ECLI:NL:RBNNE:2025:5775

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
9 december 2025
Publicatiedatum
20 januari 2026
Zaaknummer
18.312790.23 ontneming
Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36e Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vordering tot ontneming wederrechtelijk verkregen voordeel wegens onvoldoende onderbouwing

De officier van justitie vorderde op 20 maart 2025 dat de rechtbank veroordeelde zou verplichten tot betaling van 14.000 euro als ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel, gebaseerd op een verklaring van de verdachte tijdens een politieverhoor. De behandeling vond plaats op 10 en 11 november 2025, met sluiting van het onderzoek op 25 november 2025.

De rechtbank overwoog dat het openbaar ministerie de bewijslast draagt om aannemelijk te maken dat de veroordeelde wederrechtelijk voordeel heeft genoten. De enige onderbouwing bestond uit de verklaring van de verdachte zelf, zonder aanvullende rapportages of bewijsstukken. Er was geen duidelijkheid over de verrekening van gemaakte kosten of teruggegeven goederen.

Gezien het ontbreken van een ontnemingsrapport en de niet-betrokken vorderingen van benadeelde partijen bij de bepaling van het bedrag, kon de rechtbank niet vaststellen welk bedrag daadwerkelijk ontnomen moest worden. Daarom wees de rechtbank de vordering van het openbaar ministerie af.

Uitkomst: De rechtbank wijst de vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel af wegens onvoldoende onderbouwing.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht
Locatie Groningen
parketnummer 18.312790.23
beslissing van de meervoudige strafkamer d.d. 9 december 2025 op een vordering van de officier van justitie tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel
in de zaak tegen

[veroordeelde]

veroordeelde,
geboren op [geboortedatum] 1992 te [geboorteplaats] , thans gedetineerd te [instelling] .

Procesverloop

De officier van justitie heeft op 20 maart 2025 schriftelijk gevorderd dat de rechtbank het bedrag vast zal stellen waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e, vijfde lid, van het Wetboek van Strafrecht, wordt geschat en dat de rechtbank aan voornoemde veroordeelde de verplichting zal opleggen tot betaling aan de staat van een bedrag van 14.000,00 ter ontneming van het uit het in de zaak met parketnummer 18.312790.23 voortvloeiende, wederrechtelijk verkregen voordeel.
De behandeling heeft plaatsgevonden ter terechtzitting 10 en 11 november 2025.
Het onderzoek is gesloten ter terechtzitting van 25 november 2025.
Veroordeelde is verschenen, bijgestaan door mr. I. Djordjevic, advocaat te Groningen. Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. B. Broerse.

Standpunten

De officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de veroordeelde wederrechtelijk voordeel heeft genoten uit het bewezenverklaarde tot een bedrag van
14.000,00. Hij heeft dat bedrag gebaseerd op de door veroordeelde als verdachte afgelegde verklaring in het politieverhoor van 12 september 2024.
De verdediging
De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel dient te worden afgewezen.

Beoordeling

De rechtbank heeft veroordeelde bij vonnis van heden, 9 december 2025, in de zaak met parketnummer 18.312790.23 (met als gevoegd parketnummer 18.319603.24) veroordeeld ter zake 28 gekwalificeerde diefstallen en acht pogingen daartoe.
De rechtbank overweegt dat de bewijslast om aan te tonen dat aannemelijk is dat de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel heeft genoten bij het openbaar ministerie ligt. Zij merkt in dat kader op dat de officier van justitie zijn vordering niet heeft onderbouwd middels enige rapportage omtrent het wederrechtelijk verkregen voordeel en ter staving van deze vordering enkel en alleen heeft gewezen op de door verdachte in zijn verhoor van 12 september 2024 afgelegde verklaring, inhoudende dat hij “veertien à vijftienduizend euro heeft verdiend” met de door hem gepleegde en bewezenverklaarde inbraken.
De rechtbank overweegt voorts dat, nu enige verdere onderbouwing ontbreekt van de kant van het openbaar ministerie, niet duidelijk is in hoeverre er in dit gevorderde bedrag rekening is gehouden met gemaakte kosten en bijvoorbeeld met teruggevonden en teruggegeven sieraden.
Op basis van het voorgaande is de rechtbank dan ook van oordeel dat, alhoewel aannemelijk is dat veroordeelde enig wederrechtelijk verkregen voordeel zal hebben genoten, zij (mede door het ontbreken van een ontnemingsrapport) niet kan vaststellen welk bedrag dat is.
Voorts heeft de rechtbank in haar vonnis van vandaag, voornoemd, een groot aantal vorderingen van benadeelde partijen toegewezen. Ook met die bedragen is bij het vaststellen van de hoogte van het ontnemingsbedrag geen rekening gehouden.
De rechtbank acht zich op basis van het voorgaande dan ook niet in staat om een schatting te maken van het mogelijk genoten wederrechtelijk voordeel.
Dit betekent dat de rechtbank de vordering van de officier van justitie zal afwijzen.

Beslissing

Wijst de vordering van de officier van justitie af.
Deze uitspraak is gegeven door mr. M.A.M. Wolters, voorzitter, mr. M.S. van der Kuijl en
mr. E.P. van Sloten, rechters, bijgestaan door mr. L. van der Weide, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 9 december 2025.
Mr. Van Sloten is buiten staat deze beslissing mede te ondertekenen.