Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBNNE:2026:1054

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
17 maart 2026
Publicatiedatum
1 april 2026
Zaaknummer
26/564 en 25/2671
Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening+bodemzaak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 60 lid 3 ParticipatiewetArt. 120 GrondwetArt. 475dc lid 1 RvArt. 475c lid 1 RvArt. 8:86 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

College mag maandelijks 5% van bijstandsnorm inclusief vakantiegeld inhouden bij terugvordering

Eiseres ontvangt sinds april 2024 een bijstandsuitkering en heeft een schuld aan het college van burgemeester en wethouders van Emmen vanwege een terugvordering. Het college houdt maandelijks 5% van de bijstandsnorm inclusief vakantiegeld in, wat eiseres betwist en verzoekt om aanpassing naar het vrij te laten bedrag (VTLB). Het college wees dit verzoek af, waarna eiseres beroep instelde en tevens een voorlopige voorziening vroeg.

De voorzieningenrechter stelt vast dat geen schuldregelingstraject of WSNP van toepassing is en dat het college bevoegd is om de terugvordering te verrekenen met de bijstand, rekening houdend met de beslagvrije voet. Het college hanteert beleidsregels waarbij het aflossingsbedrag 10% van de bijstandsnorm bedraagt, maar om te voorkomen dat de uitkering onder de beslagvrije voet komt, wordt het vakantiegeld maandelijks uitbetaald en het aflossingsbedrag beperkt tot 5%.

Hoewel het college erkent dat het uitgangspunt van 10% strijdig is met het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, vernietigt de voorzieningenrechter het besluit niet omdat het college niet meer inhoudt dan de beslagvrije voet toestaat. Eiseres beroept zich op het evenredigheidsbeginsel, maar de rechter oordeelt dat geen bijzondere omstandigheden zijn die een afwijking rechtvaardigen. Het beroep wordt ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen.

Uitkomst: Het beroep van eiseres wordt ongegrond verklaard en het college mag maandelijks 5% van de bijstandsnorm inclusief vakantiegeld inhouden.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummers: LEE 26/564 (voorlopige voorziening) en 25/2671 (beroep)
uitspraak van de voorzieningenrechter van 17 maart 2026 op het beroep en het verzoek om voorlopige voorziening in de zaken tussen

[naam uit woonplaats] , eiseres

en

het college van burgemeester en wethouders van Emmen, het college

(gemachtigden: B. Ferrati en E. Bosch-Kiers).

Inleiding en procesverloop

1. Eiseres heeft een schuld aan het college in verband met een terugvordering. Op haar bijstandsuitkering wordt maandelijks een bedrag ingehouden, waarbij rekening wordt gehouden met de beslagvrije voet. Zij heeft verzocht de inhouding aan te passen naar het vrij te laten bedrag (VTLB). Het college heeft deze aanvraag met het besluit van 25 maart 2025 afgewezen. Met het bestreden besluit van 15 juli 2025 op het bezwaar van eiseres is het college bij het toepassen van de beslagvrije voet gebleven.
1.1.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit en de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening.
1.2.
Het college heeft op het verzoek om een voorlopige voorziening gereageerd met een verweerschrift.
1.3.
Eiseres is wegens betalingsonmacht vrijgesteld van de verplichting om griffierecht te betalen in de procedure met kenmerk LEE 26/564.
1.4.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 10 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres en de gemachtigden van het college.
1.5.
Omdat de voorzieningenrechter na afloop van de zitting tot de conclusie is gekomen dat nader onderzoek niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak beslist hij ook op het beroep van eiseres daartegen. [1]

