ECLI:NL:RBNNE:2025:5581

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
30 december 2025
Publicatiedatum
30 december 2025
Zaaknummer
18-252669-25
Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Type
Uitspraak
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verdenking van inbraken met DNA-bewijs en vrijspraak voor een van de feiten

In deze zaak heeft de Rechtbank Noord-Nederland op 30 december 2025 uitspraak gedaan in een strafzaak tegen een verdachte die werd beschuldigd van twee inbraken. De rechtbank heeft de verdachte vrijgesproken van de inbraak bij een vereniging, omdat het door de verdachte aangedragen alternatieve scenario over zijn aanwezigheid nabij de pleeglocatie niet ongeloofwaardig was en er onvoldoende bewijs was om zijn betrokkenheid te bevestigen. De rechtbank oordeelde dat het DNA van de verdachte, dat op de dag van de inbraak was aangetroffen op de binnenzijde van een opengebroken gokautomaat in een café, voldoende bewijs bood voor de tweede inbraak. De rechtbank legde de verdachte een onvoorwaardelijke ISD-maatregel op voor de duur van twee jaren, gezien zijn recidive en de ernst van de feiten. De rechtbank heeft ook beslist op de vorderingen van de benadeelde partijen, waarbij de vordering van de vereniging niet-ontvankelijk werd verklaard, maar de vordering van het café werd toegewezen tot een bedrag van 5.329,12 euro, vermeerderd met wettelijke rente. De rechtbank heeft de bijzondere voorwaarden van een eerdere voorwaardelijke veroordeling opgeheven, gezien de oplegging van de ISD-maatregel.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Afdeling strafrecht
Locatie Leeuwarden
Parketnummer 18-252669-25
Vordering na voorwaardelijke veroordeling parketnummer 18-245071-23
Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 30 december 2025 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1978 te [geboorteplaats] , wonende [adres] ,
thans gedetineerd in de [verblijfplaats] .
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 16 december 2025. Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. B.P.M. Canoy, advocaat te Leeuwarden.
Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. N. Hof.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
1
hij op of omstreeks 23 juni 2025 te Leeuwarden ( [adres] ) een grote hoeveelheid blikjes drinken en/of een kistje met contant geld en/of consumptiebriefjes en/of een breekijzer en/of een airfryer en/of een speaker, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [vereniging] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en/of die weg te nemen goederen onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak en/of verbreking en/of inklimming;
2
hij op of omstreeks 13 augustus 2025 te Leeuwarden ( [adres] ) contant geld en/of apparatuur en/of koolzuurflessen, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [café] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en/of die weg te nemen goederen onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak en/of verbreking en/of inklimming.

Beoordeling van het bewijs

Het standpunt van de officier van justitie
Feit 1
De officier van justitie heeft bewezenverklaring gevorderd voor feit 1, gelet op de aangifte van [aangever 1] en de door verbalisanten gedane herkenning van verdachte als de dader op de camerabeelden. Het door verdachte geschetste alternatieve scenario is ongeloofwaardig.
Feit 2
De officier van justitie heeft bewezenverklaring gevorderd voor feit 2, gelet op de aangifte van [aangever 2] en het DNA dat door verdachte op de plaats delict is achtergelaten.
Het standpunt van de verdediging
Feit 1
De raadsman heeft vrijspraak bepleit van feit 1. Verdachte heeft elke betrokkenheid ontkend en uit de camerabeelden blijkt slechts dat verdachte rond de pleegdatum in de nabijheid van de [vereniging] is geweest en spullen heeft gestald in de bosschage. Dit is echter niet redengevend voor het bewijs van zijn betrokkenheid bij de inbraak. Hiervoor heeft verdachte immers zowel bij de politie als ter zitting een aannemelijke verklaring gegeven.
Feit 2
De raadsman heeft vrijspraak bepleit van feit 2. Uit de camerabeelden en de verklaring van verdachte ter zitting volgt dat verdachte niet één van de twee personen is geweest die heeft ingebroken bij het [café] . Het DNA van verdachte kan bovendien op een ander tijdstip en andere wijze op de plaats delict terecht zijn gekomen. Gelet hierop is het aantreffen van zijn DNA niet redengevend voor het bewijs van zijn betrokkenheid bij deze inbraak.
