ECLI:NL:RBNNE:2025:5831

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
23 december 2025
Publicatiedatum
4 februari 2026
Zaaknummer
18.119866.25
Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Op tegenspraak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 EVRMArt. 348 SvArt. 350 SvArt. 36f SrArt. 45 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor meerdere auto-inbraken met planmatig mobiel banditisme

De rechtbank Noord-Nederland heeft verdachte op 23 december 2025 veroordeeld wegens meerdere auto-inbraken gepleegd in de periode van februari tot april 2025 in Friesland. Verdachte handelde samen met een medeverdachte planmatig en doelbewust, waarbij onder meer BMW-auto's werden opengebroken door middel van braak en diverse onderdelen en goederen werden weggenomen met het oogmerk zich deze wederrechtelijk toe te eigenen.

Procesafspraken tussen het Openbaar Ministerie en de verdediging voorzagen in een straf van 16 maanden, maar de rechtbank matigde deze strafvermindering vanwege de ernst van de feiten, de grote financiële schade en het belang van de maatschappij. De rechtbank legde een gevangenisstraf van 18 maanden op, met aftrek van het voorarrest.

Daarnaast behandelde de rechtbank vorderingen van benadeelde partijen tot schadevergoeding. De meeste materiële schadevorderingen werden toegewezen met wettelijke rente en hoofdelijkheid, terwijl immateriële schadevorderingen werden afgewezen wegens onvoldoende onderbouwing. De rechtbank wees ook de proceskosten toe en legde de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f Sr op.

De rechtbank benadrukte het belang van een eerlijk proces en toetste de procesafspraken aan de eisen van artikel 6 EVRM Pro. Verdachte was gedurende het gehele proces bijgestaan door een advocaat en verklaarde zich bewust van de rechtsgevolgen van de afspraken. De strafrechtelijke en civielrechtelijke belangen van alle partijen werden zorgvuldig afgewogen.

Uitkomst: Verdachte is veroordeeld tot 18 maanden gevangenisstraf en hoofdelijk aansprakelijk gesteld voor toegewezen schadevergoedingen.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Afdeling strafrecht
Locatie Leeuwarden
parketnummer 18.119866.25
Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 23 december 2025 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1992 te [geboorteplaats] , thans gedetineerd te [instelling] .
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 9 december 2025. Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. C.Y. Kekik, advocaat te Rotterdam.
Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door D.P. Menting.

