ECLI:NL:RBNNE:2025:5854

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
24 december 2025
Publicatiedatum
9 februari 2026
Zaaknummer
18-149609-25
Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 33 SrArt. 33a SrArt. 47 SrArt. 77a SrArt. 77g Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Jeugddetentie voor handel in harddrugs en diefstal met geweld door minderjarige

De rechtbank Noord-Nederland heeft op 24 december 2025 uitspraak gedaan in een strafzaak tegen een minderjarige verdachte geboren in 2009. Verdachte werd beschuldigd van handel in harddrugs, diefstal met geweld en schoolverzuim. De feiten vonden plaats in Leeuwarden en de periode van de handel in drugs liep van februari tot mei 2025.

De rechtbank achtte wettig en overtuigend bewezen dat verdachte samen met anderen cocaïne en heroïne heeft verhandeld en zich schuldig heeft gemaakt aan een diefstal met geweld waarbij een luchtdrukwapen werd gebruikt. Verdachte was medepleger, ook al hield hij het wapen niet zelf vast. Daarnaast werd bewezen dat verdachte schoolverzuim pleegde in de periode september 2024 tot maart 2025.

De rechtbank hield rekening met het strafblad van verdachte, zijn persoonlijke omstandigheden en het advies van de Raad voor de Kinderbescherming. Gezien de ernst van de feiten en de kwetsbaarheid van verdachte werd een jeugddetentie van 240 dagen opgelegd, waarvan 93 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar. Tevens werd een werkstraf van 40 uur opgelegd voor het schoolverzuim. De rechtbank legde een meldplicht op bij de jeugdreclassering en verklaarde de in beslag genomen telefoon verbeurd.

Verder werd de tenuitvoerlegging van een eerder opgelegde voorwaardelijke werkstraf gelast wegens overtreding van voorwaarden en het plegen van nieuwe strafbare feiten. De rechtbank benadrukte de noodzaak van blijvende betrokkenheid van de jeugdreclassering en hulpverlening om de toekomst van verdachte te verbeteren.

Uitkomst: Verdachte is veroordeeld tot 240 dagen jeugddetentie waarvan 93 dagen voorwaardelijk en een werkstraf van 40 uur wegens handel in harddrugs, diefstal met geweld en schoolverzuim.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht
Locatie Leeuwarden
Parketnummer 18-149609-25
Ter terechtzitting gevoegd parketnummer 18-133659-25
Vordering na voorwaardelijke veroordeling parketnummer 18-297514-23
Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken van 24 december 2025 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 2009 te [geboorteplaats] ,
ingeschreven te [adres] .
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 12 december 2025.
Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. L. Klewer, advocaat te Rotterdam.
Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. A.R. Posthuma.

