ECLI:NL:RBNNE:2025:5661

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
28 november 2025
Publicatiedatum
7 januari 2026
Zaaknummer
LEE 24/3762
Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing aanvraag om verlenging van de duur van de prestatiebeurs op grond van de Wet studiefinanciering 2000

In deze uitspraak van de Rechtbank Noord-Nederland op 28 november 2025, wordt de afwijzing van de aanvraag van eiser om verlenging van de duur van zijn prestatiebeurs op grond van de Wet studiefinanciering 2000 (Wsf 2000) behandeld. Eiser is het niet eens met de afwijzing van zijn aanvraag, die door de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap is gedaan. De rechtbank beoordeelt de afwijzing aan de hand van de beroepsgronden die eiser aanvoert. De rechtbank komt tot de conclusie dat de minister de aanvraag terecht heeft afgewezen, omdat eiser niet heeft voldaan aan de voorwaarden uit artikel 5.16 van de Wsf 2000. Eiser heeft geen verklaring van de studentendecaan overgelegd, wat een vereiste is om aan te tonen dat zijn studievertraging het gevolg is van medische omstandigheden. De rechtbank legt uit dat de onderwijsverklaring een essentiële voorwaarde is en dat de minister niet zelfstandig kan beoordelen of aan de voorwaarden is voldaan. Eiser heeft ook een beroep gedaan op de hardheidsclausule, maar de rechtbank oordeelt dat er geen bijzondere omstandigheden zijn die toepassing van deze clausule rechtvaardigen. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en wijst erop dat eiser geen griffierecht terugkrijgt en geen proceskostenvergoeding ontvangt.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: LEE 24/3762

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 28 november 2025 in de zaak tussen

[eiser] , uit [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: [gemachtigde] ),
en

de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, de minister

(gemachtigde: mr. N. Fazli).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiser om verlenging van de duur van zijn prestatiebeurs op grond van de Wet studiefinanciering 2000 (Wsf 2000). Eiser is het niet eens met de afwijzing van zijn aanvraag. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de minister terecht de aanvraag van eiser om verlenging van de duur van zijn prestatiebeurs heeft geweigerd. Eiser krijgt geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiser heeft een aanvraag ingediend voor een verlenging van de duur van zijn prestatiebeurs. De minister heeft deze aanvraag met het besluit van 14 mei 2024 (het primaire besluit) afgewezen.
2.1.
Met het besluit van 31 juli 2024 (het bestreden besluit) op het bezwaar van eiser is de minister bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
2.2.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.3.
De minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.4.
De rechtbank heeft het beroep op 21 oktober 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister.

