ECLI:NL:RBNNE:2026:1061
Rechtbank Noord-Nederland
- Op tegenspraak
- W.S. Sikkema
- H.C.L. Vreugdenhil
- M. van der Veen
- Rechtspraak.nl
Ontneming wederrechtelijk verkregen voordeel uit hennepkwekerij
In deze zaak vorderde de officier van justitie ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel van veroordeelde, voortvloeiend uit een hennepkwekerij. De rechtbank behandelde de zaak op 13 maart 2026 en baseerde haar oordeel op het vonnis van 27 maart 2026, proces-verbalen en verklaringen van veroordeelde.
De officier van justitie schatte het voordeel op €55.691,56, uitgaande van drie oogsten en een 50/50 verdeling met de medeverdachte. De verdediging stelde dat slechts twee oogsten van 280 planten plaatsvonden, waarvan één oogst onverkoopbaar was en vernietigd, zodat geen voordeel was genoten.
De rechtbank oordeelde dat veroordeelde wel degelijk voordeel had genoten, omdat de eerste oogst niet onverkoopbaar was en de tweede oogst in beslag was genomen. Op basis van het rapport van het Functioneel Parket Afpakken en de verklaringen werd het wederrechtelijk verkregen voordeel berekend op €25.421,72, gedeeld door twee vanwege de verdeling met de medeverdachte.
De rechtbank legde veroordeelde een betalingsverplichting van €12.710,86 op aan de staat en bepaalde de maximale gijzeling op 88 dagen. De uitspraak werd gedaan door de meervoudige strafkamer van de rechtbank Noord-Nederland op 27 maart 2026.
Uitkomst: Veroordeelde is verplicht €12.710,86 aan de staat te betalen ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.