Uitspraak
Rechtbank NOORD-NEDERLAND
[verzoeker 1] ,
[verzoeker 2] ,
Rechtbank Noord-Nederland
Twee besloten vennootschappen, [verzoeker 2] en haar dochteronderneming [verzoeker 1], verzochten op 28 januari 2025 om een afkoelingsperiode van twee maanden in het kader van de WHOA, om een liquidatieakkoord voor te bereiden. De vennootschappen kampen met aanzienlijke belastingschulden, vooral bij de Belastingdienst, die beslag heeft gelegd op activa en executoriale verkoop heeft aangekondigd.
De rechtbank stelde vast dat de vennootschappen een besloten akkoordprocedure hadden gekozen en dat de rechtbank bevoegd was de procedure te behandelen. Wel constateerde de rechtbank dat pandhouders niet waren geïnformeerd en dat het onduidelijk was hoe de vennootschappen aan hun lopende verplichtingen zouden kunnen voldoen tijdens de afkoelingsperiode.
De rechtbank oordeelde dat niet summierlijk was gebleken dat een afkoelingsperiode noodzakelijk was voor voortzetting van de onderneming, vooral omdat [verzoeker 1] haar activiteiten beëindigt. Ook was onvoldoende aannemelijk gemaakt dat de belangen van schuldeisers bij een afkoelingsperiode waren gediend, mede omdat onvoldoende concreet was gemaakt dat een akkoord buiten faillissement meerwaarde zou bieden ten opzichte van een faillissement.
Daarom wees de rechtbank het verzoek af. De uitspraak werd gedaan door de rechtbank Noord-Nederland op 13 februari 2025, met als rechters H.J. Idzenga, D.J. Klijn en M. Aukema.
Uitkomst: De rechtbank wijst het verzoek tot afkondiging van een afkoelingsperiode af wegens niet voldoen aan de vereisten van artikel 376 lid 4 Faillissementswet.