Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBNNE:2026:1042

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
30 maart 2026
Publicatiedatum
1 april 2026
Zaaknummer
18-276792-25
Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Op tegenspraak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 9 SrArt. 14a SrArt. 14b SrArt. 14c SrArt. 22c Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor belaging ex-partner met heimelijke monitoring en inbreuk op privacy

De rechtbank Noord-Nederland heeft verdachte veroordeeld voor belaging van zijn ex-partner in de periode van 31 augustus 2025 tot en met 20 december 2025 te Hurdegaryp. Verdachte heeft heimelijk drie camera’s met microfoon in de woning van de ex-partner geplaatst en haar daarmee gemonitord. Daarnaast heeft hij zich op onverwachte momenten in haar kledingkast verstopt, wat als zeer beangstigend werd beoordeeld.

De rechtbank achtte het bewezen dat verdachte stelselmatig en opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van de ex-partner door haar te bespieden, af te luisteren, te bedreigen en haar kleding te beschadigen. Verdachte werd vrijgesproken van het achtervolgen in de supermarkt, omdat dit niet als opzettelijke belaging kon worden aangemerkt.

De straf bestaat uit een gevangenisstraf van 160 dagen, waarvan 120 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaar, en een taakstraf van 150 uren. Daarnaast zijn bijzondere voorwaarden opgelegd, waaronder een contactverbod en locatieverbod met elektronisch toezicht. De rechtbank wees ook een schadevergoeding toe van €3.522,68 voor materiële en immateriële schade.

De rechtbank nam het reclasseringsadvies mee, dat een lager recidiverisico inschatte en interventies op het gebied van alcoholgebruik adviseerde. De vrijheidsbeperkende maatregel zoals bedoeld in artikel 38v Sr werd niet opgelegd, omdat de voorwaardelijke straf en voorwaarden voldoende werden geacht om recidive te voorkomen.

Uitkomst: Verdachte is veroordeeld tot 160 dagen gevangenisstraf waarvan 120 voorwaardelijk, een taakstraf van 150 uren en een schadevergoeding van €3.522,68.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling Strafrecht
Locatie Leeuwarden
Parketnummer: 18-276792-25
Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 30 maart 2026 in de zaak van het Openbaar Ministerie tegen de verdachte

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1979 te [geboorteplaats] , ingeschreven te [adres] .
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 16 maart 2026.
Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. G.A. Pots, advocaat te Leeuwarden. Het Openbaar Ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. L. Potijk.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
hij in of omstreeks de periode 31 augustus 2025 tot en met 20 december 2025 te Hurdegaryp, althans in Nederland, wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op eens anders persoonlijke levenssfeer, te weten die van [slachtoffer] , door
  • heimelijk drie cameras en/of een microfoon in de woning van die [slachtoffer] te plaatsen en die [slachtoffer] middels deze apparatuur in de gaten te houden, af te luisteren en/of screenshots te maken van de beelden,
  • te dreigen het seksleven van die [slachtoffer] openbaar te maken en/of die [slachtoffer] uit de woning te zetten en/of meldingen te maken over die [slachtoffer] zodat zij de kinderen niet meer zou mogen zien,
  • was van de waslijn te trekken bij de woning van die [slachtoffer] ,
  • zonder toestemming zich de toegang tot de sociale media en/of e-mail van die [slachtoffer] te verschaffen en/of aldaar berichten te plaatsen,
  • die [slachtoffer] van achter de schutting af te luisteren in de tuin,
  • via WhatsApp, e-mail, sociale media en/of telefonisch contact te zoeken met die [slachtoffer] ,
  • kledingstukken van die [slachtoffer] te vernielen en/of beschadigen,
  • zich meermalen, althans eenmaal, nabij en/of in de woning van die [slachtoffer] op te houden, waaronder in slaapkamer van die [slachtoffer] gedurende de nacht en/of in de kledingkast van die [slachtoffer] ,
  • die [slachtoffer] op te wachten bij het verlaten van haar woning,
  • zich meermalen, althans eenmaal, bij het werkadres van die [slachtoffer] op te houden en/of
  • die [slachtoffer] te achtervolgen in de supermarkt, met het oogmerk die [slachtoffer] , te dwingen iets te doen, niet te doen, te dulden en/of vrees aan te jagen.