Het oordeel van de rechtbank
Feit 1
De rechtbank acht het onder feit 1 tenlastegelegde niet wettig en overtuigend bewezen. Verdachte zal daarom van dit feit worden vrijgesproken. De rechtbank overweegt hierbij het volgende.
De rechtbank stelt op basis van het dossier vast dat er tussen 22 juni 2025 om 17:45 uur en 23 juni 2025 om 10:15 uur een inbraak heeft plaatsgevonden bij de [vereniging] gevestigd aan de [adres] te Leeuwarden. Uit de zich in het dossier bevindende camerabeelden blijkt dat er op 23 juni 2025 tussen 6:04 en 7.35 uur meermaals een man in beeld verschijnt. De man draagt op twee momenten een zwart breekijzer bij zich. Te zien is dat de man op meerdere momenten diverse tassen met onbekend gebleven inhoud in een bosje heeft gestald en deze tassen ook weer heeft opgehaald. De man is later door meerdere verbalisanten herkend als zijnde verdachte. Ook verdachte heeft zowel bij de politie als ter zitting erkend dat hij te zien is op deze camerabeelden.
De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of op basis van het voorliggende strafdossier geoordeeld kan worden dat verdachte betrokken is geweest bij deze inbraak. De rechtbank stelt vast dat verdachte te zien is op de camerabeelden. Uit het dossier blijkt echter niet de locatie van de camerabeelden en de afstand tot de plaats delict. En alhoewel het voorhanden hebben van een breekijzer te denken geeft en verdachte hiervoor geen sluitende verklaring heeft gegeven, kan op basis van het dossier niet worden vastgesteld dat er bij de inbraak gebruik is gemaakt van een breekijzer. Evenmin kan hieruit worden afgeleid dat het om het weggenomen breekijzer gaat. Naar het oordeel van de rechtbank bevat het breekijzer te weinig specifieke kenmerken voor deze vaststelling.
Als verklaring voor zijn aanwezigheid heeft verdachte aangegeven dat hij zijn ouders hielp verhuizen. Hij had een karretje achter zijn fiets met daarin spullen van zijn ouders. Op enig moment brak het karretje en daarom heeft verdachte het karretje en een deel van de spullen te voet naar zijn zusje gebracht die 150 meter verderop zou wonen. De spullen die hij niet kon dragen heeft hij hierna in de bosjes nabij de [vereniging] gelegd, hetgeen te zien is op de camerabeelden, en later weer opgehaald en naar de woning van zijn zusje gebracht.
Gelet op de inhoud van het dossier kan het door verdachte aangedragen alternatieve scenario over zijn aanwezigheid nabij de pleeglocatie niet op voorhand als ongeloofwaardig terzijde worden geschoven, terwijl zijn verklaring op dit punt evenmin als kennelijk leugenachtige verklaring voor het bewijs kan worden gebruikt. Ander bewijsmateriaal waaruit de betrokkenheid van verdachte bij de inbraak blijkt en waarmee het scenario van verdachte kan worden weerlegd is immers niet voorhanden. Uit de beelden blijkt niet of verdachte op de plaats delict is geweest of op enig moment de gestolen goederen voorhanden heeft gehad. Noch is de buit bij hem thuis aangetroffen. Nu tevens ander bewijs ontbreekt, zal verdachte op grond van het bovenstaande worden vrijgesproken van feit 1.
Feit 2
De rechtbank acht feit 2 wettig en overtuigend bewezen. De rechtbank past de volgende bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder zakelijk weergegeven.
Bewijsmiddelen1
[aangever 2] (hierna: aangever) heeft als eigenaar van [café] gevestigd aan de [adres] te Leeuwarden aangifte gedaan van inbraak. Op 12 augustus 2025 rond 23:30 uur heeft aangever zijn café afgesloten. Op 13 augustus 2025 omstreeks 7.45 uur
kwam aangever ter plaatse en zag hij dat de voordeur van zijn café openstond en dat het deurkozijn was vernield. De volgende goederen zijn weggenomen: een kassacomputer, een muziekcomputer, koolzuurflessen en zon 200,00 á 300,00 aan kleingeld uit de kassalade. Ook is er een geldbedrag uit de geopende gokautomaat weggenomen.2
Op 13 augustus 2025 heeft verbalisant [verbalisant] forensisch onderzoek verricht in het [café] .3 Uit dit onderzoek is gebleken dat de deur van het café en beide gokautomaten waren opengebroken. Na het sporenonderzoek bleek dat de monteur van de gokautomaten een spoor had aangetroffen op een deurtje van één van de gokautomaten die, nadat verbalisant [verbalisant] weer ter plaatse kwam, een positieve indicatie gaf op bloed.4 Verbalisant [verbalisant] heeft het spoor aangetroffen op de binnenzijde van het deurtje van één van de gokautomaten. Het spoor is veiliggesteld voor DNA-onderzoek en heeft SIN AAPK9480NL gekregen.5 Uit deze bemonstering (SIN AAPK9480NL) is een enkelvoudig DNA-profiel van een man verkregen waarvan de frequentie van voorkomen kleiner is dan één op één miljard. Gebleken is dat het DNA-profiel van verdachte overeenkomt met dit DNA-profiel.6 De rechtbank concludeert hieruit dat verdachte donor is van het DNA dat is aangetroffen aan de binnenzijde van de opengebroken gokautomaat.
Bewijsoverweging
Het DNA van verdachte is op de dag van de inbraak aangetroffen op de binnenzijde van één van de opengebroken gokautomaten. De rechtbank overweegt dat dit geen plek is waar bij normaal gebruik van de gokautomaat DNA wordt achtergelaten. Verdachte heeft hier zowel bij de politie als ter zitting bovendien geen redelijke verklaring voor gegeven. Dat het DNA van verdachte hier op een ander tijdstip of andere wijze terecht is gekomen acht de rechtbank dan ook niet aannemelijk. Het verweer van de verdediging is op dit punt niet met concrete feiten onderbouwd en vindt geen steun in het dossier en wordt daarom als niet aannemelijk verworpen. Naar het oordeel van de rechtbank wijst het aantreffen van het DNA aan de binnenzijde van de gokautomaat erop dat verdachte zich bij het openbreken van de gokautomaat heeft verwond. De verklaring van verdachte dat twee andere personen, waarvan hij ter zitting voor het eerst de namen heeft genoemd, de inbraak hebben gepleegd, acht de rechtbank niet geloofwaardig, mede in het licht van het feit dat verdachte geen verklaring heeft gegeven voor de aanwezigheid van zijn bloed op de dag van de inbraak aan de binnenzijde van de gokkast.
Conclusie
Op basis van de bovenstaande bewijsmiddelen en overwegingen acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich toegang tot het [café] heeft verschaft en de gestolen apparatuur en het contante geld onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak en verbreking. Dat er blijkens de camerabeelden mogelijk ook ander(en) bij de inbraak zijn betrokken doet aan het bovenstaande niet af.
Bewezenverklaring
De rechtbank acht feit 2 wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:
2
hij op 13 augustus 2025 te Leeuwarden ( [adres] ) contant geld en apparatuur en koolzuurflessen die aan [café] toebehoorden heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en die weg te nemen goederen onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak en verbreking.
Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:
2. Diefstal waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft
verschaft en het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak en verbreking.
Dit feit is strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafmotivering

De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat aan verdachte ter zake van feiten 1 en 2 de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders (hierna: ISD-maatregel) zal worden opgelegd voor de duur van twee jaren, zonder aftrek van voorarrest.
Het standpunt van de verdediging
Bij een bewezenverklaring heeft de raadsman bepleit geen ISD-maatregel aan verdachte op te leggen. De raadsman heeft erop gewezen dat verdachte werk, inkomen en een huurwoning heeft. Ook werkt hij mee aan het huidige reclasseringstoezicht waarbij door de GGZ onder meer de hypothese van kleptomanie werd onderzocht. De raadsman heeft bepleit het huidige toezicht en het onderzoek naar kleptomanie voort te zetten. Gelet op de mogelijkheden die er nog zijn verhoudt het karakter van de ISD-maatregel (als ultimum remedium) zich hier niet mee.
Het oordeel van de rechtbank
Algemeen
Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek ter terechtzitting en de reclasseringsrapportage, het uittreksel uit de justitiële documentatie (hierna: strafblad), alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de raadsman.
