Eiseres ontvangt sinds april 2024 een bijstandsuitkering en heeft een schuld aan het college van burgemeester en wethouders van Emmen vanwege een terugvordering. Het college houdt maandelijks 5% van de bijstandsnorm inclusief vakantiegeld in, wat eiseres betwist en verzoekt om aanpassing naar het vrij te laten bedrag (VTLB). Het college wees dit verzoek af, waarna eiseres beroep instelde en tevens een voorlopige voorziening vroeg.
De voorzieningenrechter stelt vast dat geen schuldregelingstraject of WSNP van toepassing is en dat het college bevoegd is om de terugvordering te verrekenen met de bijstand, rekening houdend met de beslagvrije voet. Het college hanteert beleidsregels waarbij het aflossingsbedrag 10% van de bijstandsnorm bedraagt, maar om te voorkomen dat de uitkering onder de beslagvrije voet komt, wordt het vakantiegeld maandelijks uitbetaald en het aflossingsbedrag beperkt tot 5%.
Hoewel het college erkent dat het uitgangspunt van 10% strijdig is met het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, vernietigt de voorzieningenrechter het besluit niet omdat het college niet meer inhoudt dan de beslagvrije voet toestaat. Eiseres beroept zich op het evenredigheidsbeginsel, maar de rechter oordeelt dat geen bijzondere omstandigheden zijn die een afwijking rechtvaardigen. Het beroep wordt ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen.