ECLI:NL:RBNNE:2025:5775
Rechtbank Noord-Nederland
- Op tegenspraak
- Rechtspraak.nl
Vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel in strafzaak met meerdere diefstallen
In deze zaak heeft de rechtbank Noord-Nederland op 9 december 2025 uitspraak gedaan in een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. De vordering was ingediend door de officier van justitie op 20 maart 2025, waarbij een bedrag van 14.000 euro werd gevorderd. Dit bedrag was gebaseerd op de verklaring van de veroordeelde tijdens een politieverhoor op 12 september 2024, waarin hij aangaf dat hij tussen de veertien en vijftienduizend euro had verdiend met de gepleegde inbraken. De behandeling van de zaak vond plaats op 10 en 11 november 2025, en de rechtbank sloot het onderzoek op 25 november 2025. De veroordeelde was aanwezig, bijgestaan door zijn advocaat, mr. I. Djordjevic, terwijl het openbaar ministerie werd vertegenwoordigd door mr. B. Broerse.
De rechtbank heeft in haar beoordeling vastgesteld dat de bewijslast voor het aantonen van het wederrechtelijk verkregen voordeel bij het openbaar ministerie ligt. De rechtbank merkte op dat de officier van justitie zijn vordering niet had onderbouwd met enige rapportage over het wederrechtelijk verkregen voordeel en enkel verwees naar de verklaring van de verdachte. De rechtbank concludeerde dat, hoewel het aannemelijk is dat de veroordeelde enig voordeel heeft genoten, het ontbreken van een ontnemingsrapport en andere relevante informatie het onmogelijk maakte om het exacte bedrag vast te stellen. Daarom heeft de rechtbank de vordering van de officier van justitie afgewezen.