Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBNNE:2026:1129

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
7 april 2026
Publicatiedatum
9 april 2026
Zaaknummer
LEE 24/3574
Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 110 VWEUWet herwaardering proceskostenvergoedingen WOZ en bpm (WHpkv)Besluit proceskosten bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond beroep tegen naheffingsaanslag BPM en toekenning immateriële schadevergoeding

Eiseres heeft beroep ingesteld tegen een naheffingsaanslag BPM opgelegd door de inspecteur, waarbij zij stelde dat de schade aan de auto hoger was dan door de inspecteur erkend en dat de waardedrukkende factor van het ontbreken van een RDW-oordeel over de kilometerstand onvoldoende was meegenomen.

De rechtbank oordeelt dat de inspecteur de naheffingsaanslag terecht heeft opgelegd. De door eiseres aangevoerde schadeposten zijn onvoldoende onderbouwd en de foto's bij het DRZ-rapport tonen geen meer dan normale gebruiksschade. Ook is niet aannemelijk gemaakt dat het ontbreken van een RDW-oordeel over de kilometerstand tot een waardevermindering moet leiden.

Verder is vastgesteld dat de redelijke termijn voor de behandeling van het bezwaar is overschreden, wat leidt tot een immateriële schadevergoeding van € 500. Deze wordt verdeeld tussen de inspecteur en de Minister. De rechtbank kent ook een proceskostenvergoeding toe aan eiseres, waarbij de gemachtigde als 'bijzonder geval' wordt aangemerkt.

Het beroep wordt ongegrond verklaard, de naheffingsaanslag blijft in stand, en eiseres krijgt geen griffierecht terug. De inspecteur en Minister worden veroordeeld tot betaling van immateriële schadevergoeding en proceskosten.

Uitkomst: Het beroep tegen de naheffingsaanslag BPM wordt ongegrond verklaard en immateriële schadevergoeding wordt toegekend wegens termijnoverschrijding.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: LEE 24/3574

uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 7 april 2026 in de zaak tussen

[eiseres] B.V., gevestigd te [vestigingsplaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. H. van Dam ),
en
de inspecteur van de Belastingdienst Centrale administratieve processen/Auto/BPM, de inspecteur.
Als derde-partij neemt aan de zaak deel:
de Minister van Justitie en Veiligheid(de Minster).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 30 juli 2024.
1.1.
De inspecteur heeft aan eiseres een naheffingsaanslag in de belasting van personenauto’s en motorrijwielen (Bpm) opgelegd van € 4.833.
1.2.
De inspecteur heeft het bezwaar van eiseres deels gegrond verklaard en daarbij de naheffingsaanslag Bpm verlaagd naar een bedrag van € 4.788.
1.3.
De inspecteur heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.4.
De rechtbank heeft het beroep op 5 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: mr. R. Lammers (de kantoorgenoot van de gemachtigde van eiseres) en namens de inspecteur mr. [naam 1] , mr. [naam 2] , [naam 3] ,