Beoordeling door de rechtbank

Mocht de minister de aanvraag afwijzen?
3. Eiser voert aan dat medische stukken, stukken op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) en coachingverklaringen het ontbreken van een onderwijsverklaring kunnen compenseren omdat daaruit volgens hem duidelijk blijkt dat er een causaal verband bestaat tussen zijn ADHD en de opgelopen studievertraging. Verder voert eiser aan dat de bedoeling van artikel 5.16 van de Wsf 2000 is om studenten met een medische beperking de mogelijkheid te bieden een verlenging van de prestatiebeurs te krijgen. Ook voert eiser aan dat hij via een webtool van de RUG melding heeft gedaan van zijn medische beperking, zodat de stelling van de decaan dat nooit melding is gemaakt van zijn medische beperking onjuist is. Hij stelt dat hij geen reactie op deze melding heeft ontvangen en dat hij zelf geen verdere stappen heeft gezet omdat hij tevreden was met de begeleiding vanuit de Wmo.
4. De minister stelt zich op het standpunt dat de onderwijsverklaring een constitutieve voorwaarde vormt, zodat zonder deze verklaring niet kan worden vastgesteld dat de studievertraging het gevolg is van medische omstandigheden. De minister stelt verder dat zijn taak niet beperkt is tot een marginale toets op zorgvuldigheid en inzichtelijkheid, maar dat hij moet beoordelen of daadwerkelijk aan de wettelijke voorwaarden is voldaan. De minister wijst erop dat uit rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) volgt dat de onderwijsverklaring centraal staat in de beoordeling. [1] Tot slot stelt de minister dat een generieke melding in een webtool niet gelijk kan worden gesteld aan een onderwijsverklaring omdat hiermee geen inzichtelijke en per periode gespecificeerde causaliteit wordt aangetoond.
5. De rechtbank overweegt dat artikel 5.16 van de Wsf 2000 de verlenging van de diplomatermijn en de omzetting van de prestatiebeurs regelt bij bijzondere omstandigheden. Lid 5 bepaalt dat bijzondere omstandigheden uitsluitend kunnen worden aangetoond met gedagtekende verklaringen van een arts en van de onderwijsinstelling waar de student is ingeschreven. Bij uitsluitend niet-medische omstandigheden volstaat een onderwijsverklaring. De CRvB leest deze bepaling strikt en cumulatief en overweegt dat het niet aan de minister is om zelfstandig te beoordelen of aan de voorwaarden is voldaan. [2]
5.1.
De CRvB heeft onder verwijzing naar de geschiedenis van de totstandkoming van de artikelen 5.5 en 5.16 van de Wsf 2000, de bedoeling van de wetgever en, daarmee samenhangend, het toetsingskader voor de beoordeling van een verzoek om verlenging van de diplomatermijn uiteengezet. [3] Kort samengevat geldt het volgende: Volgens de wetgever zal de ruim gestelde diplomatermijn van tien jaar slechts bij hoge uitzondering niet toereikend zijn om met goed gevolg het afsluitend examen van een opleiding in het hoger onderwijs te kunnen behalen. Uitzonderingen zijn dan ook slechts bedoeld voor gevallen die evident tot een onredelijk of onbillijk resultaat leiden. Verder heeft de wetgever er met het bepaalde in artikel 5.16, vijfde lid, van de Wsf 2000 uitdrukkelijk voor gekozen dat, voor zover hier van belang, uit verklaringen van de natuurlijke persoon of het bestuur van de rechtspersoon van de onderwijsinstelling waar de student is ingeschreven zal moeten blijken dat voldaan is aan de gestelde voorwaarden. Het is niet aan de minister om zelfstandig – inhoudelijk – te beoordelen of aan de toepassingsvoorwaarden van artikel 5.16, eerste lid, van de Wsf 2000 is voldaan. Het is wel aan de minister om te bezien of de door artikel 5.16, vijfde lid, voorgeschreven verklaring van de onderwijsinstelling op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen, en dat deze inzichtelijk en consistent is. Indien daarvan sprake is, heeft de minister een toereikende grondslag voor zijn beslissing op het verzoek van de studerende.
5.2.
Het verzoek van eiser is niet ondersteund door een verklaring van de studentendecaan. Uit de stukken blijkt namelijk dat de decaan weigert om het verzoek van eiser te ondersteunen. Dat eiser een melding in de webtool heeft gedaan, maakt dit niet anders. Bovendien heeft eiser deze stelling niet met stukken onderbouwd. Gelet hierop is niet voldaan aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 5.16 van de Wsf 2000. De rechtbank kan de minister volgen dat de verklaring van de decaan op zorgvuldig en verifieerbaar is. De rechtbank is van oordeel dat de minister de aanvraag van eiser terecht heeft afgewezen.
Had de hardheidsclausule moeten worden toegepast?
6. Ten aanzien van eisers beroep op de hardheidsclausule uit artikel 11.5 van de Wsf 2000, overweegt de rechtbank als volgt. De Memorie van Toelichting bij de artikelen 5.5 en 5.16 van de Wsf 2000 (26 873, nr. 3, pagina’s 7 en 58-59) geeft aan dat de in artikel 5.16 Wsf 2000 geboden voorziening slechts bedoeld is voor evident onredelijke en onbillijke gevallen. Dit omdat de lange diplomatermijn van 10 jaar reeds veel ruimte biedt om eventuele bijzondere omstandigheden op te vangen. Mede in het licht hiervan acht de rechtbank in het geval van eiser geen bijzondere omstandigheden aanwezig die aanleiding geven voor toepassing van de in artikel 11.5 van de Wsf 2000 neergelegde hardheidsclausule. [4] Eiser heeft bovendien verklaard dat hij studiebegeleiding heeft gehad vanuit de Wmo. Van een evident onredelijk en onbillijk geval is geen sprake.

Conclusie en gevolgen

7. Het beroep is ongegrond. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.H. de Groot, rechter, in aanwezigheid van mr. K. Lenting, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 28 november 2025.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving

Wet studiefinanciering 2000
Artikel 5.5
De diplomatermijn hoger onderwijs is een periode van 10 jaren. Deze periode vangt aan op de eerste dag van de maand waarover voor het eerst studiefinanciering is toegekend voor het volgen van hoger onderwijs.
Artikel 5.16
1. Indien een ho-student als direct gevolg van bijzondere omstandigheden van tijdelijke aard niet in staat is binnen de diplomatermijn hoger onderwijs met goed gevolg het afsluitend examen te behalen, wordt deze termijn verlengd met de duur van die bijzondere omstandigheden.
2. Indien een ho-student als direct gevolg van bijzondere omstandigheden van structurele aard niet in staat is binnen de diplomatermijn hoger onderwijs met goed gevolg het afsluitend examen te behalen, wordt deze termijn, op aanvraag, verlengd met 5 jaren. Onder bijzondere omstandigheden van structurele aard kunnen in ieder geval worden verstaan functiebeperking of chronische ziekte.
[…]
5. Onze Minister stelt op aanvraag van de ho-student vast of er sprake is van bijzondere omstandigheden in de zin van dit artikel. De bijzondere omstandigheden kunnen uitsluitend worden aangetoond door gedagtekende verklaringen van een arts en de natuurlijke persoon of het bestuur van de rechtspersoon van de onderwijsinstelling waar hij is ingeschreven. Indien de bijzondere omstandigheden uitsluitend van niet-medische aard zijn, volstaat een gedagtekende verklaring van de natuurlijke persoon of het bestuur van de rechtspersoon van de onderwijsinstelling waar de ho-student is ingeschreven.
Artikel 11.5
Onze Minister kan voor bepaalde gevallen de wet en de daarop berustende bepalingen buiten toepassing laten of daarvan afwijken voor zover toepassing gelet op het belang dat deze wet beoogt te beschermen, zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard.