ECLI:NL:RBNNE:2025:5604

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
30 december 2025
Publicatiedatum
30 december 2025
Zaaknummer
18.194405.25
Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Type
Uitspraak
Procedures
  • Op tegenspraak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor opzetverkrachting waarbij de verdachte meende toestemming te hebben, terwijl het slachtoffer in een staat van lichamelijke onmacht verkeerde

Op 30 december 2025 heeft de Rechtbank Noord-Nederland uitspraak gedaan in de zaak tegen de verdachte, die beschuldigd werd van opzetverkrachting. De zaak vond plaats in Assen, onder parketnummer 18.194405.25. De verdachte had op 25 juni 2025 seksuele handelingen verricht met het slachtoffer, terwijl deze in een psychogene aanval verkeerde, waardoor zij niet in staat was om toestemming te geven. De verdachte had meerdere keren om toestemming gevraagd, maar de rechtbank oordeelde dat hij zich bewust was van de lichamelijke onmacht van het slachtoffer en dat hij de aanmerkelijke kans had aanvaard dat zij niet instemde met de seksuele handelingen. De rechtbank oordeelde dat de verdachte opzettelijk handelde door de wil van het slachtoffer te negeren. De rechtbank achtte de verdachte schuldig aan opzetverkrachting en legde een gevangenisstraf van 30 maanden op, waarvan 12 maanden voorwaardelijk, met bijzondere voorwaarden voor behandeling en toezicht door de reclassering. Daarnaast werd de verdachte veroordeeld tot schadevergoeding aan het slachtoffer, bestaande uit materiële en immateriële schade.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht
Locatie Assen
parketnummer 18.194405.25
Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 30 december 2025 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1998 te [geboorteplaats] , wonende te [adres] ,
thans gedetineerd te [instelling] .
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 16 december 2025. Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. M. Pater, advocaat te Assen. Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. J. Hoekman.
Tenlastelegging
Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
hij op of omstreeks 25 juni 2025 te Assen met een persoon, te weten [slachtoffer] een of meer seksuele handelingen die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam heeft verricht, te weten
  • het verplaatsen van het lichaam van die [slachtoffer] en/of
  • het ontkleden van het lichaam van die [slachtoffer] en/of
  • het plaatsen van zijn, verdachtes, hand op de buik, in elk geval het lichaam van die [slachtoffer] en/of
  • het bewegen van zijn, verdachtes, vingers over de onderbroek van die [slachtoffer] en/of
  • het opzij doen van de onderbroek van die [slachtoffer] en/of
  • het brengen en/of bewegen en/of houden van zijn, verdachtes, vingers in de vagina van die [slachtoffer] en/of
  • boven op die [slachtoffer] is gaan liggen en/of
  • het brengen en/of houden en/of bewegen van zijn, verdachtes, penis in de vagina van die [slachtoffer]
terwijl hij, verdachte, wist, althans ernstige reden had om te vermoeden dat bij die [slachtoffer] daartoe de wil ontbrak.
Beoordeling van het bewijs
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft veroordeling gevorderd voor impliciet primair ten laste gelegde opzetverkrachting.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft betoogd dat verdachte integraal moet worden vrijgesproken. Daartoe heeft zij in de eerste plaats aangevoerd dat geen sprake is van lichamelijke onmacht in de zin van artikel 244 Wetboek van Strafrecht (Sr) zodat daaruit geen wetenschap van afwezigheid van een vrije positieve wilsuiting en daarmee het opzet kan worden afgeleid. Het is immers niet zo dat aangeefster tijdens haar aanvallen niet meer kan praten. In ieder geval kan zij tijdens haar aanvallen non-verbaal haar wil kenbaar maken. Ook tijdens de aanval voorafgaand aan het seksueel binnendringen heeft aangeefster nog met verdachte gesproken en heeft zij tijdens de bewuste avond non-verbaal met verdachte gecommuniceerd, te weten door middel van ja knikken. Indien de rechtbank meent dat er wel sprake was van een staat van lichamelijke onmacht, is daarmee alsnog niet voornoemde wetenschap van de ontbrekende wil en het opzet gegeven, want dan is er sprake van een uitzonderingssituatie nu verdachte meerdere malen, met een tussenpoos van een aantal minuten, aan aangeefster heeft gevraagd of ze dit echt wilde om zeker te weten dat zij toestemming gaf. Om deze reden is er ook in bredere zin geen sprake van vol opzet en evenmin van voorwaardelijk opzet nu het vragen van toestemming een contra-indicatie is voor het aanvaarden van de aanmerkelijke kans dat de wil ontbreekt.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank past de volgende bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder zakelijk weergegeven.
1.
​Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 26 juni 2025, opgenomen op pagina 20 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer 2025168246, onderzoek NNRBC25128/Peridoot d.d. 1 juli 2025, inhoudend als verklaring van [slachtoffer] :
V: Jij hebt gisteren, 25 juni 2025, een aanval gehad. Wat voor aanval is dat?
A: Ik heb PTSS en bij mij uit zich dat lichamelijk. Ik vergelijk het met een epileptische aanval. Ik verlies de controle over mijn lichaam. Al mijn spieren gaan verkrampen of maken rare bewegingen. Ik ga heel vaak met mijn hoofd achterover klappen of met mijn ogen draaien dissociëren of wegdraaien. Gisteravond voelde ik het opkomen en begon trekken te krijgen. Hoofdschudden. Ik ben naar de woonkamer gegaan. Ik merkte dat het bijna niet ging, ik kon bijna niet meer lopen en ik heb toen de salontafel aan de kant geschoven. Ik ga altijd op het vloerkleed liggen zodat ik me het minst kan bezeren. Ik ben daar gaan liggen. Ik kwam helemaal in die aanval terecht. Dat ik heel erg aan het dissociëren was en wegvallen. Ik denk dat ik er inmiddels 5 tot 10 minuten in zat, ik weet het niet precies want mijn tijdsbesef is niet zo goed, ik hoorde geklop op de deur. Toen ging ik er van uit dat mijn buurjongen [verdachte] voor de deur stond. Hij belde mij toen op. Mijn telefoon lag naast mij dus ik kon zien dat hij mij belde. Ik kon niet opnemen omdat ik in de aanval zat maar ik wilde ook niet opnemen want ik wilde niet met hem praten.
Toen de telefoon klaar was klopte hij weer op mijn deur. Ik had mijn deur niet op slot. Hij deed de deur open en is naar binnen gelopen. Toen kwam hij naar binnen en ik zei: "het gaat wel goed hoor" in de hoop dat hij weg zou gaan. Ik kon toen nog wel praten maar ik raakte zo in paniek dat hij het huis was binnen gekomen dat ik nog dieper in de aanval terecht kwam. Ik raakte de hele controle over mijn lichaam kwijt. Ik kon helemaal niet meer praten. Hij ging toen eerst op de bureaustoel zitten. Hij ging bij mij zitten. Hij probeerde eerst contact met mij te maken zo van, kun je je duim opsteken. Maar dat kon ik niet. Toen
ging hij vrij snel opmerkingen maken van: “moet ik het op dezelfde manier oplossen zoals de vorige keer?” De vorige keer was ik uit een aanval gekomen nadat we seks hebben gehad. Deze vraag heeft hij meerdere keren gesteld maar daar kon ik niet op reageren. Hij is nog even weggegaan. Hij zei ;"ik ga even de hond uitlaten". Ik dacht, ik moet nu uit de aanval komen en de deur op slot draaien voordat hij terug komt. Ik heb erg mijn best gedaan om uit de aanval te komen maar ik was zo in paniek en had geen controle. Ik kon niet bewegen of mijn spieren gebruiken. Hij kwam mijn huis weer in. Hij vroeg weer: “moet ik het op dezelfde manier oplossen als de vorige keer?” Op een gegeven moment ging hij op de bank zitten. Ik lag op de grond en de bank zit ernaast. Ik lag eerst op mijn zij en hij had mij op mijn rug gedraaid. Hij legde zijn hand op mijn buik op mijn shirt. Daarna trok hij mijn shirt omhoog en legde zijn hand op mijn blote buik. Toen heeft hij dat een poosje gedaan. Toen deed hij zijn broek naar beneden en liet hij zijn piemel zien. Hij vroeg of ik die wilde, zijn piemel. Ik kon er niet op reageren want ik kon niet praten want ik was nog in de aanval. Ik had alleen een shirt en een string aan. Hij ging toen aan mijn vagina zitten. Eerst over mijn onderbroek heen en daarna trok hij mijn onderbroek opzij en stopte hij zijn vinger in mijn vagina en ging hij mij heel ruig vingeren. Ik kon er nog niet op reageren ik bleef nog shocken, in de aanval. Het haalde mij er niet uit het werd alleen erger. Daarna stond hij op en heeft zijn broek uitgedaan of half uit gedaan. Hij is op mij gaan liggen en heeft zijn piemel in mijn vagina gestopt en toen heeft hij een paar keer hard gestoten en toen stopte hij. Ik kwam een beetje bij van de aanval. Ik stopte met mijn nek achterover klappen en kon een beetje normaal ademen. Het lukte mij om weer wat te praten en ik vroeg hem of hij weg wilde gaan. Hij is weggegaan.
V: Kreeg je alles goed mee toen hij binnen kwam?
A: Ja dat kreeg ik nog mee alleen daarna raakte ik vrij snel in paniek waardoor ik dieper in de aanval terecht kwam. In mijn ooghoeken kon ik wel zien dat hij opstond en ging zitten. Ik kreeg dit vaag mee. V: Wat is vaag?
A: Ik kreeg het wel mee maar ik kon er niets mee. Ik kon niet antwoorden ik bleef in mijn spasmes. Ik bleef met mijn ogen draaien. Hij vroeg ook een paar keer of ik hem kon aankijken maar dat kon ik ook niet. Ik had nergens controle over.
V: Hij vraagt of jij zijn piemel wilde. Kon jij op dat moment ook iets zeggen? A: Nee. Ik had geen controle en ik zat nog in de aanval.
V: Kon hij aan jou zien dat je geen controle had en in een aanval zat? A: Ja. Ik was vooral de hele tijd dit aan het doen.
O: Aangeefster doet haar nek achterover.
A: Of ik was met mijn ogen aan het draaien. Ik ging ook met mijn schouders op en neer. Ik verplaatste ook want mijn armen maken rare bewegingen waardoor ik automatisch verplaats met mijn lichaam. Mijn benen trillen ook. Soms ga ik trappen.
V: Wat deed jouw lichaam ten tijde dat hij aan het stoten was?
A: Mijn nek bleef doorklappen, mijn ogen bleven wegdraaien maar de rest van mijn lichaam bleef wel stil. V: Bewoog hij jouw benen nog?
A: Voordat hij seks met mij had, had hij mijn benen uit elkaar getrokken. V: Moest hij daar zijn best voor doen?
A: Nee dat viel wel mee. Ondanks mijn spieren kun je mij wel makkelijk heen en weer bewegen. V: Toen hij dit bij jou deed en jij zit in de aanval. Kun je dan een tegenhandeling doen?
A: Nee.
V: Kon hij merken dat jij dit niet wilde, de seks?
A: Nou ja ik kon niet antwoorden zeg maar. Hij heeft meerdere keren gevraagd of ik het wilde. Ik heb meerdere keren geen antwoord gegeven omdat ik in de aanval zat. Hij heeft de keuze gemaakt om het wel te doen.
2. ​
​Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 26 juni 2025, opgenomen op pagina 85 en verder van voornoemd dossier, inhoudende als verklaring van verdachte:
V: Kun je eens vertellen wat er gisteravond, 25 juni 2025, is gebeurd?
A: Ik ben bij mijn buurvrouw, [slachtoffer] , langsgegaan. Ik klopte aan. Ik zag haar niet maar hoorde wel gehijg. De deur was niet op slot en ik deed de deur voorzichtig open. Ik zag [slachtoffer] op de grond. Ik
ben naar binnen gegaan en vroeg of alles goed ging. Ze zei: "Het gaat wel goed maar ik zit in een aanval". Ik ben bij haar gaan zitten om haar in de gaten te houden. Vorige week heb ik dit ook gedaan. Toen belde ze en vertelde dat ze in een aanval zat en er niet uit kwam. Ik ben naar haar toe gegaan en ook toen zijn er dingen op seksueel gebied gebeurd. Vorige week was ze uit die aanval gekomen. Deze keer was ze wel aanspreekbaar maar soms was ze ook helemaal verstijfd. Ik vroeg, "Wil je het zo doen
als de vorige keer, je weet dat het kan werken." Ik kreeg niet meteen antwoord dus ben eerst een peukie gaan roken. Ik heb het daarna nog een keer aan haar gevraagd. Gevraagd of ze dit wilde. Ik zag dat ze ja knikte en ik zag dat ze helder was. Tijdens dat ik dat met haar deed, schoot ze weer in haar tic aanval. Ik dacht, dit is niet oké, dit is een fout geweest. Ik heb mijn broek omhoog gedaan en ben weg gegaan. Ik was aan het stressen omdat dit niet oké was. Ik had het fout ingeschat, ik had het fout gezien dat ze er oké mee was.
V: Jij vertelde over [slachtoffer] haar "tic aanval", wat is dat?
A: Dat is per aanval verschillend. [slachtoffer] heeft verschillende vormen. Met haar nek bewegen, knippen met de vingers maar ook helemaal verkrampt zijn. Het kan uren duren maar ook 5 minuten. Het is onvoorspelbaar. Gisteren had ze dus ook een tik aanval. Ik zag dat ze veel heen en weer bewoog. Dat ze met haar hoofd naar voren ging met haar ogen wijdt open. Het ene moment kon ze helder reageren en soms niet. Ik zie dat ze met haar gezicht op de grond gaat en haar benen beweegt. Ze doet de "worm".
Haar voeten gingen steeds onder de bank. Haar lichaam was verschillend. Schokken, slap, gebalde vuisten, haar nek naar voren en op spanning. Ik ben toen ongeveer een kwartier of twintig minuten bij haar geweest. Daarna ben ik weg gegaan, ik ben met de hond gaan lopen. Daarna ben ik weer naar [slachtoffer] gelopen. Ze lag toen omgedraaid. Ze ging met haar benen tegen de bank aan trappen en haar hoofd ging eronder. Ik heb geprobeerd haar aan haar schouders weg te duwen, maar dat lukte niet. Toen pakte ik haar voorzichtig bij haar benen en stukje bij beetje van de bank weggehaald. Ik heb gezegd, " Vorige keer was er een andere manier die toen had geholpen, wil je dit weer?" Ze knikte ja. Ik heb het nogmaals gevraagd. Ik kreeg weer hetzelfde antwoord. Ik heb haar duidelijk gevraagd, Weet je het zeker en is het oké. Ik heb geen gesproken ja van haar gehad. Dat kon ze ook niet. Ik heb het expres twee keer gevraagd. Één keer kan er nog een tic tussendoor komen. Bij een tweede keer weet ik dan zeker dat het niet zo is. Ik heb er ook vijf minuten tussen laten zitten tussen de eerste keer de vraag en de tweede keer deze vraag stellen. Ik kreeg weer een ja knik. Ik heb het toen gedaan. Ik heb haar string opzij geschoven en heb toen mijn piemel in haar kut geschoven. Na twee keer stoten schrok ik hoe ze naar mij keek. Ze keek mij met schrik aan. Ik merkte aan haar dat ze het niet wou. Eerder was haar lichaam slap. Nu
merkte ik dat haar lichaam op spanning begon te staan. Ik ben daarna van haar af gegaan. Ik dacht toen; "Shit ze gaf mij geen toestemming". Ik dacht dat ik toestemming had en dat had ik niet.

Bewijsoverweging

Feiten en omstandigheden
Vaststaat dat er op 25 juni 2025 seksuele handelingen hebben plaatsgevonden tussen verdachte en aangeefster. Daarnaast staat vast dat ten tijde van het verrichten van de seksuele handelingen door verdachte, aangeefster in een aanval zat. Zowel aangeefster als verdachte hebben een beschrijving van deze aanval gegeven. Het lichaam van aangeefster maakte schokkende en spastische bewegingen. Het hoofd van aangeefster klapte vaak achterover en zij kon op een gegeven moment niet meer praten. Een week eerder hadden aangeefster en verdachte ook seks gehad tijdens zon aanval waarna aangeefster uit de aanval was gekomen. Verdachte had aangeefster de avond van 25 juni 2025 daarom meerdere keren gevraagd of zij het op dezelfde manier wilde oplossen als de vorige keer en stelt aangeefster meerdere keren ja te hebben zien knikken op deze vragen waardoor hij meende toestemming te hebben voor het verrichten van seksuele handelingen. Vast staat echter ook dat aangeefster geen toestemming heeft gegeven voor de seksuele handelingen. Dat verklaart zij in haar aangifte en verdachte beaamt achteraf dat hij ten onrechte heeft gedacht dat zij toestemming gaf om seksuele handelingen bij en met haar te verrichten.
Voor de vraag of er sprake is van opzetverkrachting of schuldverkrachting, zoals ten laste gelegd, dient de rechtbank te beoordelen of verdachte wist dan wel ernstige reden had om te vermoeden dat aangeefster dit niet wilde. Daartoe overweegt de rechtbank het volgende.
Juridisch kader opzetverkrachting
Opzetverkrachting heeft betrekking op situaties waarin degene die het delict begaat opzettelijk de ontbrekende wil bij de ander negeert of voor lief neemt. Daarvoor is in de eerste plaats vereist dat degene die het delict begaat wetenschap had van het ontbreken van de wil bij de ander. Daarbij kan sprake zijn van vol opzet of voorwaardelijk opzet. In dat laatste geval heeft de dader bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat de desbetreffende seksuele handelingen plaatsvinden terwijl bij de ander de wil daartoe ontbreekt.
In de Memorie van Toelichting bij de nieuwe Wet Seksuele Misdrijven worden verschillende voorbeelden gegeven van situaties waarin in het algemeen sprake zal zijn van wetenschap van een ontbrekende wil bij de ander en daarmee van opzet. Een van die voorbeelden is wanneer seksuele handelingen worden verricht met iemand die in een toestand van geestelijke of lichamelijke onmacht verkeert. Het opzettelijk handelen is in deze gevallen ingegeven door het negeren van het onvermogen tot vrije wilsuiting bij de ander.1 Met andere woorden: wanneer degene die het delict begaat duidelijke signalen dat de ander niet of niet volledig in staat is zijn of haar wil te uiten met betrekking tot het seksuele contact negeert, aanvaardt diegene bewust de aanmerkelijke kans dat bij die ander de wil ontbrak met betrekking tot de seksuele handelingen.