Tenlastelegging

Aan verdachte is, na nadere omschrijving van de tenlastelegging, ten laste gelegd dat:
1.
hij op of omstreeks 18 april 2025 te Leeuwarden, in de gemeente Leeuwarden, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, in/uit een personenauto, merk BMW, voorzien van het kenteken [kenteken] welke geparkeerd stond op de oprit van de woning, gelegen aan of bij [adres] , aldaar,(onder meer) het stuur en/of het entertainment/navigatiesysteem en/of een scherm en/of een bedieningsknop van de middenconsole, in elk geval enig(e) goed(eren), die geheel of ten dele aan [slachtoffer 1] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft/hebben verschaft en/of dat/die weg te nemen goed/goederen onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht
door middel van braak, verbreking en/of inklimming;
2.
hij op of omstreeks 16 april 2025 te Drachten, in de gemeente Smallingerland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, meermalen, althans eenmaal, in uit een of meer personenauto(s) van het merk BMW, een of meer goederen die geheel of ten dele aan een ander toebehoorden, te weten
  • het stuur en/of de boardcomputer aan [slachtoffer 2] , ( [adres] , aldaar (aangifte op pagina 87) en/of
  • het stuur en/of de/een airbag en/of het bedienings/besturingspaneel en/of het navigatiesysteem en/of de radio en/of het kilometerstandscherm en/of een portemonnee met volledige inhoud (pinpas en/of rijbewijs en/of zorgpas) aan [slachtoffer 3] , [adres] , aldaar) (aangifte pagina 113) en/of
  • het stuur en/of de airbags en/of het navigatiesysteem en/of de radio aan [slachtoffer 4] , ( [adres] , aldaar) (aangifte op pagina 130), heeft/hebben weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, waarbij verdachte en/of zijn mededader zich (telkens) de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft/hebben verschaft en/of (telkens) dat/die weg te nemen goed/goederen onder zijn/hun bereik heeft/hebben
gebracht door middel van braak, verbreking en/of inklimming;
3.
hij in of omstreeks de periode van 28 februari 2025 tot en met 6 maart 2025 te Sneek, Bolsward, Grou, in elk geval in het arrondissement Noord-Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, meermalen, althans eenmaal,
in uit een of meer personenauto(s) van het merk BMW, een of meer goederen die geheel of ten dele aan een ander toebehoorden, te weten
- het stuur en/of deel van het middenconsole en/of de display aan [slachtoffer 5] ( [adres] )(aangifte pagina 146) en/of
  • het stuur en/of apparatuur uit de middenconsole aan [slachtoffer 6] ( [adres] ) (aangifte pagina 150) en/of
  • het stuur en/of het LCI scherm en/of de radio-unit en/of een portemonnee met diverse passen en/of een hoeveelheid Noorse Kronen aan [slachtoffer 7] ( [adres] ) (aangifte pagina 157) en/of
  • het stuur en/of de middenconsole en/of de display en/of 300 euro aan contant geld aan [slachtoffer 8] ( [adres]) (aangifte pagina 159),
heeft/hebben weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, waarbij verdachte en/of zijn mededader zich (telkens) de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft/hebben verschaft en/of (telkens) de weg te nemen goederen onder zijn/hun
bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak, verbreking en/of inklimming;
4.
hij in of omstreeks de periode van 5 maart 2025 tot en met 6 maart 2025, te Grou, in de gemeente Leeuwarden, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en/of verdachtes mededader(s) voorgenomen misdrijf om in/uit een personenauto, merk BMW, voorzien van kenteken [kenteken] welke stond
geparkeerd aan of bij [adres] , aldaar, een of meerdere goederen van zijn/hun gading, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan een ander toebehoorde(n), te weten aan [slachtoffer 9] (aangifte pagina 154), weg te nemen met het oogmerk om die/dat goed(eren) zich
wederrechtelijk toe te eigenen en zich toegang tot de plaats van het misdrijf te verschaffen en/of dat/die weg te nemen goed/goederen onder zijn/hun bereik te brengen door middel van braak en/of verbreking en/of inklimming, waarbij verdachte en/of zijn mededader zich opzettelijk naar voornoemde personenauto van die [slachtoffer 9] , heeft/hebben begeven en/of het raam aan de bestuurderszijde van die personenauto heeft vernield, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij in of omstreeks de periode van 5 maart 2025 tot en met 6 maart 2025 te Grou, in de gemeente Leeuwarden, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen opzettelijk en wederrechtelijk een raam/ruit van een personenauto, merk BMW en voorzien van kenteken [kenteken] in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander dan
aan verdachte en/of zijn mededader, te weten aan [slachtoffer 9] , toebehoorde, heeft/hebben vernield, beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt.
Procesafspraken
Het verloop van de procesafspraken
In de aanloop naar de inhoudelijke behandeling ter terechtzitting van onderhavige strafzaak hebben het Openbaar Ministerie en de verdediging de mogelijkheden besproken van het maken van procesafspraken. Bij e-mail van 14 november 2025 heeft de officier van justitie de rechtbank de overeenkomst tussen het Openbaar Ministerie en de verdediging inzake de gemaakte procesafspraken doen toekomen. In de overeenkomst is onder meer de gezamenlijke zienswijze over de beoordeling van de ten laste gelegde feiten en de op te leggen straf neergelegd. De overeenkomst is op 11 november 2025 ondertekend door verdachte, op 13 november 2025 door de raadsman van verdachte, mr. C. Kekik en op 29 oktober 2025 door de officier van justitie, mr. D.P. Menting. In de overeenkomst is vermeld dat het Openbaar Ministerie en de verdediging hebben gesteld meerwaarde te zien in het maken van procesafspraken. De rechtbank is niet betrokken geweest bij de totstandkoming van de procesafspraken.
De inhoud van de procesafspraken
Het afdoeningsvoorstel dat aan de rechtbank is voorgelegd houdt concreet in dat:
de verdediging afziet van het indienen van onderzoekswensen;
door de verdediging geen bewijsverweren worden gevoerd;
verdachte geen (nadere) verklaring hoeft af te leggen;
het Openbaar Ministerie ter terechtzitting een bewezenverklaring vordert voor de in de procesafspraken opgenomen feiten, te kwalificeren zoals eveneens in de proces afspraken vermeld, en een onvoorwaardelijke gevangenisstraf vordert voor de duur van 16 maanden;
verdachte zich niet aan de tenuitvoerlegging van de staf zal onttrekken;
het Openbaar Ministerie geen vordering tot ontneming aankondigt of aanhangig maakt;
de verdediging en het Openbaar Ministerie uitspreken voornemens te zijn geen hoger beroep in te stellen indien de rechtbank komt tot een bewezenverklaring en strafoplegging conform de gemaakte afspraken.
Voorts is in het afdoeningsvoorstel opgenomen dat er geen afspraken zijn gemaakt omtrent de vorderingen van de benadeelde partijen. Het Openbaar Ministerie en de verdediging nemen daarover zelfstandig een standpunt in.
Het kader van de procesafspraken
De rechtbank stelt voorop dat het maken van procesafspraken is toegestaan en dat de totstandkoming daarvan betekenis kan hebben voor de beslissingen die de strafrechter neemt, ondanks dat er thans nog geen wettelijke regeling is die voorziet in procesafspraken.1 Uit het arrest van de Hoge Raad van 27 september 2022 volgt dat de procesafspraken geen afbreuk doen aan de autonome positie van de strafrechter. De strafrechter is niet gebonden aan de procesafspraken. De strafrechter blijft er namelijk verantwoordelijk voor dat de behandeling en de beoordeling van de strafzaak plaatsvinden overeenkomstig de daarvoor geldende regelingen, in het bijzonder de artikelen 348 en 350 van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) en de eisen van een eerlijk proces, zoals neergelegd in artikel 6 van Pro het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (hierna: EVRM). De strafrechter kan uitsluitend acht slaan op gemaakte procesafspraken indien gewaarborgd is dat wordt voldaan aan de eisen uit artikel 6 EVRM Pro. Deze waarborg is in het bijzonder van belang, omdat doorgaans in procesafspraken wordt opgenomen dat verdachte afziet van het uitoefenen van bepaalde verdedigingsrechten. De Hoge Raad heeft in het arrest een aantal punten geformuleerd aan de hand waarvan de strafrechter die waarborgen kan toetsen. De strafrechter dient te onderzoeken of verdachte in de concrete omstandigheden van het geval vrijwillig, op basis van voldoende en duidelijke informatie en terwijl hij zich bewust was van de rechtsgevolgen, is gekomen tot de ondubbelzinnige beslissing mee te werken aan het afdoeningsvoorstel en de daarmee gepaard gaande afstand van verdedigingsrechten.2 Om dit te kunnen toetsen is in beginsel vereist dat verdachte ter terechtzitting aanwezig is en gedurende het gehele proces wordt bijgestaan door een advocaat.
De behandeling ter terechtzitting
De rechtbank heeft op de inhoudelijke behandeling ter terechtzitting van 9 december 2025 de procesafspraken besproken, zoals deze zijn vervat in de ondertekende overeenkomst. De officier van justitie heeft de achterliggende redenen voor het maken van de procesafspraken toegelicht. Daarbij heeft de officier van justitie aangegeven dat de procesafspraken de efficiëntie, duidelijkheid en de rechtsgang bevorderen en rechtdoen aan de feiten en gevolgen daarvan voor de slachtoffers.
Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij zich volledig bewust is van de inhoud van de gemaakte procesafspraken en dat hij achter deze afspraken staat.
De rechtbank is van oordeel dat verdachte aldus vrijwillig en op basis van voor hem voldoende en duidelijke informatie is gekomen tot de ondubbelzinnige beslissing om mee te werken aan hetgeen in het afdoeningsvoorstel is overeengekomen. De rechtbank stelt daarnaast vast dat verdachte zich bewust is van de rechtsgevolgen van de procesafspraken en daarmee gepaard gaande afstand van bepaalde verdedigingsrechten. Daarmee is tevens voldaan aan de eisen van een eerlijk proces, zoals neergelegd in artikel 6 EVRM Pro. De rechtbank heeft daarbij in aanmerking genomen dat verdachte gedurende het gehele proces is bijgestaan door een advocaat. De rechtbank heeft ter terechtzitting benadrukt dat zij dient te beoordelen of in de gemaakte afspraken ten aanzien van het bewijs en de kwalificaties is voldaan aan de juridische eisen en of de rechtbank de afspraken ten aanzien van de strafmaat maatschappelijk aanvaardbaar acht.
Alles overziend is de rechtbank van oordeel dat zij acht kan slaan op de gemaakte procesafspraken.
Als gezegd, de rechtbank houdt een eigen verantwoordelijkheid ervoor te zorgen dat de behandeling en de beoordeling van de strafzaak plaatsvinden overeenkomstig de geldende wettelijke bepalingen, met name de artikelen 348 en 350 Sv. De rechtbank zal hierna bij de beoordeling van het bewijs en het bepalen van de straf de gemaakte procesafspraken dan ook toetsen aan deze wettelijke bepalingen en beoordelen of een afdoening van de zaak in lijn met die afspraken al dan niet leidt tot een uitkomst die niet in redelijke verhouding staat tot de ernst van de zaak.

