Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBNNE:2026:1108

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
31 maart 2026
Publicatiedatum
7 april 2026
Zaaknummer
11905316 \ CV EXPL 25-6062
Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:625 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Betaling loon en wettelijke verhoging bij te late loonbetaling en verrekening voorschot

De werknemer trad in juli 2022 in dienst bij de werkgever en had een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd. De werkgever betaalde het loon over mei, juni en juli 2025 niet tijdig en niet volledig, wat leidde tot een geschil over betaling van achterstallig loon, wettelijke verhogingen en vakantiegeld.

De werknemer vorderde betaling van het resterende loon over juni 2025, de wettelijke verhoging van 50% over de maanden mei, juni en juli 2025, wettelijke rente, en een bonus van €800,00 bruto. De werkgever erkende de te late betalingen maar stelde dat de financiële problemen aanleiding gaven tot matiging van de wettelijke verhoging en vorderde betaling van een voorschot van €600,00 netto dat zij aan de werknemer had verstrekt.

De kantonrechter oordeelde dat de werkgever het loon niet tijdig had betaald en dat de wettelijke verhoging verschuldigd was, maar matigde deze tot 20% vanwege de financiële situatie van de werkgever. De vordering tot betaling van de bonus werd afgewezen omdat de uitbetaling afhankelijk was gesteld van een 'financial close' die nog niet had plaatsgevonden. De werkgever mocht het voorschot van €600,00 netto verrekenen. Proceskosten werden verdeeld conform de uitkomst.

Uitkomst: Werkgever moet achterstallig loon, wettelijke verhoging van 20% en rente betalen; werknemer moet voorschot en vakantiegeldverrekening terugbetalen; bonusbetaling afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Groningen
Zaaknummer: 11905316 \ CV EXPL 25-6062
Vonnis van 31 maart 2026
in de zaak van
[eiser],
wonende te [woonplaats] ,
eiser in conventie,
verweerder in reconventie,
hierna te noemen: [eiser] ,
gemachtigde: mr. P. Rijnsburger,
tegen
de besloten vennootschap
[gedaagde] B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
gedaagde in conventie,
eiseres in reconventie,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
gemachtigde: mr. M.T.J. Moorman.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding;
- de conclusie van antwoord in conventie tevens houdende een eis in reconventie;
- de conclusie van repliek in conventie tevens antwoord in reconventie;
- de conclusie van dupliek in conventie tevens repliek in reconventie;
- de conclusie van dupliek in reconventie.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
[eiser] is met ingang van 5 juli 2022 in dienst getreden van [gedaagde] in de functie van [functie] op basis van een arbeidsovereenkomst voor de duur van een jaar, gedurende 32 uren per week. De arbeidsovereenkomst is na het verstrijken van het eerste jaar voor een jaar verlengd en vervolgens na afloop van het tweede jaar voor onbepaalde tijd voortgezet. Het laatstelijk door [eiser] genoten loon bedroeg € 2.400,00 bruto per maand. In artikel 4 van Pro de arbeidsovereenkomst is bepaald dat het loon over een maand telkens voor de 10e van de opvolgende maand wordt uitbetaald.
2.2.
Op 22 november 2023 heeft een werkoverleg bij [gedaagde] plaatsgevonden. In het daarvan opgemaakte verslag staat onder meer vermeld:
"(…) [naam] nodigt ons uit om de begroting in te zien, als we daar behoefte aan hebben. Ze vult deze opmerking aan met de mededeling dat wij volgend jaar een bonus krijgen voor onze inzet zodra de financial close Assen rond is. Het betreft een bonus a € 1.000,- bij een fulltime aanstelling. De hoogte van de bonus hangt af van het aantal uur dat je werkt. De bonus staat namelijk al in de begroting, dus ze kon het beter gelijk zeggen, dan dat iemand dat onverwacht tegenkwam :-). Het team waardeerde de uitleg en de bonus! (…)"
2.3.
[eiser] heeft [gedaagde] op 27 november 2024 verzocht om betaling van een voorschot van € 600,00 om rijlessen en examens voor het behalen van zijn autorijbewijs te kunnen bekostigen. [gedaagde] heeft dit verzoek geaccordeerd. [gedaagde] heeft het gevraagde voorschot dezelfde dag nog aan [eiser] betaald. Partijen hebben hierover als volgt gecorrespondeerd:
- een e-mail van [eiser] aan [gedaagde] van 27 november 2024:
"(…) Allereerst heb ik een vraag over het voorschieten van het geld voor mijn rijbewijs. Zoals je gemerkt hebt ben ik al weer begonnen met rijden maar de realiteit is dat:
Ik nog lessen moet betalen die ik al heb gedaan.
Ik lessen moet betalen die ik nog ga doen.
Mijn vorige examen moet ik nog betalen en
Er komt nog een examen aan dat ik moet betalen.
Al met al kom ik rond ca. 1000 euro die ik nog moet betalen. Een deel ervan wil ik graag zelf maar een deel ervan kan ik niet zomaar ophoesten. Het lijkt mij een goed idee om ca. 2/3 te laten voorschieten van uit mijn vakantiegeld dat ik de rest zelf betaal. Het heeft en klein beetje haast want ik moet deze week een deel van de lessen betalen die ik nu aan het doen ben. Ik zou graag 600 euro willen laten voorschieten van uit mijn vakantiegeld.
Uiteindelijk komt er nog een bonus aan van de A28 waaruit ik mijn vakantiegeld weer wil aanvullen zodat ik in mei nog een vakantie kan boeken. Dit kan ik t.z.t. Regelen door het geld van de bonus apart te zetten of dat het pas uitbetaald wordt als ik de rest van het vakantiegeld ook krijg.
Laat me weten wat je ervan vindt en of het mogelijk is. (…)"
- een e-mail van [gedaagde] aan [eiser] van 27 november 2024:
"Helemaal prima om het zo te doen. Ik heb zojuist het voorschot overgemaakt. En of dat dan verrekend wordt met het vakantiegeld of de bonus, dat maakt dan ook niet zoveel uit. Dat komt. (…)"
2.4.
[eiser] is met ingang van 31 mei 2025 door [gedaagde] vrijgesteld van arbeid met behoud van loon. Na de vrijstelling van arbeid is tussen partijen discussie ontstaan over te late loonbetalingen door [gedaagde] . Hierover is tussen partijen herhaaldelijk gecorrespondeerd.
2.5.
[gedaagde] was over de maand mei 2025 een totaalbedrag van € 3.690,73 netto aan [eiser] verschuldigd. Dit bedrag is opgebouwd uit loon, vermeerderd met het opgebouwde vakantiegeld. Het bedrag had uiterlijk op 9 juni 2025 aan [eiser] moeten worden betaald. [gedaagde] heeft het bedrag uiteindelijk in vier gedeelten aan [eiser] betaald:
- op 7 juli 2025 € 500,00 netto
- op 22 juli 2025 € 750,00 netto
- op 3 augustus 2025 € 750,00 netto
- op 6 augustus 2025 € 1.690,73 netto
2.6.
Partijen hebben op 23 juni 2025 een vaststellingsovereenkomst gesloten ter beëindiging van hun arbeidsrelatie per 1 augustus 2025. In deze vaststellingsovereenkomst is onder meer bepaald:
"(…)
2. Beëindiging arbeidsovereenkomst
Het dienstverband eindigt met wederzijds goedvinden per 1 augustus 2025.
Werknemer is vrijgesteld van werk per 31 mei 2025, na nette overdracht van lopende projecten, met behoud van salaris en overige arbeidsvoorwaarden tot de einddatum. Hij blijft tot eind contractdatum beschikbaar voor overleg als collega's dat nodig hebben.
Werkgever betaalt werknemer gedurende de maand juli het gebruikelijke loon en overige arbeidsvoorwaarden. De wettelijke transitievergoeding wordt hiermee geacht te zijn voldaan en is niet separaat verschuldigd.
Werkgever stelt uiterlijk een maand na de einddatum een financiële eindafrekening op met daarin vakantiegeld, vakantiedagen en eventuele overige verrekeningen.
(…)
6. Finale kwijting
Na correcte uitvoering van deze overeenkomst hebben partijen niets meer van elkaar te vorderen, met uitzondering van op het moment van uit dienst gaan nog niet uitbetaalde verloningen.
Deze aanspraken blijven behouden tot aan volledige uitbetaling daarvan. Voor het overige verlenen partijen elkaar finale kwijting. (…)"
2.7.
[gedaagde] was over de maand juni 2025 het netto-equivalent van het bruto maandloon van € 2.400,00 aan [eiser] verschuldigd, zijnde een bedrag van € 2.256,24 netto. Dit bedrag had uiterlijk op 9 juli 2025 aan [eiser] moeten worden betaald. De loonstrook van de maand juni 2025 vermeldt een onjuiste reservering van vakantiegeld, namelijk
€ 119,54 bruto in plaats van € 192,00 bruto (8% van € 2.400,00). Verder heeft abusievelijk via deze loonstrook een verrekening plaatsgevonden van 59,81 negatieve verlofuren, omdat de accountant er op dat moment vanuit ging dat [eiser] per 1 juli 2025 uit dienst zou treden.
[gedaagde] heeft op 13 augustus 2025 een bedrag van € 1.708,08 netto aan [eiser] uitbetaald. Dit bedrag komt overeen met het bedrag dat op de loonstrook van juni 2025 vermeld staat.
2.8.
Over de maand juli 2025 was [gedaagde] hetzelfde nettoloon als over de maand juni 2025 aan [eiser] verschuldigd, zijnde een bedrag van € 2.256,24 netto. Dit bedrag had uiterlijk op 9 augustus 2025 aan [eiser] moeten worden betaald. Het bedrag is op 22 augustus 2025 als onderdeel van de eindafrekening van het dienstverband aan [eiser] voldaan.

3.Het geschil

in conventie
3.1.
[eiser] vordert - na (voorwaardelijke) vermeerdering van eis - dat de kantonrechter, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:
I. [gedaagde] veroordeelt tot betaling, wegens te late betaling, van de wettelijke verhoging van 50% van zijn brutoloon over de maand mei 2025, in totaal een bedrag van
€ 2.462,16;
II. [gedaagde] veroordeelt tot betaling van het achterstallige brutoloon over de maand juni 2025, vermeerderd met het over die maand correct te berekenen bedrag aan vakantiegeld, in totaal een bedrag van € 2.592,00 bruto, verminderd met het bruto equivalent van het netto reeds aan [eiser] betaalde bedrag van € 1.709,08, over te maken binnen één week na het in dezen te wijzen vonnis;
III. [gedaagde] veroordeelt tot betaling van de wettelijke verhoging van 50% over het bruto equivalent van het over de maand juni 2025 te laat betaalde nettobedrag, alsook de wettelijke verhoging van het over de maand juli 2025 te laat betaalde bedrag;
IV. [gedaagde] veroordeelt tot betaling van de wettelijke rente over de onder I., II. en III. gevorderde bedragen, onder aftrek van het bedrag dat reeds aan [eiser] is betaald;
V. [gedaagde] veroordeelt tot betaling van de aan [eiser] nog toekomende vergoeding voor opgebouwde, maar niet opgenomen vakantiedagen, in totaal een bedrag van € 694,32, over te maken binnen één week na het in dezen te wijzen vonnis;
VI. voor zover [eiser] wordt veroordeeld tot betaling van de bedragen zoals gevorderd bij (voorwaardelijke) eis in reconventie, [gedaagde] veroordeelt tot betaling van het netto-equivalent van een bedrag van € 800,00 bruto, zijnde de bonus voor 2024, te voldoen binnen zeven dagen na het in dezen te wijzen vonnis;
VII. [gedaagde] in de proceskosten veroordeelt, waaronder het salaris gemachtigde, rechtstreeks te betalen aan gemachtigde.
3.2.
[gedaagde] concludeert primair tot afwijzing van de vorderingen van [eiser] en subsidiair tot matiging van de gevorderde wettelijke verhogingen tot nihil, althans een door de kantonrechter in goede justitie te bepalen bedrag, met veroordeling van [eiser] - bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad - in de proceskosten.
in voorwaardelijke reconventie
3.3.
[gedaagde] vordert dat de kantonrechter, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, [eiser] veroordeelt tot betaling van € 600,00 netto alsmede het netto-equivalent van
€ 327,61 bruto, te voldoen binnen zeven dagen na het in dezen te wijzen vonnis, met veroordeling van [eiser] in de proceskosten.
3.4.
[eiser] concludeert tot toewijzing van het gevorderde bedrag van € 327,61 bruto en tot afwijzing van het voor het overige gevorderde, met veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten.