Ernst van het feit
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan diefstal met braak. Dergelijke feiten veroorzaken materiële schade en praktische overlast voor de slachtoffers. Verdachte heeft kennelijk het belang van het slachtoffer ondergeschikt gemaakt aan zijn drang naar geldelijk gewin en geen blijk van enig respect gegeven voor andermans eigendom.
Strafblad
De rechtbank heeft kennis genomen van het strafblad van verdachte van 12 november 2025. Hieruit blijkt dat verdachte een strafblad van veertig paginas heeft en veelvuldig (ook recentelijk) is veroordeeld voor soortgelijke vermogensfeiten. Ook volgt hieruit dat verdachte twee keer eerder (in 2013 en 2019) een ISD-maatregel opgelegd heeft gekregen voor de duur van twee jaren.
Persoon van verdachte
Uit het reclasseringsrapport van 12 december 2025, opgesteld door reclasseringswerker [reclasseringswerker] , blijkt onder meer dat verdachte sinds een aantal jaren een huurwoning heeft, zich gemotiveerd toont ten aanzien van werk en beschikt over een inkomen. Het is voor de reclassering onduidelijk wat maakt dat verdachte, ondanks de vele beschermende factoren, in beeld blijft komen bij politie en justitie.
Gelet op de jarenlange justitiële contacten van verdachte is de kans op recidive ingeschat als hoog. Ook de kans op onttrekking aan voorwaarden is ingeschat als hoog, omdat verdachte geen openheid over zijn delictgedrag heeft gegeven en tweemaal binnen zijn huidige proeftijd is gerecidiveerd. Geadviseerd is om aan verdachte een onvoorwaardelijke ISD-maatregel op te leggen. Een langdurig en gestructureerd traject vanuit een ISD-maatregel biedt volgens de reclassering meer kans van slagen dan een ambulant traject.
In de afgelopen jaren (en ook tot op heden) is immers meermalen ingezet op voorwaardelijke veroordelingen met bijzondere voorwaarden zonder dat dit heeft geleid tot de gewenste gedragsverandering. Gezien de langere termijn en structuur die een ISD-maatregel biedt zal verdachte ook meer gebaat zijn om het psychologisch onderzoek in dit kader voort te zetten. Daarbij komt dat gebleken is dat een voorwaardelijke straf geen afschrikwekkende werking op verdachte heeft. Mocht verdachte niet willen meewerken aan behandeling en/of begeleiding binnen de ISD-maatregel dan is de samenleving in ieder geval tijdelijk beveiligd.
Ter zitting heeft de deskundige [reclasseringswerker] bovenstaand advies bevestigd en benadrukt dat een reclasseringstoezicht geen kans van slagen heeft vanwege de proceshouding van verdachte.
Op te leggen maatregel
De rechtbank stelt vast dat is voldaan aan zowel de wettelijke vereisten die in artikel 38m van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) aan het opleggen van een ISD-maatregel zijn gesteld als aan de richtlijnen die het Openbaar Ministerie hanteert voor het vorderen van de ISD-maatregel. Verdachte voldoet derhalve aan de definitie van een stelselmatige dader als bedoeld in de Richtlijn voor strafvordering bij meerderjarige veelplegers. Bewezenverklaard is immers dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het plegen van een misdrijf waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten en uit het strafblad blijkt dat verdachte in de vijf jaren voorafgaand aan het plegen van dit strafbare feit ten minste driemaal wegens een misdrijf onherroepelijk is veroordeeld tot een vrijheidsbenemende straf. Bovendien is het in onderhavig vonnis bewezen en strafbaar verklaarde begaan na tenuitvoerlegging van voornoemde straffen. Voorts zag verdachte over een periode van vijf jaren processen-verbaal tegen zich opgemaakt worden voor meer dan tien misdrijffeiten, waarvan ten minste één misdrijf in de laatste twaalf maanden, terug te rekenen vanaf de pleegdatum van het laatst gepleegde misdrijffeit. Ook blijkt uit het reclasseringsadvies van 12 december 2025 dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat verdachte wederom een misdrijf zal begaan.
De rechtbank onderschrijft de conclusie van de reclassering dat oplegging van een ISD-maatregel is aangewezen. Verdachte heeft de afgelopen jaren veel strafbare feiten gepleegd en blijft met politie en justitie in aanraking komen. De tot op heden opgelegde straffen en reclasseringstoezichten in het kader van voorwaardelijk opgelegde straffen hebben niet geleid tot het doen stoppen van voortdurende recidive door verdachte. Verdachte is immers recent binnen een lopende proeftijd kort na elkaar twee keer gerecidiveerd.
Anders dan de verdediging acht de rechtbank oplegging van een onvoorwaardelijke ISD-maatregel geboden ter beveiliging van de maatschappij en ter beëindiging van de recidive door verdachte. Gelet op de beperkte openheid van verdachte omtrent zijn delictgedrag en de tijd die nodig zal zijn om het psychologisch onderzoek voort te zetten, is de rechtbank van oordeel dat de ISD-maatregel moet worden opgelegd voor de duur van twee jaren. De rechtbank zal daarnaast bepalen dat de tijd die verdachte in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht niet van de duur van de maatregel zal worden afgetrokken.
Conclusie
De rechtbank is van oordeel dat, gelet op hetgeen zij hiervoor reeds heeft overwogen, niet kan worden volstaan met het opleggen van een (deels) voorwaardelijke straf. Alles afwegende zal de rechtbank daarom aan verdachte een onvoorwaardelijke ISD-maatregel opleggen voor de duur van twee jaren, zonder aftrek van voorarrest.
Benadeelde partijen
De volgende personen hebben zich als benadeelde partij in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding:
[vereniging] (feit 1), tot een bedrag van 2.405,26, bestaande uit materiële schade;
[café] (feit 2), tot een bedrag van 6.266,66, bestaande uit materiële schade.
Beide benadeelde partijen hebben verzocht de vordering te verhogen met de wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan en daarbij de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f Sr op te leggen.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft geconcludeerd dat de vorderingen van [vereniging] (feit 1) en [café] (feit 2) rechtstreeks verband houden met de ontstane schade en voldoende zijn onderbouwd. Beide vorderingen zijn daarom geheel toewijsbaar, telkens vermeerderd met wettelijke rente en met toepassing van de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f Sr.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de vorderingen van [vereniging] (feit 1) en [café] (feit 2) niet-ontvankelijk verklaard moeten worden vanwege de bepleite vrijspraak.
Het oordeel van de rechtbank
Vordering [vereniging] (feit 1)
De rechtbank acht ten aanzien van de vordering van [vereniging] het feit waaruit de schade zou zijn ontstaan niet bewezen. De benadeelde partij zal daarom niet-ontvankelijk worden verklaard in de vordering.
Vordering [café] (feit 2)
Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk dat de benadeelde partij [café] schade heeft geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het onder feit 2 bewezen verklaarde. Uit de bijlagen van het schadeverzoek volgt dat het totale schadebedrag exclusief btw is vastgesteld op 5.664,44. De rechtbank stelt vast dat dit het bedrag is dat in beginsel voor vergoeding in aanmerking komt. De verzekeraar heeft een deel van deze schade vergoed, te weten tot een bedrag van 335,32. De vordering, waarvan de hoogte verder niet door verdachte en de verdediging is betwist, zal daarom worden toegewezen tot een bedrag van 5.329,12, vermeerderd met wettelijke rente vanaf 13 augustus 2025. Voor het overige wordt de vordering niet-ontvankelijk verklaard.
Nu de aansprakelijkheid van verdachte vaststaat, zal de rechtbank de schadevergoedingsmaatregel opleggen om te bevorderen dat verdachte de schade zal vergoeden.
De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Vordering na voorwaardelijke veroordeling

Bij onherroepelijk vonnis van 22 december 2023 van de meervoudige strafkamer van de rechtbank Noord- Nederland te Leeuwarden, is verdachte veroordeeld tot -onder meer- een gevangenisstraf van 221 dagen, waarvan 122 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren. De proeftijd is ingegaan op 6 januari 2024. Daarbij is als algemene voorwaarde gesteld dat veroordeelde voor het einde van de proeftijd geen strafbare feiten zal plegen.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich ter zitting op het standpunt gesteld dat het niet wenselijk is dat verdachte na de tenuitvoerlegging van de ISD-maatregel alsnog de voorwaardelijke straf zou moeten ondergaan, omdat het toezicht dan doorloopt. Dit kan tot discussie leiden ten aanzien van de vraag wie verantwoordelijk is voor de nazorg. Zij heeft daarom gevorderd om de bijzondere voorwaarden, en dus ook het reclasseringstoezicht die bij de voorwaardelijke straf is opgelegd te laten vervallen en de vordering voor het overige af te wijzen.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft geen verweer gevoerd.