Beoordeling van het bewijs

Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft, overeenkomstig de procesafspraken, veroordeling gevorderd voor de onder 1, 2, 3 en 4 primair ten laste gelegde feiten.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft, overeenkomstig de procesafspraken, geen verweer gevoerd ten aanzien van het bewijs.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank acht de onder 1, 2, 3 en 4 primair ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend bewezen, zoals hierna opgenomen in de bewezenverklaring.
Bewijsmiddelen
De rechtbank past de bewijsmiddelen toe zoals die zullen worden opgenomen in een eventueel later op te maken aanvulling van dit vonnis. Deze bewijsmiddelen bevatten de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden.
Nadere bewijsoverweging
De rechtbank stelt op basis van de DNA-onderzoeken en de daarbij berekende hoge bewijskrachten vast dat het aangetroffen DNA telkens afkomstig is van verdachte.
Bewezenverklaring
De rechtbank acht de onder 1, 2, 3 en 4 primair ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:
1.
hij op 18 april 2025 te Leeuwarden tezamen en in vereniging met een ander, uit een personenauto, merk BMW, voorzien van het kenteken [kenteken] welke geparkeerd stond op de oprit van de woning gelegen aan [adres] , aldaar, het stuur en het entertainment/navigatiesysteem en een scherm en een bedieningsknop van de middenconsole, die aan [slachtoffer 1] toebehoorden, heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en zijn mededader zich de toegang tot de plaats van het misdrijf hebben verschaft door middel van braak;
2.
hij op 16 april 2025 te Drachten tezamen en in vereniging met een ander, meermalen, uit personenautos van het merk BMW, goederen die aan een ander toebehoorden, te weten
  • het stuur en de boardcomputer aan [slachtoffer 2] , [adres] , aldaar, en
  • het stuur en een airbag en het bedienings-/besturingspaneel en het navigatiesysteem en de radio en het kilometerstandscherm en een portemonnee met volledige inhoud (pinpas en rijbewijs en zorgpas) aan [slachtoffer 3] , [adres] , aldaar, en
  • het stuur en de airbags en het navigatiesysteem en de radio aan [slachtoffer 4] , [adres] , aldaar,
hebben weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, waarbij verdachte en zijn mededader zich telkens de toegang tot de plaats van het misdrijf hebben verschaft door middel van braak;
3.
hij in de periode van 28 februari 2025 tot en met 6 maart 2025 te Sneek, Bolsward en Grou tezamen en in vereniging met een ander, meermalen, en alleen, uit personenautos van het merk BMW, goederen die aan een ander toebehoorden, te weten
  • het stuur en deel van het middenconsole en de display aan [slachtoffer 5] ( [adres] ) en
  • het stuur en apparatuur uit de middenconsole aan [slachtoffer 6] ( [adres] ) en
  • het stuur en het LCI scherm en de radio-unit en een portemonnee met diverse passen en een hoeveelheid Noorse Kronen aan [slachtoffer 7] ( [adres] , Grou) en
  • het stuur en de middenconsole en de display en 300 euro aan contant geld aan [slachtoffer 8] ( [adres] , Grou),
heeft/hebben weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, waarbij verdachte en/of zijn mededader zich telkens de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft/hebben verschaft door middel van braak;
4.
hij in de periode van 5 maart 2025 tot en met 6 maart 2025 te Grou tezamen en in vereniging met een ander, ter uitvoering van het door verdachte en verdachtes mededader voorgenomen misdrijf om uit een personenauto, merk BMW, voorzien van kenteken [kenteken] welke stond geparkeerd aan [adres] , aldaar, een of meerdere goederen die aan een ander [slachtoffer 9] toebehoorden, weg te nemen met het
oogmerk om die/dat goed(eren) zich
wederrechtelijk toe te eigenen en zich toegang tot de plaats van het misdrijf te verschaffen door middel van braak, waarbij verdachte en zijn mededader zich opzettelijk naar voornoemde personenauto van [slachtoffer 9] hebben begeven en het raam aan de bestuurderszijde van die personenauto hebben vernield, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.
Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:
Feit 1:
diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak.
Feit 2:
diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak, meermalen gepleegd.
Feit 3:
diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak, meermalen gepleegd
en
diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak.
Feit 4, primair:
poging tot diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak.
Deze feiten zijn strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.
Strafmotivering
Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft, overeenkomstig de procesafspraken, gevorderd dat verdachte ter zake van de onder 1, 2, 3 en 4 primair ten laste gelegde feiten wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 16 maanden, met aftrek van de tijd die veroordeelde heeft doorgebracht in voorarrest.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft geen inhoudelijk strafmaatverweer gevoerd en heeft gepersisteerd bij de inhoud van de procesafspraken.
Oordeel van de rechtbank
Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek ter terechtzitting en het reclasseringsadvies, het uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de door de officier van justitie en verdediging op schrift gestelde procesafspraken.
Ernst van de feiten
Verdachte heeft zich samen met zijn medeverdachte in een periode van drie maanden schuldig gemaakt aan acht auto-inbraken en één poging daartoe. Samen met zijn medeverdachte is verdachte geraffineerd en planmatig te werk gegaan. Op verschillende plekken in Friesland hebben zij in de nachtelijke uren in meerdere BMWs ingebroken door een autoruit te vernielen, waarna zij vervolgens onder meer sturen, navigatiesystemen, airbags, kilometertellers en andere dashboardonderdelen hebben weggenomen. Met zijn handelen heeft verdachte grote financiële schade aangericht. Verdachte heeft dan ook laten blijken geen enkel respect te hebben voor andermans eigendom en heeft kennelijk enkel oog gehad voor zijn eigen financiële gewin. Feiten als de onderhavige zorgen bovendien voor gevoelens van onveiligheid in de samenleving, zoals ook blijkt uit de aangiften en de toelichtingen op de vorderingen tot schadevergoeding. De rechtbank acht de bewezen en strafbaar verklaarde feiten dan ook zeer kwalijk en rekent dit verdachte aan.
Persoon van verdachte
Naast de ernst van de feiten houdt de rechtbank rekening met de persoonlijke omstandigheden van verdachte. Uit de justitiële documentatie van 18 april 2025 blijkt dat verdachte niet eerder in Nederland is veroordeeld. De rechtbank heeft daarnaast kennis genomen van het reclasseringsadvies van Reclassering Nederland van 21 april 2025. De reclassering kan het risico op recidive niet inschatten. Verdachte is voornemens om terug te keren naar Litouwen. Zijn gezin woont in Litouwen en verdachte heeft naar eigen zeggen werk wanneer hij terugkeert.
Op te leggen straf
Naar het oordeel van de rechtbank rechtvaardigen de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde oplegging van een straf die vrijheidsbeneming met zich brengt. De feiten vertonen duidelijke kenmerken van mobiel banditisme. In het geval van mobiel banditisme is sprake van het in korte tijd plegen van diefstallen van verhandelbare goederen, die redelijkerwijs niet bestemd zijn voor eigen gebruik, maar - bijvoorbeeld - zijn bedoeld voor verkoop in het buitenland. Deze vorm van criminaliteit is
dan ook niet vergelijkbaar met een reguliere diefstal, hetgeen in de hoogte van de op te leggen straf tot uiting dient te komen. De rechtbank is van oordeel dat zowel vanuit generale als speciale preventie aan dit soort daders, die kennelijk alleen naar Nederland afreizen om vermogensdelicten te plegen, een duidelijk signaal dient te worden afgegeven. Een gevangenisstraf van langere duur acht de rechtbank dan ook op zijn plaats. Bij het bepalen van de hoogte van de gevangenisstraf heeft de rechtbank gelet op de straffen die in vergelijkbare zaken worden opgelegd. De rechtbank is van oordeel dat voor deze feiten een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 22 maanden in beginsel passend zou zijn en zal dit dan ook als uitgangspunt nemen. De rechtbank neemt daarbij in overweging dat verdachte, ten opzichte van zijn medeverdachte, voor één auto-inbraak minder zal worden veroordeeld.
Daarnaast heeft de rechtbank acht geslagen op de door het Openbaar Ministerie en de verdediging op schrift gestelde procesafspraken, waarbij aan verdachte een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 16 maanden overeen is gekomen. Daarmee zou sprake zijn van een strafvermindering van 6 maanden. Gelet op hetgeen de rechtbank hiervoor heeft overwogen, komt de rechtbank tot het oordeel dat de overeengekomen strafvermindering onvoldoende recht doet aan de ernst van de feiten en het belang van de maatschappij. Daarbij heeft de rechtbank in het bijzonder de hoeveelheid aan feiten in korte periode, het doelbewust en planmatige handelen van verdachte, alsmede de grote financiële schade die is aangericht, meegewogen. De rechtbank ziet hierin dan ook aanleiding de overeengekomen strafkorting enigszins te matigen en daarmee een hogere straf op te leggen dan is overeengekomen tussen het Openbaar Ministerie, de verdachte en de verdediging. Alles afwegende acht de rechtbank aan onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden, met aftrek van het voorarrest, passend en geboden.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 van Pro het Wetboek van Strafvordering.

