Het college van Gedeputeerde Staten van de Provincie Drenthe legde aan eiser een last onder dwangsom op om een deel van zijn perceel her te beplanten met bomen vóór 1 juni 2026, met een dwangsom van maximaal €24.000,- bij niet-naleving. Eiser betwistte deze last en voerde verschillende beroepsgronden aan.
De rechtbank oordeelde dat het perceel niet geheel als tuin of erf kan worden aangemerkt, omdat het grootste deel van het perceel in 2020/2021 als bos was ingericht en gebruikt. De herplantplicht geldt volgens artikel 11.129 van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) voor gekapte houtopstanden, met uitzondering van erven en tuinen. De rechtbank stelde vast dat eiser de herplantplicht heeft overtreden.
Verder stelde eiser dat sprake was van dunning, dat de last te verstrekkend en onuitvoerbaar zou zijn, en dat de last onduidelijk en onevenredig bezwarend is. De rechtbank verwierp deze gronden, onder meer omdat het perceel deels agrarisch is bestemd, het onderzoek naar bodemgesteldheid onvoldoende was, en de last duidelijk en passend is in het licht van het doel van behoud van bosareaal.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, wees het griffierecht af en kende geen proceskosten toe. De uitspraak is gedaan door rechter L. Mulder op 23 december 2025.