Beoordeling van het bewijs

Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft veroordeling gevorderd voor het ten laste gelegde, ook wat betreft de in de tenlastelegging opgenomen belagingshandelingen die verdachte heeft ontkend.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft bepleit dat partiële vrijspraak dient te volgen voor de ten laste gelegde belagingshandelingen die zien op het beschadigen van de kleding van aangeefster en het achtervolgen in de supermarkt.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank acht het ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, zoals hierna opgenomen in de bewezenverklaring. Nu verdachte dit feit duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend, volstaat de rechtbank met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering.
Deze opgave luidt als volgt:
de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 16 maart 2026;
een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 17 oktober 2025, opgenomen op pagina 23 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met zaakregistratienummer: PLO100-2025283017 d.d. 3 februari 2026, inhoudend de verklaring van [slachtoffer] ;
een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 12 december 2025, opgenomen op pagina 55 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend het relaas van verbalisant [verbalisant] ;
een schriftelijk bescheid, te weten een fotobijlage gehecht aan het onder 3 genoemde proces-verbaal van bevindingen en de eigen waarneming van de rechtbank ten aanzien van de in deze bijlage opgenomen fotos;
een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor aangeefster d.d. 21 december 2025, opgenomen op pagina 78 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend de verklaring van [slachtoffer] ;
een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aanvullend verhoor aangeefster d.d. 18 oktober 2025, opgenomen op pagina 85 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend de verklaring van [slachtoffer] .
Partiële vrijspraak
De rechtbank is van oordeel dat verdachte vrijgesproken dient te worden van de belagingshandeling die ziet op het achtervolgen in de supermarkt. Het is niet uit te sluiten dat verdachte en aangeefster elkaar bij toeval zijn tegenkomen in de supermarkt. Zij wonen in een dorp waar slechts een beperkt aantal supermarkten zijn. Gelet hierop merkt de rechtbank dit niet als een opzettelijke belagingshandeling aan.
Het beschadigen van de kleding
Verdachte heeft steevast het beschadigen van aangeefster haar kleding ontkend. De rechtbank is daarentegen van oordeel dat deze belagingshandeling bewezen kan worden. De verklaring van aangeefster vindt bevestiging in fotos van haar beschadigde kleding die zij aan het dossier heeft laten toevoegen. De rechtbank heeft hierop steeds beschadigingen gezien van vergelijkbare vorm en omvang. Deze beschadigingen zijn hoogstwaarschijnlijk steeds met eenzelfde voorwerp aan de kleding toegebracht. Ook blijkt uit het bewijs dat verdachte in de inloopkledingkast van aangeefster is geweest voor het heimelijk plaatsen van cameras, welke omstandigheid de rechtbank in haar overtuiging sterkt dat verdachte de kleding heeft beschadigd.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht het ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:
hij in de periode 31 augustus 2025 tot en met 20 december 2025 te Hurdegaryp wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op eens anders persoonlijke levenssfeer, te weten die van [slachtoffer] , door
- heimelijk drie cameras met microfoon in de woning van die [slachtoffer] te plaatsen en die [slachtoffer]
middels deze apparatuur in de gaten te houden, af te luisteren en screenshots te maken van de beelden,
  • te dreigen het seksleven van die [slachtoffer] openbaar te maken en die [slachtoffer] uit de woning te zetten en meldingen te maken over die [slachtoffer] zodat zij de kinderen niet meer zou mogen zien,
  • was van de waslijn te trekken bij de woning van die [slachtoffer] ,
  • zonder toestemming zich de toegang tot de sociale media van die [slachtoffer] te verschaffen en aldaar berichten te plaatsen,
  • die [slachtoffer] van achter de schutting af te luisteren in de tuin,
  • via WhatsApp, e-mail, sociale media en telefonisch contact te zoeken met die [slachtoffer] ,
  • kledingstukken van die [slachtoffer] te beschadigen,
  • zich meermalen in de woning van die [slachtoffer] op te houden, waaronder in slaapkamer van die [slachtoffer] gedurende de nacht en in de kledingkast van die [slachtoffer] ,
  • zich meermalen bij het werkadres van die [slachtoffer] op te houden,
met het oogmerk die [slachtoffer] te dwingen iets te dulden en vrees aan te jagen.
Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:
- belaging
Dit feit is strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafmotivering

De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft de volgende straffen en maatregelen gevorderd:
- een gevangenisstraf voor de duur van 160 dagen waarvan 120 dagen voorwaardelijk met een proeftijd
van 3 jaren met aftrek van het voorarrest;
  • met aan het voorwaardelijk deel de bijzondere voorwaarden overeenkomstig het reclasseringsadvies;
  • een taakstraf voor de duur van 150 uren;
  • een vrijheidsbeperkende maatregel zoals bedoeld in artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht
inhoudende een contactverbod met aangeefster voor de duur van 5 jaren met een vervangende hechtenis van 1 week per overtreding van dit contactverbod met een maximum van 6 maanden met een bevel tot
dadelijke uitvoerbaarheid van deze maatregel.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich aangesloten bij de vordering van de officier van justitie. Hij heeft de rechtbank verzocht om bij de vrijheidsbeperkende maatregel een kortere periode te bepalen dan de geëiste 5 jaren.
Het oordeel van de rechtbank
Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek ter terechtzitting, het reclasseringsadvies van 11 maart 2026, het uittreksel uit de justitiële documentatie van 19 februari 2026, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de verdediging. De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
De ernst van het feit
Verdachte heeft zich in een periode van enkele maanden schuldig gemaakt aan belaging van aangeefster nadat hun relatie was beëindigd. Hij is op zeer indringende wijze contact blijven zoeken met aangeefster en hij heeft haar privémomenten gemonitord. Verdachte heeft onder meer verborgen cameras in de woning geplaatst. Deze cameras bevonden zich in de woonkamer achter een radiator en in een kast in de slaapkamer met zicht op het bed van aangeefster. Verdachte heeft daarmee gesprekken tussen aangeefster en de kinderen afgeluisterd en hen bespied terwijl zij zich ongezien in de slaapkamer waanden. Ook heeft verdachte zich op onverwachte momenten in de woning begeven en zelfs een keer s nachts in de kledingkast van aangeefster verstopt. Het verstoppen in de kledingkast is een opmerkelijke en beangstigende gebeurtenis. Verdachte heeft met zijn handelswijze herhaaldelijk inbreuk gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van aangeefster. Hij heeft hiermee bij aangeefster gevoelens van angst, onrust en onveiligheid veroorzaakt. Daarnaast zijn de kinderen getuige geweest van het gedrag van verdachte, zodat ook zij hiervan nadelige gevolgen zullen hebben ondervonden.
De persoon en de persoonlijke omstandigheden
Uit het uittreksel uit de justitiële documentatie blijkt dat verdachte niet eerder onherroepelijk is veroordeeld voor soortgelijke feiten.
De rechtbank heeft kennisgenomen van het reclasseringsadvies. De reclassering heeft in haar rapport opgemerkt dat verdachte sinds het begin van zijn tweede schorsingstoezicht niet is gerecidiveerd en dat hij zich goed aan de afspraken met de reclassering heeft gehouden. De fixatie van verdachte op zijn ex-partner lijkt te zijn afgenomen of zelfs verdwenen. De reclassering heeft geconstateerd dat alcohol mogelijk een grotere rol heeft gespeeld dan eerder ingeschat. Zij acht interventies op dit gebied wenselijk. De reclassering schat het recidiverisico lager in dan voorheen doordat verdachte minder gefocust is op zijn ex-partner en kinderen en hij daarnaast geschrokken is van de opheffing van de schorsing van de voorlopige hechtenis en enkelband. De reclassering adviseert een straf met oplegging van bijzondere voorwaarden.
Verdachte heeft ter terechtzitting aangegeven dat het reclasseringstoezicht goed verloopt en dat hij weer aan het werk is. Hij heeft zich bereid verklaard tot naleving van de geadviseerde voorwaarden.
De strafmaat
De rechtbank is gelet op de aard en intensiteit van de belaging en de straffen die hiervoor in vergelijkbare zaken worden opgelegd van oordeel dat de door de officier van justitie gevorderde straf in dit geval passend en geboden is. De rechtbank ziet echter geen noodzaak om naast de voorwaardelijke gevangenisstraf nog een vrijheidsbeperkende maatregel op te leggen zoals bedoeld in artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht. Naar het oordeel van de rechtbank kan met het oog op het voorkomen van recidive worden volstaan met het opleggen van een voorwaardelijke gevangenisstraf als afschrikkingsmiddel. Hierbij komt doorslaggevende betekenis toe aan het reclasseringsadvies waarin naar voren is gekomen dat het toezicht goed verloopt en dat bij verdachte de fixatie op aangeefster lijkt te zijn afgenomen, hetgeen heeft geleid tot een lagere inschatting van het recidiverisico.
De rechtbank komt, alles afwegende, tot oplegging van de volgende straf:
- een gevangenisstraf voor de duur van 160 dagen waarvan 120 dagen voorwaardelijk met een proeftijd
van 3 jaren;
  • met aan het voorwaardelijke deel de bijzondere voorwaarden overeenkomstig het reclasseringsadvies;
  • een taakstraf voor de duur van 150 uren.