Tenlastelegging

In de zaak met parketnummer 18-149609-25 is aan verdachte, na wijziging van de tenlastelegging, ten laste gelegde dat:
1.
hij in of omstreeks 2024 en/of 2025, (en/of) in elk geval in de periode van 1 februari 2025 tot en met 15 mei 2025 te Leeuwarden, in elk geval in Nederland, (meermalen) tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk (telkens) heeft verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, ((en/of) in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad,) (telkens) een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne en/of heroïne (dan wel (hard)drugs), zijnde cocaïne en/of heroïne ((hard)drugs) (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
2.
hij op of omstreeks 13 januari 2025 te Leeuwarden tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, geld ( 600), in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl deze diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door (- zakelijk weergegeven -) een (geladen) luchtdrukwapen op en/of tegen het hoofd (ter hoogte van de slaap), althans het lichaam, van die [slachtoffer] te richten/houden en/of aan hem toe te voegen; "het geld, geef het geld", althans woorden van gelijke aard of strekking, en/of die [slachtoffer] in te sluiten en/of bij de armen en/of de borst, dan wel het lichaam, vast te pakken en/of te houden en/of de portemonnee uit de broekzak te grissen/pakken.
In de zaak met parketnummer 18-133659-25 is aan verdachte ten laste gelegd dat:
hij in of omstreeks de periode van 2 september 2024 t/m 31 maart 2025 te Leeuwarden, althans in Nederland als jongere die de leeftijd van 12 jaren had bereikt, terwijl hij als leerling aan een school, te weten [school] stond ingeschreven, niet heeft voldaan aan de verplichting om overeenkomstig de bepalingen van de Leerplichtwet 1969, deze school geregeld te bezoeken.
Beoordeling van het bewijs
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor alle ten laste gelegde feiten wordt veroordeeld. Verdachte heeft bekend dat hij vanaf februari 2025 in harddrugs heeft gehandeld (feit 1, parketnummer 18-149609-25). Dat verdachte zich bezig hield met de handel in harddrugs blijkt ook uit de observaties die zijn gedaan door de politie, de uitgewerkte tapgesprekken en de getuigenverklaringen die zich in het dossier bevinden. Ook feit 2 (parketnummer 18-149609-25) kan wettig en overtuigend bewezen worden gelet op de bekennende verklaring van verdachte en de aangifte van [slachtoffer] . Daarnaast kan bewezen worden verklaard dat verdachte zich in de periode van 2 september 2024 tot en met 31 maart 2025 schuldig heeft gemaakt aan schoolverzuim (parketnummer 18-133659-25).
Standpunt van de verdediging
De raadsman refereert zich ten aanzien van de bewezenverklaring van feit 1 (parketnummer 18-149609-25) aan het oordeel van de rechtbank. De raadsman heeft ten aanzien van feit 2 (parketnummer 18-149609-25) naar voren gebracht dat verdachte niet degene is geweest die het luchtdrukwapen tegen het hoofd van aangever heeft gehouden. Verdachte kan ook niet worden aangemerkt als medepleger.
Verdachte wist niet dat het wapen in de woning aanwezig was en dat de medeverdachte met dit wapen zou gaan dreigen. Verdachte moet dan ook worden vrijgesproken van deze onderdelen van de tenlastelegging. Voor het overige refereert de raadsman zich aan het oordeel van de rechtbank. Dat geldt ook ten aanzien van de bewezenverklaring van het tenlastegelegde onder parketnummer 18-133659-25.
Oordeel van de rechtbank
Parketnummer 18-149609-25
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het onder feit 1 en feit 2 ten laste gelegde. De rechtbank volstaat ten aanzien van deze feiten met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig het bepaalde in artikel 359, derde lid tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering, nu verdachte het hierna bewezen verklaarde duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend. Deze opgave luidt als volgt:
Feit 1
de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 12 december 2025;
een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen, met als bijlagen uitgewerkte tapgesprekken, van 30 september 2025, opgenomen op pagina 71 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met registratienummer 2025042432 (onderzoek Amaterasu) van 27 oktober 2025, inhoudend het relaas van verbalisant [verbalisant] ;
een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen van 25 mei 2025, opgenomen op pagina 128 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend het relaas van verbalisanten [verbalisant] en [verbalisant] ;
een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen van 14 augustus 2025, opgenomen op pagina 131 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend het relaas van verbalisanten [verbalisant] en [verbalisant] .
Feit 2
de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 12 december 2025;
een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte van 11 februari 2025, opgenomen op pagina 134 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met registratienummer 2025042432 (onderzoek Amaterasu) van 27 oktober 2025, inhoudend de verklaring van [slachtoffer] .
Bewijsoverweging ten aanzien van feit 1
De rechtbank is van oordeel dat op grond van bovengenoemde bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte in de periode van 1 februari 2025 tot en met 15 mei 2025 in cocaïne en heroïne heeft gehandeld. De rechtbank acht niet bewezen dat verdachte zich ook voorafgaand aan die periode schuldig heeft gemaakt aan de handel in harddrugs.
Daarnaast is de rechtbank van oordeel dat bewezen kan worden dat verdachte zich samen met anderen schuldig heeft gemaakt aan de handel in harddrugs. Hoewel de identiteit van de meeste personen met wie hij dit deed onbekend is gebleven, volgt uit de hiervoor genoemde processen-verbaal van bevindingen en de uitgewerkte tapgesprekken voldoende dat verdachte anderen drugs voor hem liet bezorgen. De rechtbank is dan ook van oordeel dat er sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en deze andere personen, zodat gesproken kan worden van medeplegen.
Bewijsoverweging ten aanzien van feit 2
Op basis van de voornoemde bewijsmiddelen stelt de rechtbank vast dat verdachte zich samen met een ander schuldig heeft gemaakt aan een diefstal met geweld. Verdachte en de (onbekend gebleven) medeverdachte zijn samen naar de woning van aangever gegaan in verband met de verkoop van een fatbike. Zij zijn met elkaar in gesprek gegaan. Verdachte en medeverdachte hebben daarbij aangegeven dat aangever het geld voor de fatbike moest afgeven, terwijl aangever de fatbike eerst wilde zien. Op enig moment heeft de medeverdachte een luchtdrukwapen van de bank van aangever gepakt en dit wapen geladen. De medeverdachte is met het luchtdrukwapen op aangever afgelopen en heeft dit wapen tegen het hoofd van aangever gedrukt. Verdachte en medeverdachte riepen beiden dat aangever het geld moest geven. Vervolgens hebben zij weliswaar aangegeven dat ze een grap maakten en heeft aangever het wapen kunnen afpakken maar niet veel later hebben verdachte en medeverdachte aangever vastgepakt bij zijn armen en zijn borst. Verdachte heeft vervolgens de portemonnee van aangever uit zijn broekzak gepakt en hier 600,- uit gehaald. Vervolgens hebben verdachte en medeverdachte samen de woning van aangever verlaten. De rechtbank is van oordeel dat uit het voorgaande volgt dat sprake is geweest van een zodanig gezamenlijk optreden dat van medeplegen kan worden gesproken. Weliswaar is het niet verdachte geweest die het luchtdrukwapen op de slaap van aangever heeft gezet maar verdachte heeft wel tegen aangever geroepen dat hij het geld moest geven, heeft aangever beetgepakt, heeft de portemonnee van aangever uit zijn broekzak gepakt en het geld uit de portemonnee van aangever gehaald. Daarnaast heeft verdachte zich ook niet gedistantieerd van de situatie op het moment dat de medeverdachte het luchtdrukwapen pakte en op het hoofd van aangever zette. De verklaring van verdachte dat hij niet heeft gezien dat de medeverdachte het luchtdrukwapen heeft gepakt en tegen het hoofd van aangever heeft gezet, acht de rechtbank gelet op het voorgaande ongeloofwaardig.
Parketnummer 18-133659-25
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het ten laste gelegde. De rechtbank volstaat met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig het bepaalde in artikel 359, derde lid tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering, nu verdachte het hierna bewezen verklaarde duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend.
Deze opgave luidt als volgt:
de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 12 december 2025;
een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal leerplicht met bijlagen van 29 april 2025 met proces-verbaalnummer 2025048, inhoudend het relaas van leerplichtambtenaar [leerplichtambtenaar] .

