V. Denk je dat hij dat zou doen, dat hij daar tot toe in staat is?
A. Als ik me niet afweerde, of [slachtoffer 2] er niet tussen zou staan had hij me dood gemaakt. Ik zag dat hij echt de hamer vanaf achteren uithaalde en meerdere malen op mij insloeg, hij deed dit met heel wat kracht;
4. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van getuigenverhoor d.d. 27 mei 2025, opgenomen op pagina 33 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als verklaring van [slachtoffer 2] :
Ik was die avond met mijn vriend, [slachtoffer 1] . Ik woon samen met hem aan de [adres] . Er werd bij ons op de deur geklopt. Ik was richting de deur gelopen. Op het moment dat ik de deur van de hal open deed om bij de voordeur te komen zag ik dat het glas kapot werd geslagen. Het raam van de voordeur is doorzichtig en ik kon er direct door heen kijken. Ik zag dat mijn broertje, [verdachte] , voor de deur stond. Ik zag dat hij een hamer in zijn hand had. Dit zag ik nadat hij het glas van de voordeur in had geslagen met deze hamer. Ik zag dat mijn broertje met zijn hand door het kapot geslagen raam van de voordeur de deur aan de binnenzijde open maakte. Ik zag dat hij direct naar binnen rende. Mijn broertje rende mij voorbij en ik zag dat hij op [slachtoffer 1] af rende. Ik zag dat mijn broertje de hamer nog in zijn hand hield. Ik vermoed in zijn rechterhand. Ik weet het bijna wel zeker. Hij rende langs mij en volgens mij had hij de hamer in die hand vast. Hij is ook rechtshandig. Ik ben direct achter mijn broertje aan gerend. Ik weet niet zeker of ik direct tussen [slachtoffer 1] en mijn broertje stond op het moment dat mijn broertje [slachtoffer 1] sloeg met de hamer of net daarna. Ik weet ook niet hoe vaak mijn broertje [slachtoffer 1] heeft geslagen met de hamer maar ik weet dat het meerdere keren was. Mijn broertje heeft [slachtoffer 1] iedere keer geslagen op zijn hoofd. Ik was zo gefocust op [slachtoffer 1] of hij nog leefde en hoe gewond hij was dat ik niet heb gemerkt dat mijn broertje weg was gegaan;
5. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen, inclusief foto van de verwonding, d.d. 26 mei 2025, opgenomen op pagina 12 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als relaas van verbalisanten [verbalisant] en [verbalisant] :
Op 26 mei 2025 waren wij, verbalisanten [verbalisant] en [verbalisant] , beiden werkzaam bij de politie Noord-Nederland, basisteam Ommelanden-Noord, belast met de incidentenafhandeling van de gemeente Eemsdelta. Op genoemde dag omstreeks 18:25 uur kregen wij een melding van een centralist van het Operationeel Centrum te Drachten. Ter plaatse aangekomen zagen wij het slachtoffer, naar later bleek [slachtoffer 1] , op de balustrade voor de woning staan. Wij liepen de flat
binnen en zagen op de derde etage dat het raam van de voordeur kapot was. Wij zagen dat er veel glas op de vloer lag.
Vervolgens hebben wij [slachtoffer 1] aangesproken, deze was goed aanspreekbaar maar had een flinke verwonding aan de bovenzijde van zijn hoofd. Wij hoorden [slachtoffer 1] zeggen dat er ontzettend hard op de deur werd geklopt terwijl ze in de woonkamer op de bank zaten, vervolgens dat er glasgerinkel was te horen en dat er vervolgens iemand met een hamer binnenkwam en begon in te slaan op [slachtoffer 1] . Vervolgens ging ik, verbalisant [verbalisant] , buiten de woning in gesprek met de vriendin van [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] . Ik hoorde [slachtoffer 2] zeggen dat ze hard gebonk hoorde op de voordeur, vervolgens glasgerinkel hoorde en dat ze iemand zag binnen komen. Ik hoorde haar vervolgens zeggen dat haar broertje herkende als degene die binnenkwam. Vervolgens hoorde ik haar zeggen dat haar broertje de kamer binnen kwam met een hamer en dat ze zag dat hij insloeg op [slachtoffer 1] . Het broertje betrof [verdachte] .
De rechtbank acht feit 2 wettig en overtuigend bewezen, zoals hierna opgenomen in de bewezenverklaring. Nu verdachte dit feit duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend, volstaat de rechtbank met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering.
Deze opgave luidt als volgt:
De verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 12 december 2025;
Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van getuigenverhoor d.d. 27 mei 2025, opgenomen op pagina 33 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als verklaring van [slachtoffer 2] :
Ik was die avond met mijn vriend, [slachtoffer 1] . Ik woon samen met hem aan de [adres] . Er werd bij ons op de deur geklopt. Ik was richting de deur gelopen. Op het moment dat ik de deur van de hal open deed om bij de voordeur te komen zag ik dat het glas kapot werd geslagen. Het raam van de voordeur is doorzichtig en ik kon er direct door heen kijken. Ik zag dat mijn broertje, [verdachte] , voor de deur stond. Ik zag dat hij een hamer in zijn hand had. Dit zag ik nadat hij het glas van de voordeur in had geslagen met deze hamer. Ik zag dat mijn broertje met zijn hand door het kapot geslagen raam van de voordeur de deur aan de binnenzijde open maakte. Ik zag dat hij direct naar binnen rende. Mijn broertje rende mij voorbij en ik zag dat hij op [slachtoffer 1] af rende. Ik zag dat mijn broertje de hamer nog in zijn hand hield. Ik vermoed in zijn rechterhand. Ik weet het bijna wel zeker. Hij rende langs mij en volgens mij had hij de hamer in die hand vast. Hij is ook rechtshandig. Ik ben direct achter mijn broertje aan gerend. Ik weet niet zeker of ik direct tussen [slachtoffer 1] en mijn broertje stond op het moment dat mijn broertje [slachtoffer 1] sloeg met de hamer of net daarna. Ik weet ook niet hoe vaak mijn broertje [slachtoffer 1] heeft geslagen met de hamer maar ik weet dat het meerdere keren was. Mijn broertje heeft [slachtoffer 1] iedere keer geslagen op zijn hoofd. Ik was zo gefocust op [slachtoffer 1] of hij nog leefde en hoe gewond hij was dat ik niet heb gemerkt dat mijn broertje weg was gegaan.