Benadeelde partij

De volgende personen hebben zich als benadeelde partij in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding:
[slachtoffer 1] , tot een bedrag van 1.873,00, bestaande uit materiële schade.
[slachtoffer 2] , tot een bedrag van 850,00, bestaande uit materiële schade.
[slachtoffer 4] , tot een bedrag van 3.000,00, bestaande uit immateriële schade.
[slachtoffer 5] , tot een bedrag van 1.223,03, bestaande uit 1.077,52 aan materiële schade en 145,51 aan immateriële schade.
[slachtoffer 9] , tot een bedrag van 1.039,99, bestaande uit 539,99 aan materiële schade en 500,00 aan immateriële schade.
Alle benadeelde partijen hebben verzocht de vordering te verhogen met de wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan en daarnaast met vaststelling van de hoofdelijke aansprakelijkheid en met toepassing van de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr).
Standpunt van de officier van justitie
Ten aanzien van de vordering [slachtoffer 1]
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering voor hoofdelijke toewijzing in aanmerking komt, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f Sr.
Ten aanzien van de vordering [slachtoffer 2]
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering voor hoofdelijke toewijzing in aanmerking komt, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f Sr.
Ten aanzien van de vordering [slachtoffer 4]
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering niet-ontvankelijk verklaard dient te worden, wegens gebrek aan onderbouwing.
Ten aanzien van de vordering [slachtoffer 5]
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering voor hoofdelijke toewijzing in aanmerking komt, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f Sr.
Ten aanzien van de vordering [slachtoffer 9]
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering ten aanzien van de materiële schade voor toewijzing in aanmerking komt. Ten aanzien van de immateriële schade heeft de officier van justitie gevorderd dat de rechtbank gebruik zal maken van haar schattingsbevoegdheid ex artikel 6:97 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW). Bij toewijzing vordert de officier van justitie de vaststelling van de hoofdelijke aansprakelijkheid en met daarbij de oplegging van de wettelijke rente en de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f Sr.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de vorderingen van de benadeelde partijen niet-ontvankelijk verklaard moeten worden. Gelet op de procesafspraken, waarin overeen is gekomen dat de verdediging geen bewijsverweren zal voeren, staat het de verdediging niet vrij om inhoudelijk te reageren op de vorderingen tot schadevergoeding. De verdediging kan nu niet ten volle verweer voeren conform het karakter van een civiele procedure, ook omdat voor het strafrecht de verdachte de belangrijkste persoon in de zitting is. Daarmee is er geen sprake van een eerlijk proces.
Subsidiair heeft de raadsman de vorderingen van de benadeelde partijen in zijn algemeenheid, dus niet onderbouwd, betwist.
Meer subsidiair heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat de vorderingen tot immateriële schadevergoeding gematigd moeten te worden.
Oordeel van de rechtbank
Vooraf
De rechtbank verwerpt het verweer van de verdediging dat de vorderingen van de benadeelde partijen, gelet op het karakter van de zitting en de overeengekomen procesafspraken, niet-ontvankelijk verklaard moeten worden. De rechtbank overweegt daartoe als volgt. Uit het arrest van de Hoge Raad van 27 september 2022 volgt dat de rechter, ook daar waar het gaat om de beslissing omtrent de vorderingen tot schadevergoeding, dient te beoordelen of de procesafspraken voldoende recht doen aan de belangen van de benadeelde partij. 3 De vordering tot schadevergoeding vraagt dan ook om een separate beoordeling van de rechter. Indien de rechtbank mee zou gaan in het verweer van de verdediging, zou dit ertoe leiden dat procesafspraken in zaken met benadeelde partijen geen stand kunnen houden. Met het gevoerde verweer heeft de verdediging niet alleen de betekenis van het voornoemde arrest van de Hoge Raad miskend, maar zich kennelijk ook geen rekenschap gegeven van de ontwikkeling van de positie van de benadeelde partij in het strafproces in de afgelopen jaren.
De rechtbank zal de vorderingen van de benadeelde partijen inhoudelijk beoordelen.
Ten aanzien van de vordering [slachtoffer 1]Materiële schade
De benadeelde partij heeft 1.873,00 aan materiële schade gevorderd. De schadepost betreffende het verschil tussen de inruilwaarde van de auto (die drie dagen voorafgaand aan de diefstal werd vastgesteld) en het door de verzekering uitgekeerde bedrag ( 1.514,00) zal de rechtbank toewijzen. Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk dat de benadeelde partij de gestelde schade heeft geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het onder 1 bewezen verklaarde feit. De rechtbank acht de post voldoende onderbouwd, gelet op de inkoopverklaring van 14 april 2025 waaruit blijkt dat de auto zou worden ingekocht voor 21.514,00. De benadeelde partij heeft met stukken onderbouwd dat de verzekering een bedrag van 20.000,00 heeft vergoed.
De rechtbank is van oordeel dat de schadeposten betreffende de wegenbelasting ( 293,00) en de autoverzekering ( 66,00) dienen te worden afgewezen. Deze kosten zien op de periode na de auto-inbraak. Naar het oordeel van de rechtbank had het op de weg van de benadeelde partij gelegen om deze kosten te beperken door de wegenbelasting te schorsen en de verzekering op te zeggen.
Het subtotaal aan toe te wijzen materiële schade bedraagt daarmee 1.514,00.
Ten aanzien van de vordering [slachtoffer 2]Materiële schade
De benadeelde partij heeft 850,00 aan materiële schade gevorderd. Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk dat de benadeelde partij de gestelde schade heeft geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het onder 2 bewezen verklaarde feit. De vordering, waarvan de hoogte onvoldoende door de verdediging is betwist, zal daarom worden toegewezen.
Het subtotaal aan toe te wijzen schade bedraagt daarmee 850,00.
Ten aanzien van de vordering [slachtoffer 4]Immateriële schade