Bewezenverklaring

De rechtbank acht het onder parketnummer 18-149609-25 onder feit 1 en 2 en het onder parketnummer 18-133659-25 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:
Parketnummer 18-149609-25:
1.
hij in de periode van 1 februari 2025 tot en met 15 mei 2025 te Leeuwarden, tezamen en in vereniging met anderen, meermalen telkens opzettelijk heeft verkocht en afgeleverd en verstrekt en vervoerd en opzettelijk aanwezig heeft gehad, een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne en heroïne, zijnde cocaïne en heroïne, telkens een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;
2.
hij op 13 januari 2025 te Leeuwarden, tezamen en in vereniging met een ander, geld ( 600) dat aan [slachtoffer] toebehoorde heeft weggenomen, met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl deze diefstal werd voorafgegaan en vergezeld door geweld en bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken door een geladen luchtdrukwapen tegen het hoofd (ter hoogte van de slaap) van die [slachtoffer] te houden en aan hem toe te voegen; "het geld, geef het geld", althans woorden van gelijke aard of strekking, en die [slachtoffer] bij de armen en de borst vast te pakken en de portemonnee uit de broekzak te pakken.
Parketnummer 18-133659-25:
hij in de periode van 2 september 2024 tot en met 31 maart 2025 te Leeuwarden als jongere die de leeftijd van 12 jaren had bereikt, terwijl hij als leerling aan een school, te weten [school] , stond ingeschreven, niet heeft voldaan aan de verplichting om overeenkomstig de bepalingen van de Leerplichtwet 1969 deze school geregeld te bezoeken.
Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:
Parketnummer 18-149609-25:
medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder Pro B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd;
medeplegen van diefstal, voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken.
Parketnummer 18-133659-25:
overtreding van het bepaalde bij artikel 2, derde lid, van de Leerplichtwet 1969.
Deze feiten zijn strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafmotivering

Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor de onder parketnummer 18-149609-25 ten laste gelegde feiten wordt veroordeeld tot een jeugddetentie van acht maanden met aftrek van de dagen die verdachte al in voorlopige hechtenis heeft gezeten, te weten 147 dagen. De overige dagen kunnen voorwaardelijk worden opgelegd. De officier van justitie heeft gevorderd dat de door de Raad voor de Kinderbescherming (hierna ook: de Raad) geadviseerde bijzondere voorwaarde aan de voorwaardelijke jeugddetentie wordt verbonden en dat de proeftijd op twee jaren wordt gesteld. In de zaak met parketnummer
18-133659-25 dient een werkstraf van 40 uren aan verdachte te worden opgelegd.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft naar voren gebracht dat bij de strafoplegging rekening moet worden gehouden met het feit dat verdachte in de zaak met parketnummer 18-149609-25 al vijf maanden in voorarrest heeft gezeten. Het is niet wenselijk dat verdachte opnieuw naar de JJI moet. In de zaak met parketnummer 18-133659-25 kan een voorwaardelijke werkstraf van 40 uren aan verdachte worden opgelegd. Daarnaast zou het goed zijn voor verdachte om een meldplicht bij de jeugdreclassering op te leggen als bijzondere voorwaarde.
Oordeel van de rechtbank
Algemeen
Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte
zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek op de terechtzitting en het rapport van de Raad voor de Kinderbescherming van 18 november 2025, het strafblad van verdachte, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de raadsman.
Ernst van de feiten
Verdachte heeft zich gedurende enkele maanden, samen met anderen, schuldig gemaakt aan de handel in harddrugs. Het is een feit van algemene bekendheid dat harddrugs schadelijk zijn voor de gebruikers daarvan en voor de volksgezondheid. Bovendien schuilt achter het bezit van harddrugs een wereld waarin gewelds- en vermogenscriminaliteit niet wordt geschuwd. De rechtbank vindt het zorgelijk dat verdachte zich op zijn jonge leeftijd in deze wereld bevindt. Daarnaast heeft verdachte zich, samen met een ander, schuldig gemaakt aan een diefstal met geweld. Verdachte heeft met zijn handelen inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit en het eigendomsrecht van aangever. Bovendien is het feit gepleegd in de woning van aangever, een plek waar hij zich juist veilig moet kunnen voelen.
Strafblad
Uit het strafblad van verdachte volgt dat hij in december 2024 door de kinderrechter is veroordeeld voor de handel in harddrugs. Daarnaast is verdachte in mei 2024 veroordeeld voor het medeplegen van een poging zware mishandeling.
Persoon van verdachte
Uit het rapport van de Raad en uit hetgeen de Raad en de jeugdreclassering ter zitting naar voren hebben gebracht, blijkt dat er in de afgelopen periode niet tot nauwelijks zicht is geweest op verdachte. Ondanks dat de jeugdreclassering betrokken is bij verdachte en verdachte sinds april 2025 onder toezicht staat, gaat verdachte volledig zijn eigen gang. Verdachte wil geen openheid van zaken geven omtrent zijn verblijfplaats, neemt slechts sporadisch contact op met de jeugdreclassering en de jeugdbeschermer en hij accepteert geen hulpverlening. Op dit moment heeft het vinden van een passende woonplek voor verdachte de grootste prioriteit. Het is niet duidelijk waar en bij wie verdachte op dit moment precies verblijft, zodat er grote zorgen bestaan over zijn veiligheid. Ondanks dat er meerdere aanmeldingen zijn gedaan bij verschillende woonplekken, is het vinden van een passende plek tot op heden niet gelukt.
Verschillende woonplekken hebben de aanmelding afgewezen en daarnaast wil verdachte ook niet meewerken aan een plaatsing in een begeleid wonen setting. Verdachte heeft enkel de wens om bij zijn moeder te wonen, maar dit wordt niet haalbaar geacht door de jeugdbeschermer. Ook de moeder van verdachte staat hier niet achter. Een door de kinderrechter verleende machtiging tot uithuisplaatsing heeft evenmin effect gehad, omdat die niet verzilverd kon worden. Naast de zorgen ten aanzien van de verblijfplaats van verdachte, bestaan er ook grote zorgen over de ontwikkeling, de schoolgang en de vrijetijdsbesteding van verdachte. Verdachte lijkt zich in een crimineel netwerk te bevinden, hij gaat niet naar school en heeft geen adequate en structurele vrijetijdsbesteding.
Hoewel het toezicht door de jeugdreclassering op dit moment niet tot nauwelijks uitvoerbaar is, vinden de Raad en de jeugdreclassering het wel van belang dat de jeugdreclassering langer betrokken blijft bij verdachte. Verdachte is namelijk een erg jonge en kwetsbare jongen en het is van belang dat hij in beeld blijft bij de jeugdreclassering en de jeugdbescherming. De jeugdreclassering kan zich daarbij vooral richten op het voorkomen van delictgedrag, terwijl de jeugdbeschermer zich richt op het vinden van een passende woonplek. De Raad adviseert daarom een deels voorwaardelijke jeugddetentie aan verdachte op te leggen, waarbij het onvoorwaardelijke deel gelijk is aan de duur van het voorarrest. De Raad had graag gezien dat aan de voorwaardelijke jeugddetentie een aantal bijzondere voorwaarden worden gekoppeld, te weten een meldplicht, het meewerken aan dagbesteding en het meewerken aan een plaatsing bij een passende woonplek. De Raad ziet echter ook dat het op dit moment niet haalbaar is om de voorwaarden
ten aanzien van de dagbesteding en de woonplek op te leggen en daar toezicht op te houden. De Raad adviseert daarom enkel een meldplicht op te leggen aan verdachte.
Straf
Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat in de zaak met parketnummer
18-149609-25 een jeugddetentie van 240 dagen waarvan 93 dagen voorwaardelijk, met aftrek van het voorarrest, een passende straf is. De rechtbank acht het, net als de Raad en de jeugdreclassering, van belang dat de jeugdreclassering langer betrokken blijft bij verdachte. Verdachte is een kwetsbare jonge jongen. Hij heeft al veel meegemaakt in zijn leven en heeft er op veel moment voornamelijk alleen voor gestaan. Verdachte heeft de hulpverlening dan ook hard nodig om zijn leven weer op de rit te krijgen. De rechtbank ziet echter ook dat op dit moment niet tot nauwelijks uitvoering kan worden gegeven aan bijzondere voorwaarden, gelet op de houding van verdachte. De rechtbank legt daarom alleen een meldplicht op aan verdachte, zoals ook door de Raad is geadviseerd. De rechtbank spreekt daarbij wel de hoop uit dat verdachte gaat inzien dat de betrokken hulpverleners enkel het beste voor hem willen en dat het meewerken met de hulpverlening van belang is voor het opbouwen van een goede en stabiele toekomst. In de zaak met parketnummer
18-133659-25 zal de rechtbank een voorwaardelijke werkstraf van 40 uren opleggen. Hoewel de rechtbank van oordeel is dat het passend zou zijn om in deze zaak een onvoorwaardelijke werkstraf op te leggen, ziet de rechtbank ook dat het opleggen van een onvoorwaardelijke werkstraf op dit moment niet geëigend is.
Verdachte gaat op dit moment niet naar school maar daar ligt op dit moment, hoe zorgelijk dat ook is, gelet op de overige omstandigheden waarin hij verkeert, niet de prioriteit. Daarnaast zijn er al meerdere werkstraffen aan verdachte opgelegd die tot op heden allemaal niet zijn uitgevoerd. Het is dan ook niet de verwachting dat verdachte op dit moment een nieuwe werkstraf zal gaan uitvoeren.