Conclusie
De rechtbank is, anders dan de raadsvrouw, van oordeel dat aangeefster wel degelijk in een staat van lichamelijke onmacht verkeerde. Aangeefster heeft duidelijk verklaard dat zij tijdens haar aanval de bewuste avond op een gegeven moment niet meer kon praten. Verdachte heeft dit bevestigd. Aangeefster heeft daarnaast verklaard dat zij ook niet non-verbaal op verdachte kon reageren. Ze had “nergens controle over” en “kreeg het wel mee, maar kon er niets mee”. Verdachte heeft verklaard dat hij zag dat het lichaam van aangeefster schokkende bewegingen maakte, dat haar hoofd steeds naar voren ging en dat haar lichaam steeds andere dingen deed. In deze omstandigheden heeft verdachte de vrijheid genomen om een beweging van het hoofd van aangeefster te interpreteren als toestemming tot het hebben van seksueel contact. Echter, gelet op de toestand waarin aangeefster verkeerde waarvan verdachte zich terdege bewust was had verdachte deze bewegingen niet mogen opvatten als een instemming om seks te hebben. Dat verdachte op zijn minst twijfelde of aangeefster wel in staat was om in te stemmen met het hebben van seksueel contact volgt al uit het feit dat verdachte meerdere keren om toestemming heeft verzocht, net zolang totdat hij meende een instemmende hoofdbeweging van aangeefster te zien. De situatie als hiervoor omschreven, waarin aangeefster langdurig in een aanval zat, waarbij zij op een gegeven moment ook niet meer kon spreken, kan worden geduid als situatie van lichamelijke onmacht waarin aangeefster niet in staat was haar vrije wil te uiten. Zij kón simpelweg geen toestemming geven. Door in deze omstandigheden toch toestemming te vragen heeft verdachte op zijn minst bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat de seksuele handelingen plaatsvonden terwijl de wil daartoe bij aangeefster ontbrak.
In hetgeen de raadsvrouw heeft aangevoerd ziet de rechtbank geen contra-indicaties die, ondanks vorenstaande, in de weg staan aan het aannemen van voorwaardelijk opzet. Voor zover al kan worden aangenomen dat eerder seksueel contact tussen verdachte en aangeefster met instemming van aangeefster heeft plaatsgevonden, is de situatie in dit geval al anders omdat aangeefster toen wel in staat
was om te spreken en nu niet. Daarin ziet de rechtbank derhalve geen contra-indicatie voor het aannemen van voorwaardelijk opzet. Ook in het herhaaldelijk vragen om toestemming ziet de rechtbank geen contra-indicatie voor het aannemen van de bewuste aanvaarding van de als aanmerkelijk te achten kans dat aangeefster niet instemde met het seksueel contact. Integendeel: wanneer een situatie bestaat waarin aangeefster niet in staat is om haar wil te uiten en verdachte van die situatie op de hoogte is, zoals hiervoor omschreven, dan doet het er niet toe hoe vaak om toestemming wordt gevraagd. Er kan immers op geen van die keren een antwoord volgen. Het vragen van toestemming brengt naar het oordeel van de rechtbank dan ook geen uitzonderingssituatie met zich mee waarin, ondanks dat sprake is van lichamelijke onmacht, geen sprake zou zijn van (voorwaardelijk) opzet, zoals bepleit door de raadsvrouw.
Gelet op vorenstaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan opzetverkrachting.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht het feit wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:
hij op 25 juni 2025 te Assen met een persoon, te weten [slachtoffer] seksuele handelingen die mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam heeft verricht, te weten
  • het plaatsen van zijn, verdachtes, hand op de buik, van die [slachtoffer] en
  • het bewegen van zijn, verdachtes, vingers over de onderbroek van die [slachtoffer] en
  • het opzij doen van de onderbroek van die [slachtoffer] en
  • het brengen en bewegen van zijn, verdachtes, vingers in de vagina van die [slachtoffer] en
  • boven op die [slachtoffer] is gaan liggen en
  • het brengen en bewegen van zijn, verdachtes, penis in de vagina van die [slachtoffer] terwijl hij, verdachte, wist dat bij die [slachtoffer] daartoe de wil ontbrak.
Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:
Opzetverkrachting.
Dit feit is strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafmotivering

Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van opzetverkrachting wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 42 maanden waarvan 12 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 3 jaren en de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft, indien de rechtbank tot een bewezenverklaring komt, gepleit voor een onvoorwaardelijke gevangenisstraf gelijk aan het voorarrest en een voorwaardelijk strafdeel met daaraan gekoppeld de bijzondere voorwaarden zoals door de reclassering geadviseerd.
Oordeel van de rechtbank
Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek ter terechtzitting, de Pro Justitia rapportage en het reclasseringsrapport van 8 december 2025, het uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de verdediging.
De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
Ernst van het feit
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan opzetverkrachting. Hij heeft aangeefster verkracht terwijl zij in een psychogene niet-epileptische aanval verkeerde. Hierdoor maakte aangeefster de verkrachting ten volle mee, maar kon zij zich hier niet tegen verzetten. Zij was machteloos. De oorzaak van deze aanvallen bij aangeefster zijn bovendien gelegen in een belast verleden, waarin seksueel misbruik een rol speelt. Een situatie waarvan verdachte op de hoogte was. Aangeefster en verdachte hadden een vriendschappelijke relatie waarbij aangeefster verdachte zodanig vertrouwde dat zij zelfs zijn hulp inriep wanneer zij in een aanval zat waar zij maar met moeite uitkwam. Verdachte heeft dat vertrouwen op zeer ernstige wijze geschonden door nota bene in de eigen woning van aangeefster misbruik te maken van de situatie waarin zij verkeerde. Verdachte heeft hiermee een grove inbreuk gemaakt op de lichamelijke en psychische integriteit van aangeefster. De psychische gesteldheid van aangeefster is door verdachtes handelen ernstig verslechterd, zo blijkt uit de slachtofferverklaring en de vordering benadeelde partij. De rechtbank rekent dit verdachte ernstig aan.
Mate van toerekeningsvatbaarheid
De psycholoog concludeert in het rapport d.d. 25 september 2025 dat bij verdachte sprake is van een borderline persoonlijkheidsstoornis met narcistische en antisociale trekken. Volgens de psycholoog lijkt ook sprake te zijn van een andere gespecificeerde neurobiologische ontwikkelingsstoornis met prenatale blootstelling aan alcohol en drugs. Daarnaast is vermoedelijk ook sprake van een stoornis in de seksualiteit in de vorm van seksuele preoccupatie. Er is sprake van een pervasief patroon van instabiliteit op het
gebied van interpersoonlijke relaties, van het zelfbeeld en van affecten en impulsiviteit. Zo lijkt verdachte zijn eigen zelfregulatieve vaardigheden te overschatten, hetgeen er in complexe situaties waarin hij onvoldoende overzicht heeft, toe kan leiden dat hij overspoeld wordt door seksuele prikkels en zijn impulsen niet meer onder controle heeft. De psycholoog beschrijft dat de stoornissen ook aanwezig waren ten tijde van het plegen van het ten laste gelegde feit. Zowel de borderline problematiek als de antisociale trekken van verdachte in combinatie met hyperseksualiteit kunnen een rol hebben gespeeld bij het tenlastegelegde. De psycholoog verbindt hieraan geen conclusie in het kader van toerekenbaarheid in verband met onduidelijkheid over het delictscenario.
De psycholoog geeft aan dat er aanwijzingen zijn dat elementen vanuit de ernstige persoonlijkheidsproblematiek van verdachte en afwijkingen op seksueel gebied van invloed zijn geweest op het denken, voelen en handelen van verdachte ten tijde van de delictpleging. De rechtbank gaat hiervan ook uit. Gelet daarop kan worden aangenomen dat verdachte niet volledig vrij is geweest in het bepalen van zijn gedrag. De rechtbank komt om die reden anders dan de officier van justitie tot het oordeel dat het bewezenverklaarde in verminderde mate aan verdachte kan worden toegerekend en zal daarmee in de strafoplegging rekening houden in strafmatigende zin.
Persoonlijke omstandigheden
Uit het Pro Justitia rapport en het reclasseringsrapport blijkt van een zeer belaste voorgeschiedenis van verdachte. Er is sprake van ernstige hechtingsproblematiek, emotieregulatie problemen, impulsiviteit, stemmingswisselingen en beperkte probleemoplossende vaardigheden bij verdachte. Uit de rapportages blijkt een noodzaak tot begeleiding en behandeling voor de persoonlijkheidsproblematiek en de verstoorde seksuele ontwikkeling. Verdachte staat hiervoor open. De rechtbank houdt hier rekening mee.
De rechtbank is van oordeel dat, gelet op hetgeen hiervoor over de ernst van het feit is overwogen, niet kan worden volstaan met een andere straf dan een forse gevangenisstraf. De persoonlijke omstandigheden van verdachte geven de rechtbank evenwel aanleiding om een groot deel hiervan voorwaardelijk op te leggen, nu de rechtbank het belang van behandeling groot acht. Omdat de rechtbank, anders de officier van justitie, komt tot een verminderde toerekeningsvatbaarheid van verdachte en ook overigens de persoonlijke omstandigheden van verdachte zwaarder meeweegt, komt zij tot een lagere strafoplegging dan door de officier van justitie gevorderd.
Alles afwegende acht de rechtbank een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden waarvan 12 maanden voorwaardelijk, passend en geboden. De rechtbank zal daaraan de bijzondere voorwaarden verbinden zoals voorgesteld in het reclasseringsadvies van 8 december 2025. Verdachte heeft zich bereid verklaard om deze voorwaarden na leven.