De benadeelde partij heeft 3.000,00 aan vergoeding van immateriële schade gevorderd. Indien geen sprake is van lichamelijk letsel, zoals in dit geval, kan op grond van artikel 6:106 lid 1 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW) slechts een vergoeding voor immateriële schade worden toegekend indien de benadeelde partij in zijn eer of goede naam is geschaad of op andere wijze in zijn persoon is aangetast. Geestelijk letsel kan pas worden aangemerkt als aantasting van de persoon, indien de psychische gevolgen voldoende ernstig zijn. Gevoelens van angst vormen nog geen aantasting van de persoon als bedoeld in artikel 6:106 BW Pro. Ernstige psychische schade, als hiervoor bedoeld, is door de benadeelde partij onvoldoende aangevoerd. De rechtbank zal de vordering tot vergoeding van immateriële schade dan ook niet-ontvankelijk verklaren. De vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
Ten aanzien van de vordering [slachtoffer 5]Materiële schade
De benadeelde partij heeft 1.223,03 aan vergoeding van materiële schade gevorderd. De schadepost betreffende het bluetooth diagnoseapparaat ( 77,52) zal de rechtbank gedeeltelijk toewijzen. Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk dat de benadeelde partij de gestelde schade heeft geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het onder 3 bewezen verklaarde feit. De schadepost is door de verdediging onvoldoende betwist. De rechtbank ziet aanleiding om de vordering te matigen, nu het apparaat in 2022 is aangeschaft. Gelet op de afschrijving van dergelijke voorwerpen, acht de rechtbank een bedrag van 25,00 billijk. De rechtbank zal de schadepost voor het overige niet-ontvankelijk verklaren.
De rechtbank zal de post betreffende het gestelde verschil tussen de waarde van de auto en het door de verzekering uitgekeerde bedrag ( 1.000,00) niet-ontvankelijk verklaren. De rechtbank beschikt over onvoldoende informatie om de hoogte daarvan te kunnen beoordelen. Schorsing van het onderzoek om de benadeelde partij de hoogte van de schade alsnog te laten aantonen, zal leiden tot een onevenredige belasting van het strafgeding en daartoe zal dan ook niet worden overgegaan. De rechtbank zal de vordering daarom niet ontvankelijk verklaren.
Daarnaast heeft de benadeelde onder immateriële schade aangegeven de kosten voor de aanschaf van beveiligingscameras te willen vorderen, waarvoor hij een bedrag van
145,51 heeft gevorderd. De rechtbank begrijpt deze post als schade die te gelden heeft als materiële schade. Een benadeelde partij kan in het strafproces vergoeding vorderen van de schade die zij door een strafbaar feit heeft geleden indien voldoende verband bestaat tussen het bewezen verklaarde feit. In het algemeen geldt dat kosten van beveiliging in verband met toekomstige gebeurtenissen niet kunnen worden aangemerkt als materiële schade die het gevolg is van een eerdere gebeurtenis. De aanschaf van de beveiligingscameras zijn na het bewezen verklaarde feit aangeschaft en zijn dan ook gericht op het voorkomen van soortgelijke feiten in de toekomst. De rechtbank zal de benadeelde partij ten aanzien van deze kosten niet-ontvankelijk verklaren, nu niet is komen vast te staan dat de schade waarvan vergoeding wordt gevorderd rechtstreeks verband houdt met het bewezen verklaarde feit.
De vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
Het subtotaal aan toe te wijzen schade bedraagt daarmee 25,00.
Ten aanzien van de vordering [slachtoffer 9]Materiële schade
De benadeelde partij heeft 539,99 aan materiële schade gevorderd. De rechtbank is van oordeel dat de benadeelde partij ten aanzien van de schadeposten met betrekking tot de autohoes ( 72,99) en de beveiligingscameras ( 89,00) niet-ontvankelijk verklaard dient te worden. Zoals de rechtbank hiervoor heeft overwogen, kunnen beveiligingskosten over het algemeen niet worden aangemerkt als materiële schade, nu deze kosten niet in rechtstreeks verband staan met het bewezen verklaarde feit. Dat is in dit geval niet anders. De vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
De rechtbank zal de reiskosten ( 78,00) eveneens niet-ontvankelijk verklaren, wegens gebrek aan onderbouwing.
De rechtbank is ten aanzien van de overige materiële schade, betreffende het eigen risico ( 300,00), van oordeel dat voldoende aannemelijk is geworden dat de benadeelde partij de gestelde schade heeft geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het onder 4 bewezen verklaarde feit. De vordering waarvan de hoogte onvoldoende is betwist, zal daarom worden toegewezen.
Immateriële schade
De benadeelde partij heeft daarnaast 500,00 aan vergoeding van immateriële schade gevorderd. Indien geen sprake is van lichamelijk letsel, zoals in dit geval, kan op grond van artikel 6:106 lid 1 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW) slechts een vergoeding voor immateriële schade worden toegekend indien de benadeelde partij in zijn eer of goede naam is geschaad of op andere wijze in zijn persoon is aangetast. Geestelijk letsel kan pas worden aangemerkt als aantasting van de persoon, indien de psychische gevolgen voldoende ernstig zijn. Gevoelens van angst vormen nog geen aantasting van de persoon als bedoeld in artikel 6:106 BW Pro. Ernstige psychische schade, als hiervoor bedoeld, is door de benadeelde partij onvoldoende aangevoerd. De rechtbank zal de vordering tot vergoeding van immateriële schade dan ook niet-ontvankelijk verklaren. De vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
Het subtotaal aan toe te wijzen schade bedraagt daarmee 300,00.
Hoofdelijkheid
De rechtbank stelt ten aanzien van alle (toe te wijzen) vorderingen vast dat verdachte de bewezen verklaarde feiten samen met een ander heeft gepleegd en dat zij naar civielrechtelijke maatstaven hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de schade. De rechtbank zal daarom telkens bepalen dat verdachte de schadevergoeding niet meer aan de benadeelde partij hoeft te betalen indien (één van) zijn medeverdachte(n) deze al hebben betaald, en andersom.
Schadevergoedingsmaatregel
Nu de aansprakelijkheid van verdachte vaststaat, zal de rechtbank telkens de schadevergoedingsmaatregel hoofdelijk opleggen om te bevorderen dat verdachte de schade zal vergoeden.
Veroordeling in de kosten
De rechtbank zal verdachte telkens, voor zover de rechtbank komt tot toewijzing van (een deel van) de vordering van desbetreffende benadeelde partij, veroordelen in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering hebben gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moeten maken.
Wettelijke rente
De rechtbank zal de gevorderde wettelijke rente over de toegewezen schadebedragen telkens toewijzen vanaf de datum van het ontstaan van de schade. Ook ten aanzien van de schadevergoedingsmaatregel zal dit worden bepaald.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 36f, 45, 57 en 311 van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak gelden.