4.De beoordeling

in conventie en in reconventie
4.1.
Gelet op de nauwe samenhang tussen de vorderingen in conventie en in reconventie zal de kantonrechter deze vorderingen hierna gezamenlijk behandelen.
het resterende loon over de maand juni 2025
4.2.
De kantonrechter overweegt als volgt. Vast staat dat aan [eiser] over de maand juni 2025 een nettoloon van € 2.256,24 toekwam en dat [gedaagde] over deze maand niet het volledige loon aan [eiser] heeft betaald, namelijk (slechts) een bedrag van € 1.708,08 netto. Dat betekent dat aan [eiser] per saldo nog een bedrag van € 548,46 netto toekomt. De daartoe strekkende vordering van [eiser] in conventie is dan ook toewijsbaar. [eiser] heeft gevorderd dat het achterstallige loon binnen één week na dit vonnis dient te worden voldaan. Hij heeft echter niet onderbouwd waarop deze termijn berust, zodat dit onderdeel van het gevorderde zal worden afgewezen.
de wettelijke verhoging over de maanden mei, juni en juli 2025
4.3.
[eiser] legt aan deze vordering ten grondslag dat [gedaagde] het loon over de maanden mei, juni en juli 2025 niet (volledig) althans niet tijdig aan hem heeft voldaan. In verband hiermee is [gedaagde] de wettelijke verhoging over het te laat betaalde loon verschuldigd geworden. Over de maanden mei en juni 2025 is de maximale wettelijke verhoging van 50% verschuldigd. De door [gedaagde] geschetste financiële omstandigheden van haar onderneming vormen naar de mening van [eiser] geen grond voor matiging van de gevorderde wettelijke verhoging. Deze omstandigheden liggen geheel in de risicosfeer van [gedaagde] althans zijn aan haar toe te rekenen, terwijl [eiser] nimmer heeft ingestemd met te late betaling van zijn loon. [gedaagde] wist ook, althans kon weten, dat de te late betaling van het loon [eiser] in financiële problemen zou brengen. Hij hoeft niet op te draaien voor onbehoorlijk financieel beleid of bestuur.
4.4.
[gedaagde] erkent dat zij het loon over de hiervoor genoemde maanden niet (volledig) althans niet tijdig aan [eiser] heeft voldaan. Gelet op de omstandigheden in deze zaak bestaat er naar de mening van [gedaagde] aanleiding om de gevorderde wettelijke verhoging te matigen tot nihil althans tot een lager percentage dan door [eiser] is gevorderd. In dat verband wijst zij op de slechte financiële situatie van de onderneming, waardoor zij niet in staat was om het loon tijdig te betalen. Hoewel het loon met vertraging is voldaan, kan hiervan aan [gedaagde] geen verwijt worden gemaakt. Zij is vanaf het begin open en transparant geweest over haar financiële problemen. Ook heeft [gedaagde] zich aantoonbaar ingespannen om aan haar betalingsverplichtingen te voldoen, door het doen van deelbetalingen aan [eiser] zodra zij daartoe de mogelijkheid had. Ook heeft zij betalingsregelingen aan [eiser] voorgesteld. Omdat er sprake was van betalingsonmacht en niet van betalingsonwil, is het niet redelijk om de gevorderde wettelijke verhoging toe te wijzen, aldus [gedaagde] .
4.5.
De kantonrechter overweegt als volgt. Vast staat dat [gedaagde] het verschuldigde loon over de maanden mei, juni en juli 2025 niet volledig althans niet tijdig aan [eiser] heeft voldaan. Het niet (tijdig) voldoen van het loon is naar het oordeel van de kantonrechter aan [gedaagde] toe te rekenen. De door haar geschetste financiële problemen liggen in haar risicosfeer. Dit brengt ingevolge artikel 7:625 lid 1 Burgerlijk Pro Wetboek (hierna: BW) mee dat [gedaagde] de wettelijke verhoging over het niet tijdig betaalde loon over deze maanden aan [eiser] verschuldigd is geworden. Niet in geschil is dat [gedaagde] over het loon over de maanden mei en juni 2025 de maximale wettelijke verhoging van 50% verschuldigd is geworden. Voorts is [gedaagde] met betrekking tot het loon over de maand juli 2025 de wettelijke verhoging verschuldigd geworden over de periode van 13 tot 22 augustus 2025. [1]
4.6.
De kantonrechter kan de wettelijke verhoging echter beperken tot zodanig bedrag als haar met het oog op de omstandigheden van het geval billijk voorkomt. Tot deze omstandigheden kunnen behoren het motief van de werkgever voor de niet tijdige voldoening en de financiële omstandigheden van de werkgever. Naar het oordeel van de kantonrechter bestaat er in het onderhavige geval grond voor matiging van de gevorderde wettelijke verhoging. Daartoe is redengevend dat [gedaagde] voldoende onderbouwd heeft gesteld- en niet door [eiser] is betwist - dat de financiële positie van de onderneming in de betreffende periode dusdanig slecht was dat zij niet in staat was om het loon van [eiser] tijdig te voldoen. Enerzijds behoren deze financiële omstandigheden tot haar ondernemersrisico, maar anderzijds is het hoewel onjuist wel te begrijpen dat [gedaagde] in de gegeven omstandigheden niet tot tijdige betaling van het loon van [eiser] is overgegaan. Uiteindelijk heeft zij behoudens het nog resterende loon over juni 2025 het achterstallige loon ook aan [eiser] voldaan. Gelet op het voorgaande bestaat er naar het oordeel van de kantonrechter aanleiding om de wettelijke verhoging te beperken tot een percentage van 20%. In zoverre is de in conventie gevorderde wettelijke verhoging derhalve toewijsbaar.
wettelijke rente
4.7.
[eiser] vordert in conventie voorts betaling van de wettelijke rente over de bedragen aan achterstallig loon en wettelijke verhoging. Deze vordering zal als onweersproken eveneens worden toegewezen.
de vergoeding voor opgebouwde maar niet opgenomen verlofuren
4.8.
[eiser] heeft aanvankelijk, bij dagvaarding, gesteld dat bij het einde van het dienstverband zijn totale positieve verlofurensaldo nog 55,84 uren betrof. Bij de eindafrekening die eind augustus 2025 is opgemaakt, zijn 18,70 uren uitbetaald, zodat [eiser] nog aanspraak stelde te hebben op uitbetaling van 37,14 verlofuren x € 17,31 bruto = € 642,89 bruto, te vermeerderen met 8% vakantietoeslag = € 694,32 bruto.
4.9.
In reactie hierop heeft [gedaagde] aangevoerd dat zij met ingang van 1 januari 2025 is overgestapt naar een nieuw verloningssysteem. Bij het omzetten van gegevens is abusievelijk het negatieve verlofurensaldo van [eiser] van -95,36 uren per december 2024 niet meegenomen, waardoor op de loonstroken na de overgang op het nieuwe systeem een onjuist verlofsaldo vermeld stond. Hierdoor is verwarring ontstaan. Deze verwarring werd nog groter doordat de accountant van [gedaagde] per abuis al per 1 juli 2025 in plaats van per 1 augustus 2025 een eindafrekening van het dienstverband opstelde, waarbij ook verlofuren (59,81) zijn verrekend. Op dit moment resteert conform de berekening van de accountant van [gedaagde] nog een negatief saldo aan verlofuren van -54.45 + 10,67 + 2,67 = -41,11 uur. Vermenigvuldigd met het uurloon van € 17,31 bruto heeft [gedaagde] daarom nog een bedrag van € 711,61 bruto van [eiser] tegoed. Dit bedrag vordert zij in reconventie van [eiser] .
4.10.
[eiser] heeft bij conclusie van repliek in conventie/antwoord in reconventie bevestigd dat hem bij het einde van het dienstverband te veel verlofuren zijn uitbetaald en dat [gedaagde] op die grond een vordering op hem heeft van € 711,61 bruto. Nu partijen het hierover eens zijn, zal de kantonrechter ervan uitgaan dat [gedaagde] een vordering van
€ 711,61 bruto op [eiser] heeft ter zake te veel opgenomen verlofuren. Het voorgaande betekent dat de aanvankelijk in conventie door [eiser] gevorderde betaling van niet-opgenomen verlofuren zal worden afgewezen.
betaling vakantiegeld over juni en juli 2025
4.11.
Partijen zijn het er verder over eens dat aan [eiser] ter zake van vakantiegeld over de maanden juni en juli 2025 nog een bedrag van € 384,00 bruto toekomt en dat dit bedrag in mindering kan worden gebracht op de hiervoor genoemde vordering van [gedaagde] op [eiser] van € 711,61 bruto, zodat er per saldo nog een bedrag van € 327,61 bruto resteert, waarvan [eiser] het netto-equivalent aan [gedaagde] dient te voldoen. De daartoe strekkende vordering van [gedaagde] in reconventie is dan ook toewijsbaar. [gedaagde] heeft gevorderd dat voormeld bedrag binnen zeven dagen na dit vonnis dient te worden voldaan. Zij heeft echter niet onderbouwd waarop deze termijn berust, zodat dit onderdeel van het gevorderde zal worden afgewezen.
(terug)betaling voorschot/bonus
4.12.
[gedaagde] vordert in reconventie betaling van een bedrag van € 600,00, zijnde het aan [eiser] betaalde voorschot om rijlessen en examens voor het behalen van zijn autorijbewijs te kunnen bekostigen. [gedaagde] is gerechtigd om tot verrekening van dit bedrag over te gaan op grond van de daartoe door partijen gemaakte afspraken en artikel 2 van Pro de vaststellingsovereenkomst. Voorts betwist [gedaagde] dat [eiser] recht heeft op betaling van de door hem gevorderde bonus van € 800,00 bruto. De verschuldigdheid van deze bonus hing af van de 'financial close' van het project "Zonneweide A28" in Assen. Deze 'financial close' heeft tot op heden nog niet plaatsgevonden. Geen van de werknemers van [gedaagde] heeft dan ook een bonus hiervoor ontvangen. Daar komt bij dat in de vaststellingsovereenkomst een bepaling over finale kwijting is opgenomen, waarmee een eventuele toekomstige vordering ter zake van de bonus (na financial close) is komen te vervallen, aldus [gedaagde] .
4.13.
[eiser] betwist dat [gedaagde] bevoegd is om tot verrekening van het hiervoor genoemde bedrag van € 600,00 over te gaan. Het voorstel van [eiser] was om dit aan hem geleende bedrag te verrekenen met zijn vakantiegeld en dat de hem voor 2024 toegezegde bonus, op basis van zijn contractomvang neerkomend op een bedrag van € 800,00 bruto, gebruikt zou kunnen worden om het vakantiegeldsaldo weer aan te vullen. Genoemde bonus is toegezegd tijdens een werkoverleg op 22 november 2023, waarbij nadrukkelijk is aangegeven dat in de begroting hiervoor geld is gereserveerd. Voor zover [gedaagde] het recht heeft om het betaalde voorschot te verrekenen, vordert [eiser] betaling van de bonus. [gedaagde] heeft geen bewijs overgelegd van haar stelling dat de 'financial close' van het project "Zonneweide A28" in Assen nog niet heeft plaatsgevonden. Bij de toezegging van de bonus zijn ook nimmer dergelijke bijkomende voorwaarden gesteld.
4.14.
De kantonrechter is van oordeel dat uit de hiervoor (onder 2.3.) weergegeven correspondentie tussen partijen over de betaling van het voorschot van € 600,00 genoegzaam blijkt dat [gedaagde] het voorschot later zou mogen verrekenen met het aan [eiser] in mei 2025 toekomende vakantiegeld. [eiser] heeft dit immers zelf voorgesteld en dit is door [gedaagde] akkoord bevonden. Vast staat dat een dergelijke verrekening tot op heden nog niet heeft plaatsgevonden. Dit betekent dat [gedaagde] jegens [eiser] in beginsel nog recht heeft op betaling van een bedrag van € 600,00 (netto).
4.15.
Hiermee is de voorwaarde vervuld waaronder [eiser] in conventie betaling van een bonus van € 800,00 bruto heeft gevorderd, zodat de kantonrechter aan de beoordeling van die vordering van [eiser] toekomt.
4.16.
De kantonrechter is van oordeel dat de door [eiser] gevorderde betaling van de bonus van € 800,00 bruto niet toewijsbaar is. Daarbij neemt de kantonrechter het volgende in aanmerking. In het verslag van de bijeenkomst van 22 november 2023 (hiervoor onder 2.2. weergegeven), waarop [eiser] zijn vordering baseert, is opgenomen dat de medewerkers in 2024 een bonus krijgen voor hun inzet zodra de financial close van het project te Assen rond is. De uitbetaling van de bonus is daarmee naar het oordeel van de kantonrechter afhankelijk gesteld van het rond zijn van de financial close van het project te Assen. De kantonrechter deelt derhalve niet het standpunt van [eiser] dat er geen voorwaarde is gesteld bij de toezegging van de bonus. [gedaagde] heeft gesteld dat de hiervoor bedoelde financial close tot op heden niet heeft plaatsgevonden en dat om die reden geen van haar werknemers deze bonus heeft ontvangen. De kantonrechter ziet geen aanleiding om aan de juistheid van deze stelling van [gedaagde] te twijfelen. Dat betekent dat [eiser] (nog) geen recht heeft op betaling van de bonus. Hieraan doet niet af dat de bonus blijkens voornoemd verslag al in de begroting voor 2024 was opgenomen. Deze omstandigheid maakt niet dat [eiser] toch recht heeft op betaling van de bonus ondanks het feit dat de financial close voor het project te Assen nog niet rond is.
4.17.
Gelet op het vorenstaande zal de in conventie door [eiser] gevorderde betaling van de bonus van € 800,00 bruto worden afgewezen en zal de in reconventie door [gedaagde] gevorderde betaling van een bedrag van € 600,00 (netto) worden toegewezen. [gedaagde] heeft gevorderd dat voormeld bedrag binnen zeven dagen na dit vonnis dient te worden voldaan. Zij heeft echter niet onderbouwd waarop deze termijn berust, zodat dit onderdeel van het gevorderde als ongegrond zal worden afgewezen.
proceskosten
4.18.
[gedaagde] zal als de grotendeels in het ongelijk te stellen partij in de proceskosten in conventie worden veroordeeld. Omdat [eiser] op basis van een toevoeging procedeert, zal [gedaagde] niet worden veroordeeld tot betaling van de gemaakte explootkosten en de (eventuele) betekeningskosten. De proceskosten worden daarmee aan de zijde van [eiser] vastgesteld als volgt:
- griffierecht € 90,00
- salaris gemachtigde [2] € 506,00 (2 punten x tarief € 253,00)
- nakosten € 126,50
-----------
€ 722,50
4.19.
[eiser] zal als de in het ongelijk te stellen partij in de proceskosten in reconventie worden veroordeeld, aan de zijde van [gedaagde] vastgesteld als volgt:
- salaris gemachtigde € 288,00 (2 punten x tarief € 144,00)
- nakosten € 72,00 (te vermeerderen met de kosten van betekening zoals bij de beslissing vermeld)
------------
€ 360,00

5.De beslissing

in conventie
5.1.
veroordeelt [gedaagde] tot betaling aan [eiser] van het resterende loon over de maand juni 2025 ten bedrage van € 548,46 netto;
5.2.
veroordeelt [gedaagde] tot betaling aan [eiser] van de wettelijke verhoging van 20% over het niet (tijdig) betaalde (bruto) loon over de maanden mei, juni en juli 2025;
5.3.
veroordeelt [gedaagde] tot betaling aan [eiser] van de wettelijke rente over de onder 5.1. en 5.2. genoemde bedragen;
5.4.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, aan de zijde van [eiser] vastgesteld op
€ 722,50;
5.5.
verklaart het vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
5.6.
wijst af het meer of anders gevorderde;
in reconventie
5.7.
veroordeelt [eiser] tot betaling aan [gedaagde] van het netto-equivalent van een bedrag van € 327,61 bruto;
5.8.
veroordeelt [eiser] tot betaling aan [gedaagde] van een bedrag van € 600,00 netto;
5.9.
veroordeelt [eiser] in de proceskosten, aan de zijde van [gedaagde] vastgesteld op
€ 360,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening indien [eiser] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend;
5.10.
verklaart het vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
5.11.
wijst af het meer of anders gevorderde.
Dit vonnis is gewezen door mr. J. Boerlage-van den Bosch en in het openbaar uitgesproken op 31 maart 2026.
520/MP

Voetnoten

1.Het loon over de maand juli 2025 had uiterlijk op 9 augustus 2025 moeten worden voldaan, maar is pas op 22 augustus 2025 voldaan. De wettelijke verhoging is gaan lopen vanaf de vierde werkdag na die waarop het loon uiterlijk had moeten worden betaald.
2.[eiser] vordert dat het salaris gemachtigde rechtstreeks aan zijn gemachtigde wordt betaald. De kantonrechter wijst dit onderdeel van de vordering af, omdat de toe te wijzen proceskostenvergoeding - waaronder het salaris gemachtigde - in zijn geheel aan [eiser] als procespartij en dus niet aan de gemachtigde toekomt.