Benadeelde partij

[slachtoffer] heeft zich als benadeelde partij in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Gevorderd wordt een bedrag van 5.512,85 ter vergoeding van materiële schade en 15.000,- ter vergoeding van immateriële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering geheel kan worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de vordering niet-ontvankelijk verklaard dient te worden in verband met de bepleite vrijspraak. Indien de rechtbank toch tot een bewezenverklaring komt, heeft de raadsvrouw met betrekking tot de materiële kosten aangevoerd dat de kosten om naar vrienden te reizen niet voor vergoeding in aanmerking komen, dat de verhuiskosten geen kosten betreffen die verdachte kunnen worden aangerekend en dat onvoldoende onderbouwd is waarom aangeefster een fysiotherapeut nodig heeft naar aanleiding van het incident. Met betrekking tot de immateriële kosten heeft de raadsvrouw aangevoerd dat de vordering dient te worden gematigd omdat het gevorderde bedrag niet enkel is gebaseerd op het tenlastegelegde incident maar op twee incidenten.
Oordeel van de rechtbank
Materiële schade
Gevorderd wordt een bedrag van 5.512,85 (bij narekening 5.512,35), bestaande uit de volgende kostenposten:
  • Reiskosten in verband met het volgen van therapie;
  • Reiskosten in verband met het bezoek aan vrienden;
  • Kosten fysiotherapie;
  • Verhuiskosten.
Ten aanzien van de reiskosten in verband met het volgen van therapie is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende onderbouwd dat deze therapiesessies en daarmee de reiskosten het rechtstreekse gevolg zijn van het bewezenverklaarde nu benadeelde ook voor het delict al therapie volgde. Onvoldoende onderbouwd is dat en hoeveel extra therapiesessies benadeelde heeft gehad ten gevolge van het bewezenverklaarde strafbare feit. De vordering zal op dit punt dan ook niet-ontvankelijk worden verklaard. Dit deel van de vordering kan wel nog bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
Ten aanzien van de reiskosten in verband met het bezoek aan vrienden op momenten dat benadeelde te angstig was om alleen thuis te zijn overweegt de rechtbank het volgende. Hoewel het begrijpelijk is dat benadeelde na het delict steun heeft gezocht bij vrienden, staan de gemaakte reiskosten juridisch gezien in een te ver verwijderd verband van het bewezen verklaarde en komen derhalve niet voor toewijzing in aanmerking. De vordering zal op dit punt dan ook niet-ontvankelijk worden verklaard.
Ten aanzien van de kosten voor fysiotherapie overweegt de rechtbank dat dit toekomstige, nog niet gemaakte kosten betreffen en derhalve op dit moment niet voor toewijzing vatbaar zijn. De vordering zal ook op dit punt niet-ontvankelijk worden verklaard. Dit deel van de vordering kan, indien de kosten alsnog worden gemaakt, bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
Ten aanzien van de verhuiskosten is de rechtbank van oordeel dat het alleszins begrijpelijk is dat de benadeelde zich niet meer veilig voelde in haar woning, waar het bewezenverklaarde strafbare feit heeft plaatsgevonden, en dat zij ten gevolge daarvan is verhuisd. Naar het oordeel van de rechtbank kunnen de verhuiskosten in dit geval worden beschouwd als een direct gevolg van het bewezenverklaarde strafbare feit zodat deze kosten daarmee voldoende verband houden en voor rekening van verdachte behoren te komen. De rechtbank zal de verhuiskosten dan ook toewijzen, met uitzondering van de dubbele huur die
benadeelde heeft moeten betalen want die kosten hadden voorkomen kunnen worden, althans zijn niet aan verdachte toe te rekenen. De vordering zal op dit punt worden afgewezen.
In totaal zal er een bedrag van 103,50 aan materiële kosten worden toegewezen, te weten de kosten voor het huren van de verhuisbus en de kosten voor de aanschaf van verhuisdozen.
Immateriële schade
Gevorderd wordt een bedrag van 15.000,- aan immateriële schade ten gevolge van het bewezenverklaarde feit.
Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende gebleken dat de benadeelde als gevolg van het bewezen verklaarde strafbare feit rechtstreeks immateriële schade heeft geleden. Niet alleen brengt de aard en de ernst van de normschending mee dat de nadelige gevolgen voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon in de zin van artikel 6:106, aanhef en onder b, van het Burgerlijk Wetboek kan worden aangenomen, benadeelde heeft ook onderbouwd dat zij geestelijk letsel heeft opgelopen. Haar psychogene aanvallen zijn geïntensiveerd in aantal, in duur en in heftigheid, ze is teruggevallen in oude patronen zoals automutilatie, haar eetstoornis is verergerd en ook het trauma dat zij al had vanwege een verleden van seksueel misbruik is in ernst toegenomen. Zij ondervindt dan ook dagelijks psychische en lichamelijke klachten als gevolg van het bewezenverklaarde strafbare feit.