Uitspraak

De rechtbank

Verklaart het onder feit 1, 2, 3 en 4 primair ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.
Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.
Veroordeelt verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden.

Beveelt dat de tijd die de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf, geheel in mindering zal worden gebracht.

Benadeelde partijen

Ten aanzien van
benadeelde partij [slachtoffer 1], feit 1
Wijst de vordering van de benadeelde partij toe tot het hierna te noemen bedrag en veroordeelt verdachte hoofdelijk, aldus dat als een mededader betaalt, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd, om aan [slachtoffer 1] te betalen:
  • het bedrag van 1.514,00 (zegge: duizend vijfhonderdveertien euro);
  • de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 18 april 2025 tot de dag van algehele voldoening;
  • de proceskosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog zal maken, tot heden begroot op nihil.
Wijst de vordering van [slachtoffer 1] voor het overige af.
Legt aan verdachte hoofdelijk, aldus dat als een mededader betaalt verdachte in zoverre zal zijn bevrijd, de verplichting op om ten behoeve van [slachtoffer 1] aan de Staat te betalen een bedrag van
1.514,00 (zegge: duizend vijfhonderdveertien euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 18 april 2025 tot de dag van algehele voldoening. Dit bedrag bestaat uit materiële schade.
Bepaalt dat bij gebreke van volledig verhaal van de betalingsverplichting aan de Staat gijzeling voor de duur van 25 dagen kan worden toegepast. De toepassing van gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.
Bepaalt dat als verdachte of een mededader voldoet aan de betalingsverplichting aan de benadeelde partij of aan de Staat, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd van de betalingsverplichting aan beiden.

