ECLI:NL:RBNNE:2026:1063
Rechtbank Noord-Nederland
- Op tegenspraak
- W.S. Sikkema
- H.C.L. Vreugdenhil
- M. van der Veen
- Rechtspraak.nl
Ontneming wederrechtelijk verkregen voordeel uit hennepkwekerij vastgesteld op €12.710,86
In deze zaak vorderde de officier van justitie ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel van veroordeelde, voortvloeiend uit een hennepkwekerij. De officier schatte het voordeel op €80.526,56, gebaseerd op drie oogsten, terwijl de rechtbank een kortere periode en minder oogsten aannam.
De verdediging betwistte de omvang van het voordeel en stelde dat veroordeelde geen winst had ontvangen, omdat hij pas betrokken was nadat de eerste oogst al was verdwenen. De rechtbank baseerde haar oordeel op het vonnis in de onderliggende strafzaak, verklaringen van medeveroordeelde en een rapport van het Functioneel Parket Afpakken.
De rechtbank concludeerde dat veroordeelde voordeel had genoten over de periode van 1 september 2023 tot 13 februari 2024, uitgaande van één oogst van 280 planten. De totale opbrengst werd berekend op €31.566,92, met aftrek van kosten van €6.145,20, resulterend in een totaal wederrechtelijk verkregen voordeel van €25.421,72.
Gezien de afspraak tussen veroordeelde en medeveroordeelde om de opbrengst gelijk te verdelen, werd het voordeel toegerekend aan veroordeelde op €12.710,86. De rechtbank legde hem de verplichting op dit bedrag aan de staat te betalen en bepaalde de maximale gijzelingstermijn op 88 dagen.
De uitspraak werd gedaan door de meervoudige strafkamer van de rechtbank Noord-Nederland op 27 maart 2026.
Uitkomst: Veroordeelde is verplicht tot betaling van €12.710,86 aan de staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.