Het oordeel van de rechtbank
Door het plegen van het bewezen verklaarde feit heeft verdachte de aan het hiervoor vermelde onherroepelijke vonnis verbonden algemene voorwaarde, dat hij voor het einde van de proeftijd geen nieuwe strafbare feiten zou plegen, niet nageleefd. In beginsel kan daarom de tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke opgelegde straf worden gelast. De rechtbank is echter van oordeel dat daarvan moet worden afgezien nu een ISD-maatregel wordt opgelegd en het niet opportuun is dat verdachte na het ISD- traject alsnog deze straf moet ondergaan. In aanvulling daarop zal de rechtbank bepalen dat de bijzondere voorwaarden bij de voorwaardelijke veroordeling worden geschrapt. De rechtbank overweegt daartoe dat het onwenselijk is dat verdachte na afloop van de ISD-maatregel onder toezicht komt te staan van verschillende instanties.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 36f, 38m, 38n en 311 Sr.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak gelden.

Uitspraak

De rechtbank
Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte onder feit 1 is ten laste gelegd en spreekt verdachte daarvan vrij.
Verklaart het onder feit 2 ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.
Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.
Veroordeelt verdachte tot:
plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders voor de duur van twee jaren.

Ten aanzien van de benadeelde partij [vereniging] , feit 1:

Verklaart de vordering van de benadeelde partij [vereniging] niet-ontvankelijk. De vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
Bepaalt dat de benadeelde partij [vereniging] haar eigen proceskosten draagt.
Ten aanzien van de benadeelde partij [café] , feit 2:
Wijst de vordering van de benadeelde partij toe tot het hierna te noemen bedrag en veroordeelt verdachte om aan [café] te betalen:
  • het bedrag van 5.329,12 (zegge: vijfduizend driehonderdnegenentwintig euro en twaalf eurocent);
  • de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 13 augustus 2025 tot de dag van algehele voldoening;
  • de proceskosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog zal maken, tot heden begroot op nihil.
Verklaart de vordering van de benadeelde partij [café] voor het overige niet-ontvankelijk. Dit deel van de vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
Legt aan verdachte de verplichting op om ten behoeve van de benadeelde partij [café] aan de Staat te betalen een bedrag van 5.329,12 (zegge: vijfduizend driehonderdnegenentwintig euro en twaalf eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 13 augustus 2025 tot de dag van algehele voldoening. Dit bedrag bestaat geheel uit materiële schade.
Bepaalt dat bij gebreke van volledig verhaal van de betalingsverplichting aan de Staat gijzeling voor de duur van 61 dagen kan worden toegepast. De toepassing van gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.
Bepaalt dat als verdachte voldoet aan de betalingsverplichting aan de benadeelde partij of aan de Staat, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd van de betalingsverplichting aan beiden.
Beslissing op de vordering na voorwaardelijke veroordeling onder parketnummer 18-245071- 23:
Wijst af de vordering tot tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke straf, opgelegd bij vonnis van de meervoudige kamer van de Rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden van 22 december 2023.
De rechtbank heft op de bijzondere voorwaarden die zijn opgelegd bij voornoemd vonnis.
Dit vonnis is gewezen door mr. H.P. Eckert, voorzitter, mr. S.T. Kooistra en mr. A. Dijkstra, rechters, bijgestaan door mr. M. Linde, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 30 december 2025.
1. Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpaginas, zijn dit paginas uit het dossier van de politie
Eenheid Noord-Nederland, met het proces-verbaal nummer PL0100-2025257130, doorgenummerd 1 tot en met 177. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van voornoemd dossier.
2 Pagina 42.
3 Pagina 106.
4 Pagina 107.
5 Pagina 108.
6 Pagina 171.