Ten aanzien van benadeelde partij [slachtoffer 2] , feit 2

Wijst de vordering van de benadeelde partij toe en veroordeelt verdachte hoofdelijk, aldus dat als een mededader betaalt, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd, om aan [slachtoffer 2] te betalen:
  • het bedrag van 850,00 (zegge: achthonderdvijftig euro);
  • de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 16 april 2025 tot de dag van algehele voldoening;
  • de proceskosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog zal maken, tot heden begroot op nihil.
Legt aan verdachte hoofdelijk, aldus dat als een mededader betaalt verdachte in zoverre zal zijn bevrijd, de verplichting op om ten behoeve van [slachtoffer 2] aan de Staat te betalen een bedrag van
850,00 (zegge: achthonderdvijftig euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 16 april 2025 tot de dag van algehele voldoening. Dit bedrag bestaat uit materiële schade.
Bepaalt dat bij gebreke van volledig verhaal van de betalingsverplichting aan de Staat gijzeling voor de duur van 17 dagen kan worden toegepast. De toepassing van gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.
Bepaalt dat als verdachte of een mededader voldoet aan de betalingsverplichting aan de benadeelde partij of aan de Staat, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd van de betalingsverplichting aan beiden.

Ten aanzien van benadeelde partij [slachtoffer 4] , feit 2

Verklaart de vordering van [slachtoffer 4] niet-ontvankelijk. De vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
Bepaalt dat [slachtoffer 4] zijn eigen proceskosten draagt.

Ten aanzien van benadeelde partij [slachtoffer 5] , feit 3

Wijst de vordering van de benadeelde partij toe tot het hierna te noemen bedrag en veroordeelt verdachte hoofdelijk, aldus dat als een mededader betaalt, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd, om aan [slachtoffer 5] te betalen:
  • het bedrag van 25,00 (zegge: vijfentwintig euro);
  • de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 28 februari 2025 tot de dag van algehele voldoening;
  • de proceskosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog zal maken, tot heden begroot op nihil.
Verklaart de benadeelde partij [slachtoffer 5] niet-ontvankelijk in zijn vordering ten aanzien van de schadepost betreffende de beveiligingskosten. Dit deel van de vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
Verklaart de vordering van [slachtoffer 5] voor het overige niet-ontvankelijk. Dit deel van de vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
Legt aan verdachte hoofdelijk, aldus dat als een mededader betaalt verdachte in zoverre zal zijn bevrijd, de verplichting op om ten behoeve van [slachtoffer 5] aan de Staat te betalen een bedrag van 25,00 (zegge: vijfentwintig euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 28 februari 2025 tot de dag van algehele voldoening. Dit bedrag bestaat uit materiële schade.
Bepaalt dat bij gebreke van volledig verhaal van de betalingsverplichting aan de Staat gijzeling voor de duur van 1 dag kan worden toegepast. De toepassing van gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.
Bepaalt dat als verdachte of een mededader voldoet aan de betalingsverplichting aan de benadeelde partij of aan de Staat, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd van de betalingsverplichting aan beiden.

Ten aanzien van benadeelde partij [slachtoffer 9] , feit 4

Wijst de vordering van de benadeelde partij toe tot het hierna te noemen bedrag en veroordeelt verdachte hoofdelijk, aldus dat als een mededader betaalt, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd, om aan [slachtoffer 9] te betalen:
  • het bedrag van 300,00 (zegge: driehonderd euro);
  • de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 6 maart 2025 tot de dag van algehele voldoening;
  • de proceskosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog zal maken, tot heden begroot op nihil.
Verklaart de benadeelde partij [slachtoffer 9] niet-ontvankelijk in zijn vordering ten aanzien van de schadepost betreffende de beveiligingskosten. Dit deel van de vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
Verklaart de vordering van [slachtoffer 9] voor het overige niet-ontvankelijk. Dit deel van de vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
Legt aan verdachte hoofdelijk, aldus dat als een mededader betaalt verdachte in zoverre zal zijn bevrijd, de verplichting op om ten behoeve van [slachtoffer 9] aan de Staat te betalen een bedrag van 300,00 (zegge: driehonderd euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 6 maart 2025 tot de dag van algehele voldoening. Dit bedrag bestaat uit materiële schade.
Bepaalt dat bij gebreke van volledig verhaal van de betalingsverplichting aan de Staat gijzeling voor de duur van 6 dagen kan worden toegepast. De toepassing van gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.
Bepaalt dat als verdachte of een mededader voldoet aan de betalingsverplichting aan de benadeelde partij of aan de Staat, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd van de betalingsverplichting aan beiden.
Dit vonnis is gewezen door mr. S.T. Kooistra, voorzitter, mr. H.C.L. Vreugdenhil en
mr. C.A.M. Veenbaas, rechters, bijgestaan door mr. R.D. Ensel, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 23 december 2025.
1. HR 27 september 2022, ECLI:NL:HR:2022:1252,
NJB2022/2260.
2 HR 27 september 2022, ECLI:NL:HR:2022:1252, r.o. 5.4.3,
NJB2022/2260.
3 HR 27 september 2022, ECLI:NL:HR:2022:1252, r.o. 5.7.5,
NJB2022/2260