In beslag genomen goederen

De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft de verbeurd verklaring van de volgende in beslag genomen goederen gevorderd:
  • 1 STK Telefoon Samsung Galaxy S23 met goednummer: PL0100-2025282348-1875865;
  • 1 STK Ring deurbel met goednummer: PL0100-2025282348-1875906;
  • 1 STK Ring deurbel met goednummer: PL0100-2025282348-1875966.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft om teruggave van verdachte zijn telefoon verzocht.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank zal de volgende goederen verbeurd verklaren:
  • 1 STK Ring deurbel met goednummer: PL0100-2025282348-1875906;
  • 1 STK Ring deurbel met goednummer: PL0100-2025282348-1875966.
nu het goederen betreffen met betrekking tot welke het feit is begaan.
Zij zal de teruggave gelasten aan verdachte van het volgende goed:
1. STK Telefoon Samsung Galaxy S23, goednummer: PL0100-2025282348-1875865.
Hoewel dit bovengenoemde goed verdachte dienstig is geweest bij het bewezenverklaarde, is de rechtbank van oordeel dat de telefoon aan verdachte dient te worden teruggegeven, omdat daar ook belangrijke persoonlijke gegevens op staan. Hierbij laat de rechtbank meewegen dat de telefoon enkel in samenwerking met de ring deurbellen werd gebruikt en deze verbeurd worden verklaard.
Benadeelde partij
[slachtoffer] heeft zich als benadeelde partij in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Gevorderd wordt een bedrag van 522,68 ter vergoeding van materiële schade en 4.000 ter vergoeding van immateriële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering in haar geheel toegewezen kan worden met vermeerdering van de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft gelet op de bepleite partiële vrijspraak voor het beschadigen van de kleding zich op het standpunt gesteld dat de gevorderde materiële schade niet voor toewijzing vatbaar is. Hij heeft met betrekking tot de gestelde immateriële schade het standpunt ingenomen dat deze gematigd dient te worden naar een bedrag van 2000,-.
Het oordeel van de rechtbank
Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk dat de benadeelde partij de gestelde materiële schade heeft geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het bewezenverklaarde. De rechtbank acht namelijk bewezen dat verdachte aangeefster haar kleding heeft beschadigd. Deze schadepost zal daarom worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 20 december 2025.
De rechtbank heeft de gestelde immateriële schade vergeleken met bedragen dat in vergelijkbare gevallen wordt toegewezen. De rechtbank zal de vordering tot een bedrag van 3.000,- toewijzen en de vordering voor het meer gevorderde afwijzen.
De rechtbank zal dus in totaal een bedrag van 3.522,68 toewijzen.
Nu de aansprakelijkheid van verdachte vaststaat, zal de rechtbank de schadevergoedingsmaatregel opleggen om te bevorderen dat verdachte de schade zal vergoeden.
De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 33, 33a, 36f en 285b van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel
ten tijde van deze uitspraak gelden.

Uitspraak

De rechtbank

Verklaart het ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.
Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.
Veroordeelt verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 160 (honderdenzestig) dagen.

Bepaalt dat van deze gevangenisstraf
een gedeelte, groot 120 (honderdentwintig) dagen,niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond, dat de veroordeelde zich voor het einde van
de proeftijd, die hierbij wordt vastgesteld op
3 (drie) jaren, aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt of gedurende die proeftijd de hierna te noemen voorwaarden niet heeft nageleefd.
Beveelt dat de tijd die de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf, geheel in mindering zal worden gebracht.
Voorwaarde is, dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig zal maken aan een strafbaar feit.
Stelt als bijzondere voorwaarden:

Meldplicht bij de reclassering

1. Dat veroordeelde zich gedurende de proeftijd meldt op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken zijn. De reclassering zal contact met veroordeelde opnemen voor de eerste afspraak.

Ambulante behandeling

2. Dat veroordeelde zich gedurende de proeftijd, of zoveel korter als de reclassering nodig vindt, laat behandelen door een instelling, te bepalen door de reclassering. De behandeling start zodra hier plek voor is bij de instelling. Het alcoholgebruik van veroordeelde zal één van de onderwerpen van gesprekken in deze behandelingen zijn. De zorgverlener bepaalt de wijze van behandeling.

Beheersing middelengebruik

3. Dat veroordeelde gedurende de proeftijd meewerkt aan controles om zicht te krijgen op het gebruik en/of het gebruik te leren beheersen van alcohol. Deze controles bestaan uit een urineonderzoek. De reclassering bepaalt hoe vaak en met welk controlemiddel wordt gecontroleerd.

Contactverbod (tenzij toestemming reclassering)

4. Dat veroordeelde gedurende de proeftijd op geen enkele wijze direct of indirect contact zoekt of heeft met aangeefster [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum] 1982, tenzij de reclassering toestemming heeft gegeven voor het contact. Het contact met de kinderen zal verlopen via betrokken instanties en na goedkeuring van de reclassering.

Locatieverbod (met elektronisch toezicht)

5. Dat veroordeelde zich niet in een straal van 5 kilometer om de woonplaats Hurdegaryp (zie de kaart hieronder) bevindt. Veroordeelde werkt mee aan elektronische monitoring op dit locatieverbod. Dit locatieverbod middels elektronisch toezicht geldt voor de duur van zes maanden, of zoveel korter als de reclassering dat nodig acht. Op het moment dat aangeefster een nieuwe woning heeft gevonden en veroordeelde terug kan keren naar zijn eigen woning, vervalt het locatieverbod voor zijn woonplaats in Hurdegaryp. Veroordeelde gaat niet naar het buitenland zonder toestemming van de reclassering, omdat het voor de elektronische monitoring nodig is dat betrokkene in Nederland blijft. Het Openbaar Ministerie kan op verzoek van de reclassering dit locatieverbod (deels) laten vervallen.
Geeft aan voornoemde reclasseringsinstelling de opdracht als bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.
Voorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde:
- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of
meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van Pro de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;
- medewerking zal verlenen aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het
Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zo lang als de reclassering dit noodzakelijk acht, daaronder begrepen.

een taakstraf voor de duur van 150 uren.

Beveelt dat voor het geval de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis voor de duur van 75 dagen zal worden toegepast.

Verklaart verbeurd:

  • 1 STK Ring deurbel met goednummer: PL0100-2025282348-1875906;
  • 1 STK Ring deurbel met goednummer: PL0100-2025282348-1875966.

Gelast teruggave aan verdachte:

1. STK Telefoon Samsung Galaxy S23 met goednummer: PL0100-2025282348-1875865.
Heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van 30 maart 2026.
Vordering van de benadeelde partij
Wijst de vordering van de benadeelde partij
[slachtoffer]gedeeltelijk toe en veroordeelt verdachte om aan [slachtoffer] te betalen:
  • het bedrag van 3.522,68 (zegge: drieduizend vijfhonderd en tweeëntwintig euro en achtenzestig eurocent);
  • de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 20 december 2025 tot de dag van algehele voldoening;
  • de proceskosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog zal maken, tot heden begroot op nihil.
Wijst ten aanzien van de immateriële schade het meer gevorderde af.
Legt aan verdachte de verplichting op om ten behoeve van [slachtoffer] aan de Staat te betalen een bedrag van 3.522,68 (zegge: drieduizend vijfhonderd en tweeëntwintig euro en achtenzestig eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 20 december 2025 tot de dag van algehele voldoening. Dit bedrag bestaat uit 522,68 aan materiële schade en 3.000 aan immateriële schade.
Bepaalt dat bij gebreke van volledig verhaal van de betalingsverplichting aan de Staat gijzeling voor de duur van 35 dagen kan worden toegepast. De toepassing van gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.
Bepaalt dat als verdachte voldoet aan de betalingsverplichting aan de benadeelde partij of aan de Staat, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd van de betalingsverplichting aan beiden.
Dit vonnis is gewezen door mr. A. Dijkstra, voorzitter, mr. M.M. Spooren en
mr. O.F. Brouwer, rechters, bijgestaan door mr. J.K. Qiu, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 30 maart 2026.