingsgevaar in het algemeen in op laag-gemiddeld en het risico op letsel achten zij gemiddeld. De reclassering adviseert bij een veroordeling een (deels) voorwaardelijke straf met als bijzondere voorwaarden een meldplicht, ambulante behandeling in verband met eventuele agressieproblematiek en een contactverbod met het slachtoffer.
Straf
Het zwaartepunt voor de strafoplegging ligt bij de poging tot doodslag. In beginsel is een forse onvoorwaardelijke gevangenisstraf het uitgangspunt voor dit feit. De rechtbank is van oordeel dat een gevangenisstraf een passende reactie is, waarbij ook een deel in onvoorwaardelijke vorm moet worden opgelegd, ook ten behoeve van de vergelding. Hierbij kijkt de rechtbank ook naar opgelegde straffen in soortgelijke zaken.
Alles afwegend zal de rechtbank aan verdachte een gevangenisstraf opleggen van 36 maanden waarvan 12 maanden voorwaardelijk, met aftrek van de tijd die verdachte al in voorarrest heeft doorgebracht. De rechtbank stelt de proeftijd vast op 3 jaren en zal de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden aan het voorwaardelijke deel van de gevangenisstraf verbinden.
Een conflict in de familiesfeer lijkt ten grondslag te liggen aan de strafbare feiten. Mede gelet op het reclasseringsrapport heeft de rechtbank zorgen over mogelijk herhalingsgevaar. De rechtbank is van oordeel dat er rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte wederom een misdrijf tegen aangever zal begaan, indien hij zich genoodzaakt voelt om zijn zusje te beschermen. Om die reden zal de rechtbank de gestelde bijzondere voorwaarde van een contactverbod dadelijk uitvoerbaar verklaren.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering.
Benadeelde partij
[slachtoffer 1] heeft zich als benadeelde partij in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Gevorderd wordt een bedrag van 23.120,00 ter vergoeding van materiële schade en 20.000,00 ter vergoeding van immateriële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij kan worden toegewezen en dat daarbij de schadevergoedingsmaatregel dient te worden opgelegd.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij gedeeltelijk kan worden toegewezen. Het materiële deel, in het bijzonder de vergoeding van de gederfde inkomsten, dient te worden afgewezen dan wel niet-ontvankelijk te worden verklaard nu niet onderbouwd is of aangever opdrachten tot werk had voor de periode na het incident en in hoeverre hij in staat is om werkzaamheden te verrichten. Het immateriële deel dient gematigd te worden tot een bedrag van maximaal 5.000,00 nu er onvoldoende duidelijkheid is over de aard en ernst van het letsel en de gevolgen hiervan.
Oordeel van de rechtbank
Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk dat de benadeelde partij schade heeft geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het onder feit 1 bewezen verklaarde. De materiële schade ziet op inkomensverlies doordat verdachte niet heeft kunnen werken en over de komende ingeschatte zes maanden waarin hij geen werkzaamheden kan uitvoeren. Daarbij is een behandeladvies van de HKS overgelegd als onderbouwing. De rechtbank stelt dat dit slechts een advies betreft, maar dat er op dit moment niets bekend is over het resultaat van de behandelingen en over hoe lang het herstel gaat duren. De rechtbank acht het daarom redelijk en billijk de materiële kostenpost tot een bedrag van 10.000,00 toe te wijzen.
De immateriële schade ziet op de (psychische) gevolgen van het incident. Hierbij wordt verwezen naar de Rotterdamse schaal ter onderbouwing van het gevorderde bedrag. De rechtbank is van oordeel dat met enkel een behandeladvies als onderbouwing, niet zomaar kan worden aangesloten bij de hoogste categorie PTSS bij de Rotterdamse schaal.
De rechtbank acht het daarom redelijk en billijk de immateriële kostenpost tot een bedrag van 10.000,00 toe te wijzen.
Gebruikmakend van haar schattingsbevoegdheid ex artikel 6:97 van het Burgerlijk Wetboek schat de rechtbank de hoogte van de schade op 20.000,00. De rechtbank zal de vordering tot dit bedrag toewijzen en voor het overige deel niet-ontvankelijk verklaren.
Nu de aansprakelijkheid van verdachte vaststaat, zal de rechtbank de schadevergoedingsmaatregel opleggen om te bevorderen dat verdachte de schade zal vergoeden.
De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 45, 57, 287, 350, van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak gelden.

Uitspraak

De rechtbank

Verklaart het onder feit 1 (poging doodslag ) en feit 2 ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.
Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.
Veroordeelt verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden.

Bepaalt dat van deze gevangenisstraf
een gedeelte, te weten 12 maanden, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond, dat de veroordeelde voor het einde van of gedurende de proeftijd, die hierbij wordt vastgesteld op
3 jaren, de hierna te noemen voorwaarden niet heeft nageleefd.
Beveelt dat de tijd die de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf, geheel in mindering zal worden gebracht.
Voorwaarde is, dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig zal maken aan een strafbaar feit.
Stelt als bijzondere voorwaarden:
-
De veroordeelde meldt zich binnen twee werkdagen na het onherroepelijk worden van het vonnis bij de bureaudienst van Reclassering Nederland aan [adres] , 088-8041100 en blijft zich melden op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. Hij volgt de aanwijzingen op die hem door of namens de reclassering gegeven worden voor zover in andere voorwaarden niet al benoemd. Binnen het toezicht worden (sub)doelen geformuleerd waarvoor hij zich in zal zetten deze te behalen.
Binnen het toezicht zal eveneens aandacht zijn voor zijn rol als broer en de angsten die hij ervaart om zijn zus. Hoe daar mee om te gaan en kijken of en hoe het contact met zijn zus weer te herstellen is.
- De veroordeelde werkt, indien door de reclassering noodzakelijk wordt geacht, mee aan een intake
(onderzoek impulscontrole, eventuele agressieproblematiek) en indien geïndiceerd laat hij zich behandelen door de AFPB of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering. De behandeling start na aanmelding en duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. Hij houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling.
- De veroordeelde heeft of zoekt op geen enkele wijze - direct of indirect - contact met aangever,
[slachtoffer 1] , geboren op [geboortedatum] 1994, zolang het Openbaar Ministerie dit verbod nodig vindt. De politie treedt reactief op in dit toezicht. Mocht contact in het kader van herstel of bemiddeling nodig zijn, zal dit altijd in overleg met de reclassering en een derde instantie plaatsvinden en na overleg met het Openbaar Ministerie.
Geeft aan Reclassering Nederland de opdracht als bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.
Voorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde gedurende de proeftijd:
  • ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;
  • medewerking zal verlenen aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zo lang als de reclassering dit noodzakelijk acht, daaronder begrepen.
Beveelt dat het voormelde contactverbod dadelijk uitvoerbaar is.
Ten aanzien van feit 1
Wijst de vordering van de benadeelde partij toe tot 20.000,00 en veroordeelt verdachte om aan [slachtoffer 1] te betalen:
  • het bedrag van 20.000,00 (zegge: twintigduizend euro);
  • de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 26 mei 2025 tot de dag van algehele voldoening;
  • de proceskosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog zal maken, tot heden begroot op nihil.
Verklaart de vordering van [slachtoffer 1] voor het overige niet-ontvankelijk. Dit deel van de vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
Legt aan verdachte de verplichting op om ten behoeve van [slachtoffer 1] aan de Staat te betalen een bedrag van 20.000,00 (zegge: twintigduizend euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 26 mei 2025 tot de dag van algehele voldoening. Dit bedrag bestaat uit
10.000,00 aan materiële schade en 10.000,00 aan immateriële schade.
Bepaalt dat bij gebreke van volledig verhaal van de betalingsverplichting aan de Staat gijzeling voor de duur van 135 dagen kan worden toegepast. De toepassing van gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.
Bepaalt dat als verdachte voldoet aan de betalingsverplichting aan de benadeelde partij of aan de Staat, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd van de betalingsverplichting aan beiden.
Dit vonnis is gewezen door mr. E.P. van Sloten, voorzitter, mr. M.A.M. Wolters en
mr. A.L.J.M.A. Janssens, bijgestaan door J. Kunst, griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 24 december 2025.