3.2.Daarnaast voert gemachtigde aan dat de officier van justitie een dwangsom heeft verbeurd. Gemachtigde verzoekt om vergoeding van de proceskosten.
4. De vertegenwoordigster is van mening dat de boete met 25% gematigd moet worden, omdat de redelijke termijn is geschonden. Daarnaast heeft betrokkene recht op de maximale dwangsom van € 1442,00.
Is betrokkene terecht niet staande gehouden?
5. De kantonrechter stelt allereerst vast dat de boete terecht is uitgeschreven aan de kentekenhouder van het voertuig. De verbalisant verklaart het volgende: “
Ik, verbalisant, was op genoemde dag, datum en tijdstip in vrije tijd en in burger gekleed. (…) Ik zag dat hij 100 meter verderop aan de kant gezet werd door een persoon die hem vervolgens aansprak. Later hoorde ik van deze persoon dat hij de bestuurder aansprak op zijn rijgedrag aangezien er ook kleine kinderen zo de straat op konden lopen. Ik hoorde van deze persoon dat de bestuurder niet voor rede vatbaar was. Ik zag en hoorde nadat de bestuurder aangesproken was dat de bestuurder wederom met gierende banden wegreed. Ik heb de bestuurder niet aan kunnen spreken op zijn gedrag.” Hieruit blijkt voldoende dat de ambtenaar geen reële mogelijkheid had om betrokkene staande te houden. Van belang is daarbij dat de verbalisant heeft verklaard dat hij de bestuurder niet heeft kunnen aanspreken.
Is de officier van justitie een dwangsom verschuldigd?
6. Vervolgens constateert de kantonrechter dat de officier van justitie een dwangsom verschuldigd is. De officier van justitie moet binnen zestien weken een beslissing nemen op het administratief beroep. Hij kan deze termijn één keer met tien weken verlengen.De rechtbank stelt vast dat deze termijn is verstreken. Betrokkene heeft de officier van justitie, na het verstrijken van deze termijn, gevraagd om alsnog binnen twee weken te beslissen.Dat heeft de officier niet gedaan. Doordat de officier van justitie te laat een beslissing heeft genomen, is hij een dwangsom verschuldigd aan betrokkene. De beslissing is meer dan 42 dagen te laat genomen. Hierdoor heeft betrokkene recht op de maximale dwangsom van € 1442,00 (14 x € 23 + 14 x € 35 + 14 x € 45).
Kan de gedraging worden vastgesteld?
7. Betrokkene betwist de gedraging niet, maar voert argumenten aan ter verklaring. Daarmee is de gedraging komen vast te staan. Vervolgens is de vraag of er feiten en omstandigheden zijn die aanleiding geven tot een wijziging van de boete.
Is er aanleiding om de boete te matigen of te vernietigen?
8. De kantonrechter zal de boete matigen met 25% tot € 219,00 (inclusief administratiekosten), omdat de redelijke termijn is geschonden.In deze zaak is namelijk meer dan twee jaar verstreken tussen het moment waarop betrokkene kon verwachten dat hij een boete zou krijgen en deze uitspraak.
9. De kantonrechter ziet geen aanleiding om de boete verder te matigen of te vernietigen.
Krijgt betrokkene een proceskostenvergoeding?
10. Omdat de kantonrechter het beroep gedeeltelijk gegrond zal verklaren, zal hij de officier van justitie veroordelen in de proceskosten van betrokkene. Hij zal één punt toekennen voor het indienen van het beroepschrift bij de kantonrechter met een waarde van € 907,00. Gelet op de aard van de zaak past de kantonrechter de wegingsfactor 0,5 (gewicht van de zaak = licht) toe. Omdat de beslissing van de officier van justitie na 31 december 2023 is bekendgemaakt, past de kantonrechter de extra wegingsfactor uit artikel 13a, tweede lid, onder a, Wahv toe op de kantonfase.
11. De berekening is als volgt: 1 (procespunt) x € 907,00 (tarief) x 0,5 (wegingsfactor, licht) x 0,25 (extra wegingsfactor herwaardering proceskostenvergoeding) = € 113,38. Hij zal de officier van justitie veroordelen in de kosten van € 113,38.