Beoordeling door de voorzieningenrechter

2. Bij zijn beoordeling gaat de voorzieningenrechter uit van de volgende feiten en omstandigheden.
2.1.
Eiseres ontvangt met ingang van 3 april 2024 een bijstandsuitkering. Zij had op dat moment een schuld aan het college in verband met een terugvorderingsbesluit.
2.2.
Met het besluit van 21 juni 2024 heeft het college vanaf 1 juni 2024 het vakantiegeld maandelijks met eiseres’ bijstand uitbetaald. Het college heeft maandelijks 5% van de bijstandsnorm ingehouden.
2.3.
Op 12 maart 2025 heeft eiseres het college verzocht om toepassing van het VTLB met een aflossingscapaciteit van € 1,49.
3. Aan het bestreden besluit heeft het college ten grondslag gelegd dat geen sprake was van een schuldregelingstraject of de WSNP, [2] zodat het VTLB niet aan de orde was. De Beleidsregels Participatiewet gemeente Emmen 2024 (de Beleidsregels) stellen in beginsel het aflossingsbedrag vast op 10% van de bijstandsnorm. Om te voorkomen dat de uitkering maandelijks onder de beslagvrije voet komt, wordt het vakantiegeld maandelijks uitbetaald en bedraagt het aflossingsbedrag 5% van de bijstandsnorm. In april 2025 betekende dat concreet voor eiseres dat op een bijstandsnorm van € 1.345,45 het bedrag van € 67,27 was ingehouden.
4. De vraag die de voorzieningenrechter moet beantwoorden is of het college maandelijks 5% van de bijstandsnorm inclusief vakantiegeld mag inhouden. Hij doet mede aan de hand van de argumenten van eiseres, die hierna zullen worden besproken.
4.1.
Vaststaat dat de WSNP of een schuldregelingstraject niet van toepassing is op eiseres.
4.2.
Het college is bevoegd om de terugvordering te verrekenen met algemene bijstand van eiseres. Dit volgt uit artikel 60, derde lid, van de Participatiewet (PW). Het college moet hierbij rekening houden met de voor betrokkene geldende beslagvrije voet.
4.3.
Bij de invordering en de vaststelling van de hoogte van de aflossingscapaciteit gaat het college uit van de Beleidsregels. In Hoofdstuk 13 van de Beleidsregels is bij Hoogte aflossing/verrekening vorderingen (inkomen bijstandsniveau) het volgende bepaald:
‘Het aflossingsbedrag wordt vastgesteld op 10% van de bijstandsnorm. Om te voorkomen dat de uitkering maandelijks onder de beslagvrije voet komt, wordt het vakantiegeld maandelijks uitbetaald. Als de uitkering dan nog onder de beslagvrije voet komt, wordt de beslagvrije voet gehanteerd.’
4.4.
Op de zitting heeft het college erkend dat het uitgangspunt van 10% in strijd is met hetgeen hierover in het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) [3] is bepaald en dat de beleidsregels in dat opzicht veranderd dienen te worden. De voorzieningenrechter ziet echter geen reden om het bestreden besluit om die reden te vernietigen. Het college heeft namelijk de beslagvrije voet op 95% van de voor eiseres geldende bijstandsnorm inclusief vakantietoeslag bepaald. [4] Het college heeft dus niet méér verrekend dan volgens de beslagvrije voet mag en heeft het bepaalde in de beleidsregels niet toegepast.
5. De voorzieningenrechter wijst eiseres’ verzoek om de verrekeningen die hebben plaatsgevonden alsnog uit te laten betalen af, omdat het college deze conform de beslagvrije voet heeft verrekend.
6. Eiseres heeft een beroep gedaan op het evenredigheidsbeginsel en betoogt dat haar inkomen vanaf 2018 tot en met 2024 ver beneden het bijstandsniveau lag en zij andere schulden aflost.
6.1.
De beslagvrije voet vloeit dwingend voort uit een wet in formele zin. Naar de huidige stand van de rechtsontwikkeling staat het toetsingsverbod van artikel 120 van Pro de Grondwet in zijn algemeenheid in de weg aan toetsing aan algemene rechtsbeginselen zoals het evenredigheidsbeginsel. Dit is slechts anders indien sprake is van bijzondere omstandigheden die niet of niet ten volle zijn verdisconteerd in de afweging van de wetgever, waardoor aanleiding kan bestaan om tot een andere uitkomst te komen dan waartoe toepassing van de wettelijke bepalingen leidt. Dat is het geval indien die niet verdisconteerde bijzondere omstandigheden de toepassing van de wettelijke bepalingen zozeer in strijd doen zijn met algemene rechtsbeginselen of (ander) ongeschreven recht dat die toepassing achterwege moet blijven. [5]
6.2.
In dit geval zijn er geen bijzondere omstandigheden af te leiden die niet of niet ten volle zijn verdisconteerd in de afweging van de wetgever. Op 1 januari 2021 is de Wet vereenvoudiging beslagvrije voet (Wvbvv) in werking getreden. Het doel van de Wvbvv is vereenvoudiging van de berekening van de beslagvrije voet, waarbij oog is voor de financiële belangen van de schuldeiser. De wetgever verwacht dat schuldenaren hun financiële verplichtingen nakomen en dat het college 5% van de voor betrokkene geldende bijstandsnorm inclusief vakantiebijslag beschikbaar stelt voor aflossing van de schulden. Met een beslagvrije voet van 95% van het netto-inkomen inclusief vakantiebijslag heeft de wetgever aangesloten bij de norm die de NVVK [6] hanteerde in een minnelijke schuldregeling, als de schuldenaar op basis van het voor hem geldende vrij te laten bedrag niet over afloscapaciteit blijkt te beschikken. [7]
6.3.
Daarbij overweegt de voorzieningenrechter dat eiseres niet weersproken heeft dat zij zelf een betalingsregeling heeft getroffen voor haar huurschuld. Daarnaast betwist eiseres een vordering, waardoor een schuldsaneringsregeling tot tweemaal niet tot stand is gekomen. Dit komt voor rekening en risico van eiseres.
7. Hetgeen eiseres aangevoerd heeft over de gemiste bijstand over de periode vóór 2025 en de afgewezen kwijtschelding, waartegen beroep is ingesteld, valt buiten de omvang van dit geding. Dat geldt tevens de opmerkingen van eiseres dat de schuld aan de gemeente is ontstaan door toedoen van het college.

Conclusie en gevolgen

8. Het beroep is ongegrond. Dit betekent dat de verrekening zoals het college die bij besluit van 15 juli 2025 heeft vastgesteld, in stand blijft. Omdat het beroep ongegrond is, is er geen aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen. Eiseres krijgt daarom het griffierecht in beroep niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

De voorzieningenrechter:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. H.J. Bastin, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. O.J.J.C. Koopmans, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 17 maart 2026.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak voor zover deze gaat over het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak voor zover deze gaat over het beroep. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Tegen deze uitspraak voor zover deze gaat over de voorlopige voorziening staat geen hoger beroep open.

Voetnoten

1.Artikel 8:86 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.
2.Wet schuldsanering natuurlijke personen als bedoeld in titel III van de Faillissementswet.
3.In het Tweede Boek, Tweede titel, Tweede afdeling van het Rv.
4.Op grond van artikel 475dc, eerste lid, van het Rv in samenhang met artikel 475c, eerste lid, aanhef en onder a van het Rv. Zie de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 4 augustus 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:1525, r.o. 4.11.
5.Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 1 maart 2023, ECLI:NL:RVS:2023:772, r.o. 9.11 e.v.
6.Nederlandse Vereniging van Volkskredieten.
7.Kamerstukken II 2016-2017, 34 628, nr. 3, p. 5, 11-12.