Gelet op alle omstandigheden van het geval stelt de rechtbank de immateriële schadevergoeding naar billijkheid vast op een bedrag van 10.000,-. Bij de begroting van die schade heeft de rechtbank naast de hierboven omschreven aard en ernst van de gevolgen voor benadeelde ook de ernst van de seksuele handelingen meegewogen, het feit dat de verkrachting heeft plaatsgevonden in de woning van benadeelde, de vertrouwensband die er tussen benadeelde en verdachte bestond en de kwetsbare, weerloze positie waarin benadeelde zich bevond waar verdachte misbruik van heeft gemaakt. Voorts heeft de rechtbank acht geslagen op de bedragen die in de Nederlandse rechtspraak in vergelijkbare gevallen zijn toegekend, alsmede op de Rotterdamse schaal, een ordening van smartengeldbedragen bij letsel en andere persoonsaantastingen, waarnaar vaker wordt verwezen in de Nederlandse rechtspraak bij de vaststelling en begroting van immateriële schade. Alles afwegende acht de rechtbank zoals gezegd een schadevergoeding ter hoogte van 10.000,- billijk. De vordering met betrekking tot immateriële schade zal voor het overige worden afgewezen.
Nu de aansprakelijkheid van verdachte vaststaat, zal de rechtbank de schadevergoedingsmaatregel opleggen om te bevorderen dat verdachte de schade zal vergoeden.
De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f en 243 van het Wetboek van Strafrecht. Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak gelden.

Uitspraak

De rechtbank

Verklaart het ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.
Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.
Veroordeelt verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden.

Bepaalt dat van deze gevangenisstraf
een gedeelte, groot 12 maanden, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond, dat de veroordeelde voor het einde van of gedurende de proeftijd, die hierbij wordt vastgesteld op 3 jaren, de hierna te noemen voorwaarden niet heeft nageleefd.
Beveelt dat de tijd die de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf, geheel in mindering zal worden gebracht.
Voorwaarde is, dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig zal maken aan een strafbaar feit.
Stelt als bijzondere voorwaarden:
Veroordeelde meldt zich binnen veertien dagen na het ingaan van de proeftijd bij de reclassering van het Leger des Heils aan [adres] . Veroordeelde blijft zich melden op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt;
Veroordeelde laat zich behandelen door de Ambulant Forensische Psychiatrie Noord (GGZ Drenthe) of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering. De behandeling start zo snel mogelijk na het ingaan van de proeftijd. De behandeling duurt de gehele
proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. Veroordeelde houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling;
3. Veroordeelde verblijft binnen een instelling voor beschermd of begeleid wonen (op basis van de WLZ-indicatie of op justitiële titel) waar de reclassering hem kan bezoeken. Veroordeelde houdt zich aan de
huisregels en het dagprogramma dat de instelling, al dan niet in overleg met de reclassering, voor hem heeft opgesteld;
4. Veroordeelde heeft of zoekt op geen enkele wijze - direct of indirect - contact met [slachtoffer], geboren op [geboortedatum] 2000, zolang het Openbaar Ministerie dit verbod nodig vindt.
Geeft aan voornoemde reclasseringsinstelling de opdracht als bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.
Voorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde gedurende de proeftijd:
  • ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;
  • medewerking zal verlenen aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht, daaronder begrepen.
Benadeelde partij
Wijst de vordering van de benadeelde partij toe tot het hierna te noemen bedrag en veroordeelt verdachte om aan [slachtoffer] te betalen:
  • het bedrag van 10.103,50 (zegge: tienduizendhonderddrie euro en vijftig eurocent);
  • de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 25 juni 2025 tot de dag van algehele voldoening;
  • de proceskosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog zal maken, tot heden begroot op nihil.
Verklaart de vordering van [slachtoffer] voor het overige niet-ontvankelijk wat betreft de reiskosten voor therapiesessies, de reiskosten in verband met het bezoek aan vrienden en de toekomstige kosten in verband met nog te volgen fysiotherapiesessies.
De reiskosten voor therapiesessies en de toekomstige kosten in verband met nog te volgen fysiotherapiesessies kunnen nog wel bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
Wijst de vordering van [slachtoffer] voor het overige af wat betreft de resterende immateriële schade en de dubbele huur in verband met het verhuizen.
Legt aan verdachte de verplichting op om ten behoeve van [slachtoffer] aan de Staat te betalen een bedrag van 10.103,50 (zegge: tienduizendhonderddrie euro en vijftig eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 25 juni 2025 tot de dag van algehele voldoening. Dit bedrag bestaat uit 103,50 aan materiële schade en 10.000,- aan immateriële schade.
Bepaalt dat bij gebreke van volledig verhaal van de betalingsverplichting aan de Staat gijzeling voor de duur van 85 dagen kan worden toegepast. De toepassing van gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.
Bepaalt dat als verdachte voldoet aan de betalingsverplichting aan de benadeelde partij of aan de Staat, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd van de betalingsverplichting aan beiden.
Dit vonnis is gewezen door mr. F. Sieders, voorzitter, mr. R. Baluah en mr. M. Jannink, rechters, bijgestaan door mr. L. Lamers, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 30 december 2025.
Mr. Jannink is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.
1. Memorie van Toelichting,
Kamerstukken II2022/23, 36222, nr. 3, pagina 17.