ECLI:NL:RBNNE:2026:1000

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
30 maart 2026
Publicatiedatum
30 maart 2026
Zaaknummer
18.402734.24
Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 157 SrArt. 36f SrArt. 38 SrArt. 38a SrArt. 38z Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor brandstichting met gevaar voor goederen en oplegging TBS met voorwaarden

Op 17 december 2024 heeft verdachte opzettelijk brand gesticht in een woning waarin hij tijdelijk verbleef, waarbij gevaar voor omliggende woningen en goederen bestond. De rechtbank acht het bewezen dat verdachte op meerdere plekken open vuur in aanraking bracht met brandbare stoffen, waardoor materiële schade ontstond.

Verdachte was verminderd toerekeningsvatbaar vanwege een persoonlijkheidsstoornis met borderline en antisociale trekken en een ernstige verslavingsproblematiek, zoals vastgesteld in psychologische en psychiatrische rapportages. De rechtbank legde een gevangenisstraf van 467 dagen op, gelijk aan de duur van het voorarrest, en een terbeschikkingstelling (TBS) met voorwaarden, dadelijk uitvoerbaar, gericht op langdurige behandeling en recidivepreventie.

Daarnaast werd een gedragsbeïnvloedende of vrijheidsbeperkende maatregel ex artikel 38z Sr opgelegd. De rechtbank wees de vordering van Woonstichting Wierden en Borgen af wegens onvoldoende bewijs van schade en niet-ontvankelijkheid, terwijl de vordering van de andere benadeelde partij deels werd toegewezen met een schadevergoeding van €2.000,- en wettelijke rente.

De voorwaarden van de TBS omvatten onder meer behandeling van psychische en verslavingsproblematiek, naleving van huisregels, medewerking aan controles en reclasseringstoezicht. De maatregel is bedoeld om de algemene veiligheid te waarborgen en recidive te voorkomen.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 467 dagen gevangenisstraf, TBS met voorwaarden en maatregel ex artikel 38z Sr wegens brandstichting met gevaar voor goederen.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht
Locatie Groningen
parketnummer 18.402734.24
Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 30 maart 2026 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1976 te [geboorteplaats] , thans gedetineerd te [instelling] .
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 16 maart 2026. Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. E. van der Meer, advocaat te Groningen.
Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. A.J. Kemkers.

Tenlastelegging

Aan verdachte is, na nadere omschrijving van de tenlastelegging, ten laste gelegd dat:
hij op of omstreeks 17 december 2024 te [plaats] , in een woning, te weten de [adres] , althans in een pand, opzettelijk brand heeft gesticht door, op een of meer plekken in de woning, open vuur in aanraking te brengen met een brandbare en/of vluchtige stof, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen, te weten
  • omliggende panden en/of woningen, en/of
  • in het pand en/of de omliggende panden aanwezige goederen, te duchten was.

Beoordeling van het bewijs

Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft veroordeling gevorderd voor het ten laste gelegde feit.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft betoogd dat het feit bewezen kan worden.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank acht het ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen, zoals hierna opgenomen in de bewezenverklaring. Nu verdachte dit feit duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend, volstaat de rechtbank met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering.
Deze opgave luidt als volgt:
de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 16 maart 2026;
een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal forensisch onderzoek woning ( [adres] ) d.d. 24 januari 2025 met bijlagen, opgenomen op pagina 148 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer 2024343768 d.d. 21 februari 2025, inhoudend het relaas van verbalisant.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht het ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:
hij op 17 december 2024 te [plaats] , in een woning, te weten de [adres] , opzettelijk brand heeft gesticht door op meerdere plekken in de woning open vuur in aanraking te brengen met een brandbare en/of vluchtige stof, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen, te weten
  • omliggende woningen en
  • in de woning en de omliggende woningen aanwezige goederen te duchten was.
Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:
Opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is.
Dit feit is strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.
Strafmotivering
Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het ten laste gelegde feit wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van 24 maanden met aftrek van voorarrest en terbeschikkingstelling met de door de reclassering geadviseerde voorwaarden en het bevel dat de terbeschikkingstelling met voorwaarden dadelijk uitvoerbaar is. Daarnaast heeft de officier van justitie de oplegging van een gedragsbeïnvloedende of vrijheidsbeperkende maatregel ex artikel 38z van het Wetboek van Strafrecht gevorderd.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft gepleit voor een gevangenisstraf gelijk aan de duur van het reeds ondergane voorarrest en een terbeschikkingstelling met voorwaarden. De raadsman heeft gesteld dat de voorwaarde dat verdachte niet zwart mag werken niet specifiek hoeft te worden opgenomen. De verdediging heeft zich niet verzet tegen oplegging van de maatregel ex artikel 38z van het Wetboek van Strafrecht.
Oordeel van de rechtbank
Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek ter terechtzitting en de rapportages van de psychiater,
GZ-psycholoog en de verslavingsreclassering VNN
d.d. 5 maart 2026, het uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de verdediging.
De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan brandstichting in een woning waarin hij tijdelijk verbleef. De uiteindelijke gevolgen van de brandstichting zijn beperkt gebleven tot materiële schade. Gelet op de ernst van dit feit zal de rechtbank verdachte veroordelen tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Bij het bepalen van de duur hiervan zal de rechtbank rekening houden met de verminderde toerekeningsvatbaarheid van verdachte, zoals blijkt uit de hieronder nader omschreven psychologische en psychiatrische rapportages die omtrent verdachte zijn opgemaakt. Verdachte heeft tot deze uitspraak 467 dagen in voorarrest doorgebracht. De rechtbank is van oordeel dat hiermee kan worden volstaan.

Motivering van de maatregel

De rechtbank zal daarnaast aan verdachte de maatregel van terbeschikkingstelling opleggen.
Blijkens de psychiatrische en psychologische rapportages bestond bij verdachte tijdens het begaan van het bewezen verklaarde een ziekelijke stoornis van zijn geestvermogens. Het door verdachte begane feit is een misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaren of meer is gesteld. Verder eist de algemene veiligheid van personen of goederen de oplegging van die maatregel.
De rechtbank heeft haar oordeel gegrond op het advies van de gedragsdeskundigen
S. Kapitein-de Haan, psychiater, en N.P.A. van der Weegen, GZ-psycholoog.
Het advies van de psychiater d.d. 3 augustus 2025 houdt onder meer in, zakelijk weergegeven:
Er is bij verdachte sprake van een scheefgroei in zijn persoonlijkheidsontwikkeling, zich nu uitend in een persoonlijkheidsstoornis met borderline en antisociale trekken. Daarnaast is sprake van een ernstige verslavingsproblematiek. Ten tijde van het ten laste gelegde waren deze stoornissen aanwezig. Het advies is om de brandstichting in verminderde mate toe te rekenen. Verdachte verkeerde op dat moment in een door drugs uitgelokte psychotische toestand en deze had sterke invloed op zijn vermogen zelf afgewogen keuzes te maken. Het risico op herhaling komt naar voren als hoog. Doordat er zowel weinig interne als weinig externe beschermende factoren in het leven van verdachte aanwezig zijn, is hij aangewezen op langdurige begeleiding. Het advies is om hem te plaatsen in een forensische kliniek waar ook de mogelijkheid is om een resocialisatie-traject vorm te geven aansluitend aan de klinische fase. Geadviseerd wordt om dit op te leggen binnen het kader van een terbeschikkingstelling met voorwaarden.
Het advies van de GZ-psycholoog d.d. 24 juli 2025 komt in grote lijnen overeen met het advies van de psychiater. De conclusie is dat verdachte lijdt aan een andere gespecificeerde persoonlijkheidsstoornis met antisociale en borderline trekken en ernstige stoornissen in het gebruik van cocaïne, een ander stimulantium, cannabis en alcohol. Ook de GZ-psycholoog heeft geadviseerd het ten laste gelegde in verminderde mate toe te rekenen. Het recidiverisico wordt als hoog ingeschat. Om dit risico te beperken is een klinische behandeling nodig. Omdat verdachte geneigd is terug te vallen in middelengebruik en delictgedrag als toezicht en begeleiding wegvallen, heeft deze gedragsdeskundige geadviseerd om - naast een terbeschikkingstelling met voorwaarden - aansluitend een gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbenemende maatregel op te leggen. Een dergelijke maatregel maakt langdurige begeleiding en toezicht mogelijk.
De rechtbank kan zich met de inhoud en de conclusies van de adviezen verenigen en neemt deze over.
De rechtbank zal niet bevelen dat verdachte van overheidswege wordt verpleegd. Wel zal de rechtbank ter bescherming van de algemene veiligheid van personen of goederen, de na te noemen voorwaarden stellen betreffende het gedrag van verdachte.
De rechtbank heeft bij het formuleren van de voorwaarden gelet op de adviezen van de gedragsdeskundigen en de reclassering. De reclassering heeft in het rapport van 5 maart 2026 een aantal voorwaarden geformuleerd. Verdachte heeft zich bereid verklaard de voorwaarden na te leven. De rechtbank zal deze voorwaarden opleggen, met uitzondering van de voorwaarde dat verdachte geen werkzaamheden mag doen zonder arbeidsovereenkomst. De rechtbank ziet hierin geen meerwaarde, nu deze voorwaarde niet ziet op het terugbrengen van het recidiverisico.
Voorts merkt de rechtbank op dat de bewezenverklaarde brandstichting geen misdrijf betreft dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen. Dit leidt ertoe dat, in het geval alsnog een bevel tot verpleging van overheidswege wordt gegeven, de terbeschikkingstelling beperkt is tot de maximale periode van vier jaren.
De rechtbank zal de terbeschikkingstelling met voorwaarden dadelijk uitvoerbaar verklaren. De rechtbank overweegt hierbij dat er sprake is van een hoog recidiverisico en dat vanwege de ernst van de stoornissen
en de noodzakelijke vloeiende overgang tussen de beëindiging van de voorlopige hechtenis en de TBS met voorwaarden nodig is dat deze maatregel dadelijk uitvoerbaar wordt verklaard.
Daarnaast zal de rechtbank een gedragsbeïnvloedende of vrijheidsbeperkende maatregel ex artikel 38z van het Wetboek van Strafrecht opleggen, zoals gevorderd door de officier van justitie en geadviseerd door de psycholoog, nu aan de wettelijke vereisten voor oplegging daarvan is voldaan.

Benadeelde partij

De volgende personen hebben zich als benadeelde partij in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding:
[benadeelde partij] , tot een bedrag van primair 61.631,71 en subsidiair 27.671,38 ter vergoeding van materiële schade en 1.750,- ter vergoeding van immateriële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan;
Woonstichting Wierden en Borgen, tot een bedrag van 200.000,- ter vergoeding van materiële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij Woonstichting Wierden en Borgen niet-ontvankelijk is in de vordering, omdat geen uittreksel van de Kamer van Koophandel is bijgevoegd, zodat de vertegenwoordigingsbevoegdheid van de indiener van het formulier niet kan worden aangetoond.
Ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij] heeft de officier van justitie zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank wat de materiële schade betreft. De immateriële schade is toewijsbaar, zo heeft de officier van justitie gesteld.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft, net als de officier van justitie, bepleit dat Woonstichting Wierden en Borgen niet-ontvankelijk in de vordering is.
Ten aanzien van de vordering van [benadeelde partij] heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat het immateriële deel moet worden beperkt tot 1.000,-, gelet op de beperkte onderbouwing. Ten aanzien van het materiële deel heeft de raadsman gesteld dat niet-ontvankelijkheid moet volgen. Hij heeft daartoe aangevoerd dat er aanwijzingen zijn dat de schade niet zo groot was, mede gelet op de verklaring van getuige Middel. Ook blijkt niet hoe de situatie op dit moment is. Zo is niet duidelijk of er nieuwe spullen zijn aangeschaft.
Oordeel van de rechtbank
Hoewel voldoende aannemelijk is dat de benadeelde partij Woonstichting Wierden en Borgen schade heeft geleden die het rechtstreeks gevolg is van het bewezen verklaarde, beschikt de rechtbank over onvoldoende informatie om de hoogte daarvan te kunnen beoordelen. Schorsing van het onderzoek om de benadeelde partij de hoogte van de schade alsnog te laten aantonen, zal leiden tot een onevenredige belasting van het strafgeding en daartoe zal dan ook niet worden overgegaan. De rechtbank zal de benadeelde partij daarom niet-ontvankelijk verklaren in haar vordering. De vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
Ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij] overweegt de rechtbank als volgt.
Voor het primair gevorderde bedrag aan materiële schade van 61.631,71 zijn onvoldoende aanwijzingen. Het subsidiair gevorderde bedrag van 27.671,38 is niet onderbouwd met bijvoorbeeld notas van nieuw aangeschafte spullen. Nu naar het oordeel van de rechtbank voldoende aannemelijk is dat de benadeelde partij materiële schade heeft geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het bewezen verklaarde, zal de rechtbank gebruik maken van haar schattingsbevoegdheid ex artikel 6:97 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW). De rechtbank schat de hoogte van de materiële schade op 2.000,-. Voor het overige zal de vordering niet-ontvankelijk worden verklaard.
De benadeelde partij heeft daarnaast vergoeding van immateriële schade gevorderd. Indien geen sprake is van lichamelijk letsel, zoals in dit geval, kan op grond van artikel 6:106 lid 1 BW Pro slechts een vergoeding voor immateriële schade worden toegekend indien de benadeelde partij in zijn eer of goede naam is geschaad of op andere wijze in zijn persoon is aangetast. Geestelijk letsel kan pas worden aangemerkt als aantasting van de persoon, indien de psychische gevolgen voldoende ernstig zijn. Gevoelens van angst vormen nog geen aantasting van de persoon als bedoeld in artikel 6:106 BW Pro. Ernstige psychische schade, als hiervoor bedoeld, is door de benadeelde partij niet aangevoerd. De vordering tot vergoeding van immateriële schade wordt dan ook afgewezen.
Nu de aansprakelijkheid van verdachte vaststaat, zal de rechtbank de schadevergoedingsmaatregel opleggen om te bevorderen dat verdachte de schade zal vergoeden.
De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 36f, 38, 38a, 38z en 157 van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak gelden.

Uitspraak

De rechtbank
Verklaart het ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.
Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.
Veroordeelt verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 467 dagen.