Beslag

Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de in beslag genomen telefoon verbeurd moet worden verklaard.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft geen standpunt ingenomen ten aanzien van het beslag.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank zal de in beslag genomen telefoon verbeurd verklaren, omdat het onder feit 1 (parketnummer 18-149609-25) bewezenverklaarde met behulp van deze telefoon is begaan.

Vordering na voorwaardelijke veroordeling

Bij onherroepelijk vonnis van 21 mei 2024 van de kinderrechter in de rechtbank
Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, is verdachte veroordeeld tot een werkstraf van 80 uren (met aftrek), waarvan 40 uren voorwaardelijk. De proeftijd is vastgesteld op 2 jaren. Daarbij is als algemene voorwaarde gesteld dat verdachte voor het einde van de proeftijd geen strafbare feiten mag plegen.
Daarnaast zijn een aantal bijzondere voorwaarden aan de voorwaardelijke werkstraf verbonden die, kort gezegd, inhouden dat verdachte zich meldt bij de jeugdreclassering, meewerkt aan urinecontroles en/of bloedonderzoek om zicht te krijgen op het middelengebruik en naar school gaat of dagbesteding heeft. De officier van justitie heeft, bij vordering van 31 oktober 2025, gevorderd dat de voorwaardelijk opgelegde werkstraf ten uitvoer wordt gelegd, omdat verdachte de algemene voorwaarde heeft overtreden.
Daarnaast heeft de officier van justitie, bij vordering van 9 december 2025, gevorderd dat de voorwaardelijk opgelegde werkstraf ten uitvoer wordt gelegd, omdat verdachte ook de bijzondere voorwaarden heeft overtreden. Ter zitting heeft de officier van justitie de vorderingen gehandhaafd.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de rechtbank de tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde straf kan gelasten.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank zal de tenuitvoerlegging gelasten van de opgelegde voorwaardelijke werkstraf, omdat verdachte nieuwe strafbare feiten heeft gepleegd terwijl de proeftijd nog liep. Daarnaast heeft verdachte zich ook niet gehouden aan de opgelegde bijzondere voorwaarden. De rechtbank overweegt daarbij dat de kinderrechter op 29 april 2025 al de gedeeltelijke tenuitvoerlegging van deze werkstraf heeft bevolen, te weten 15 uren. De rechtbank zal dan ook de tenuitvoerlegging gelasten van 25 uren.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 33, 33a, 47, 77a, 77g, 77i, 77m, 77n, 77x, 77y, 77z, 77aa, 77gg en 312 van het Wetboek van Strafrecht, de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet en de artikelen 2 en 26 van de Leerplichtwet 1969.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak gelden.

Uitspraak

De rechtbank

In de zaak met parketnummer 18-149609-25:
Verklaart het onder feit 1 en feit 2 ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.
Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.
Veroordeelt verdachte tot:

een jeugddetentie voor de duur van 240 dagen.

Bepaalt dat van deze jeugddetentie een gedeelte,
te weten 93 dagen, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond dat de veroordeelde zich voor het einde van een proeftijd, welke hierbij wordt vastgesteld op
twee jaren, aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt of de hierna te noemen voorwaarden niet heeft nageleefd.
Beveelt dat de tijd door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde jeugddetentie geheel in mindering zal worden gebracht.
Voorwaarde is, dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig zal maken aan een strafbaar feit.
Stelt als bijzondere voorwaarde:
- dat de veroordeelde zich gedurende een door de jeugdreclassering te bepalen periode en op de door de jeugdreclassering te bepalen tijdstippen zal melden bij [instelling] (telefoonnummer
[telefoonnummer] ), zo vaak en zolang de jeugdreclassering dat nodig vindt. De veroordeelde houdt zich aan de aanwijzingen van de jeugdreclassering en werkt mee aan de gemaakte afspraken.
Geeft aan [instelling] , een gecertificeerde instelling die jeugdreclassering uitvoert, opdracht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.
Voorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde gedurende de proeftijd:
  • ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van één of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van Pro de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;
  • medewerking zal verlenen aan het jeugdreclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 77aa, eerste tot en met het vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de jeugdreclassering zo vaak en zolang als de jeugdreclassering dit noodzakelijk acht, daaronder begrepen.

Verklaart verbeurd de in beslag genomen:

- Telefoon, merk: Apple (goednummer PL0100-2025042432-1829454)
In de zaak met parketnummer 18-133659-25:
Verklaart het ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.
Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.
Veroordeelt verdachte tot:

een taakstraf, bestaande uit een werkstraf voor de duur van 40 uren.

Bepaalt dat deze werkstraf
nietzal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond dat de veroordeelde zich voor het einde van een proeftijd, welke hierbij wordt vastgesteld op
twee jarenschuldig heeft gemaakt aan de hierna te noemen voorwaarde.
Beveelt voorts dat, indien het mocht komen tot de tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde werkstraf, vervangende jeugddetentie voor de duur van
20 dagenzal worden toegepast, indien de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht.
Voorwaarde is, dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig zal maken aan een strafbaar feit.

Beslissing op de vordering na voorwaardelijke veroordeling onder parketnummer

18.297514-23:

Gelast de tenuitvoerlegging van de straf voor zover voorwaardelijk opgelegd bij vonnis van de kinderrechter te Rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, op 21 mei 2024, te weten:
een taakstraf, bestaande uit een werkstraf voor de duur van 25 uren.
Dit vonnis is gewezen door mr. M. Brinksma, voorzitter, tevens kinderrechter,
mr. H.P. Eckert en mr. A. de Jong, rechters, bijgestaan door mr. E.M. Boskma, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 24 december 2025.
Mr. H.P. Eckert en mr. A. de Jong zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.