De rechtbank Noord-Nederland behandelde op 31 maart 2026 een zaak waarin verdachte werd beschuldigd van meerdere zedelijke delicten jegens een minderjarig slachtoffer. De tenlastelegging betrof seksuele handelingen over een periode van 2008 tot 2016.
Hoewel de verklaring van het slachtoffer als authentiek en consistent werd beoordeeld, ontbrak het aan voldoende steunbewijs uit andere bronnen zoals getuigenverklaringen en politie mutatierapporten. De verklaringen van de moeder, beste vriendin en zus van het slachtoffer waren allen gebaseerd op de eigen verklaring van het slachtoffer en boden geen onafhankelijk bewijs. De politie mutatierapporten gaven wel inzicht in een ongezonde relatie, maar bevatten geen concrete aanwijzingen voor seksueel misbruik.
De rechtbank concludeerde dat het bewijsminimum van artikel 342, tweede lid, Wetboek van Strafvordering niet was gehaald en sprak verdachte vrij. De vordering tot schadevergoeding van het slachtoffer werd niet-ontvankelijk verklaard omdat de feiten niet bewezen waren. De zaak benadrukt de bewijstechnische complexiteit van zedenzaken en het belang van steunbewijs.