Beveelt dat de tijd die de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf, geheel in mindering zal worden gebracht.
Gelast dat verdachte ter beschikking zal worden gesteld en stelt daarbij de volgende voorwaarden:
De veroordeelde maakt zich niet schuldig aan een strafbaar feit.
De veroordeelde werkt mee aan het reclasseringstoezicht. Deze medewerking houdt onder andere in:
De veroordeelde laat een of meer vingerafdrukken nemen en laat een geldig identiteitsbewijs zien.
De veroordeelde houdt zich aan de aanwijzingen van de reclassering. De reclassering kan aanwijzingen geven die nodig zijn voor de uitvoering van het toezicht of om de veroordeelde te helpen bij het naleven van de voorwaarden.
De veroordeelde helpt de reclassering aan een actuele foto waarop zijn gezicht herkenbaar is.
De veroordeelde werkt mee aan huisbezoeken.
De veroordeelde geeft de reclassering inzicht in de voortgang van begeleiding en/of behandeling door andere instellingen of hulpverleners.
De veroordeelde vestigt zich niet op een ander adres zonder toestemming van de reclassering.
De veroordeelde werkt mee aan het uitwisselen van informatie met personen en instanties die contact hebben met de veroordeelde, als dat van belang is voor het toezicht.
Als de reclassering dat nodig vindt en de veroordeelde daarmee instemt, kan de veroordeelde voor een time-out worden opgenomen in een Forensisch Psychiatrisch Centrum (FPC) of andere instelling. Deze time-out duurt totdat de reclassering of de veroordeelde deze beëindigt, maar maximaal zeven weken, met de mogelijkheid van verlenging met nog eens maximaal zeven weken, tot maximaal veertien weken per jaar.
De veroordeelde gaat niet naar het buitenland of het Caribisch deel van het Koninkrijk der Nederlanden zonder toestemming van de reclassering.
De veroordeelde meldt zich op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken zijn.
6. De veroordeelde laat zich opnemen in een nader te bepalen geïndiceerde zorginstelling, te bepalen door de voor plaatsing verantwoordelijke instantie. De opname start zo spoedig mogelijk na uitspraak. De zorginstelling bepaalt de wijze van behandeling. De behandeling is gericht op psychische problematiek, verslavingsproblematiek, agressiebeheersing, cognitieve vaardigheden, sociale vaardigheden, schuldenproblematiek, woonoverlast en/of andere problematiek. De veroordeelde houdt zich aan de huisregels en aanwijzingen van de zorginstelling en de behandelaren. Als de reclassering een overgang naar ambulante zorg of verblijf in een instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang nodig vindt, werkt de veroordeelde mee aan de indicatiestelling en plaatsing.
7. De veroordeelde zich laat behandelen door een nader geïndiceerde zorgverlener, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de behandeling nodig vindt. De zorgverlener bepaalt de wijze van behandeling. De behandeling is gericht op psychische problematiek, verslavingsproblematiek, agressiebeheersing, cognitieve vaardigheden, sociale vaardigheden, schuldenproblematiek, woonoverlast en/of andere problematiek.
8. De veroordeelde gebruikt geen verdovende middelen genoemd in lijst I (harddrugs), en lijst II (softdrugs) en geen middelen die vallen onder een stofgroep genoemd in lijst IA in de Opiumwet, tenzij de reclassering toestemming heeft gegeven voor het gebruik. De veroordeelde moet meewerken aan controles. Dit kunnen zijn urineonderzoek, ademonderzoek en een speekseltest. De reclassering bepaalt hoe vaak en met welk controlemiddel wordt gecontroleerd.
9. De veroordeelde gebruikt geen alcohol, tenzij de reclassering toestemming heeft gegeven voor het gebruik. De veroordeelde moet meewerken aan controles. Dit kunnen zijn urineonderzoek, ademonderzoek en een speekseltest. De reclassering bepaalt hoe vaak en met welk controlemiddel wordt gecontroleerd.
Draagt de reclassering op de veroordeelde bij de naleving van de voorwaarden hulp en steun te verlenen.

Beveelt dat de terbeschikkingstelling met voorwaarden dadelijk uitvoerbaar is.

Legt opde maatregel ex artikel 38z van het Wetboek van Strafrecht, strekkende tot gedragsbeïnvloeding of vrijheidsbeperking.
Wijst de vordering van de benadeelde partij
[benadeelde partij]toe tot het hierna te noemen bedrag en veroordeelt verdachte om aan [benadeelde partij] te betalen:
  • het bedrag van 2.000,- (zegge: tweeduizend euro);
  • de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 17 december 2024 tot de dag van algehele voldoening;
  • de proceskosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog zal maken, tot heden begroot op nihil.
Verklaart de vordering voor het overige niet-ontvankelijk. Dit deel van de vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
Legt aan verdachte de verplichting op om ten behoeve van [benadeelde partij] aan de Staat te betalen een bedrag van 2.000,- (zegge: tweeduizend euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 17 december 2024 tot de dag van algehele voldoening. Dit bedrag bestaat uit materiële schade.
Bepaalt dat bij gebreke van volledig verhaal van de betalingsverplichting aan de Staat gijzeling voor de duur van 20 dagen kan worden toegepast. De toepassing van gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.
Bepaalt dat als verdachte voldoet aan de betalingsverplichting aan de benadeelde partij of aan de Staat, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd van de betalingsverplichting aan beiden.
Verklaart
Woonstichting Wierden en Borgenniet-ontvankelijk in haar vordering. De vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
Bepaalt dat de benadeelde partij haar eigen proceskosten draagt.
Dit vonnis is gewezen door mr. T.R. Bosker, voorzitter, mr. M.S. van der Kuijl en
mr. H. de Ruijter, rechters, bijgestaan door A.W. ten Have-Imminga, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 30 maart 2026.