Feiten

2. Eiseres heeft aangifte Bpm gedaan voor een personenauto Audi, type RS 4 Avant (de auto). De aangegeven CO2-uitstoot van de auto bedraagt 200 gr/km. De datum eerste toelating van de auto is 26 oktober 2018.
2.1.
De Bpm is door eiseres berekend aan de hand van een taxatierapport met datum 3 april 2023. Daarbij is uitgegaan van een kilometerstand van 89.405. De verschuldigde Bpm van € 3.428 is berekend op basis van een historische nieuwprijs van € 152.545 en een handelsinkoopwaarde van € 17.436. Die handelsinkoopwaarde is berekend door een bedrag van € 24.666 (bestaande uit een aftrek van € 20.916 wegens schade en een aftrek van € 3.750 in verband met ‘geen oordeel’ over de kilometerstand) in mindering te brengen op de handelsinkoopwaarde volgens een Xray koerslijst van € 42.102.
2.2.
De inspecteur heeft eiseres uitgenodigd de auto bij de dienst Domeinen Roerende Zaken (DRZ) te tonen. DRZ heeft met dagtekening 18 april 2023 een verslag van haar bevindingen gemaakt. In het rapport van DRZ is een historische nieuwprijs van € 151.751 opgenomen en een handelsinkoopwaarde van € 41.796. De handelsinkoopwaarde is bepaald met behulp van een Xray koerslijst, waaruit een handelsinkoopwaarde volgt van € 41.102. Er is door DRZ € 306 (31% van € 985) aan schade in mindering gebracht op de handelsinkoopwaarde volgens de koerslijst.
2.3.
Naar aanleiding van de bevindingen van DRZ heeft de inspecteur de in geschil zijnde naheffingsaanslag opgelegd.
2.4.
De inspecteur heeft het bezwaar van eiseres gegrond verklaard en de naheffingsaanslag verlaagd (zie 1.2), waarbij is uitgegaan vaan historische nieuwsprijs van € 152.209.

Beoordeling door de rechtbank

3. De rechtbank beoordeelt of de inspecteur de naheffingsaanslag terecht en naar het juiste bedrag heeft opgelegd. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiseres.
4. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de inspecteur de naheffingsaanslag terecht en naar het juiste bedrag opgelegd. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Zijn de schadeposten in het taxatierapport terecht opgevoerd?
5. Eiseres stelt dat sprake is van meer schade aan de auto dan waar de inspecteur rekening mee heeft gehouden en verwijst ter onderbouwing naar het taxatierapport, waarin een schade is gecalculeerd van € 20.916. Dit bedrag is geheel als waardevermindering in aftrek gebracht. Volgens eiseres is de onderhavige auto een jong en exclusief voertuig en is bij dit soort voertuigen iedere schade te kwalificeren als bovenmatige gebruikssporen.
6. De inspecteur heeft aan de hand van het rapport van DRZ betwist dat er sprake zou zijn van een groter bedrag aan schadeposten en herstelkosten dan door DRZ in aanmerking is genomen.
7. De rechtbank overweegt als volgt. De taxateur van DRZ heeft in zijn rapport enkel schade aan de achterbumper in aanmerking genomen. Daarbij is in het rapport vermeld dat de opgegeven schadeposten niet aanwezig zijn, dan wel als gebruikersschade kwalificeren. De rechtbank constateert dat op de tot het rapport van DRZ behorende foto’s (A4-formaat en in kleur) geen schade waarneembaar is, althans geen meer dan normale gebruiksschade. De rechtbank betrekt daarbij dat de auto ten tijde van het belastbare feit vier en een half jaar oud is en een kilometrage heeft van ongeveer 89.000. De enkele verwijzing door eiseres naar het door haar overgelegde taxatierapport en de daarbij behorende foto’s vormen een onvoldoende onderbouwing van haar standpunt, zodat eiseres niet in haar bewijslast is geslaagd.

Dient er een waardevermindering te worden toegekend vanwege ‘geen oordeel km-stand’ ?

8. Eiseres stelt dat er bij het berekenen van de handelsinkoopwaarde rekening moet worden gehouden met het feit dat de Rijksdienst voor het Wegverkeer (RDW) geen oordeel heeft gegeven over de juistheid van de kilometerstand van de auto. Volgens eiseres is dit een waardedrukkende factor.
9. De inspecteur heeft de stellingen van eiseres gemotiveerd betwist.
10. De rechtbank is met eiseres van oordeel dat het ontbreken van een oordeel door de RDW over de kilometerstand een waardedrukkende factor kan zijn, omdat dit in bepaalde situaties zou kunnen duiden op tellerfraude en dit oordeel een omstandigheid is die, ook bij latere overdrachten, aan de auto blijft kleven. Daar staat tegenover dat bij deze specifieke auto niets wijst in de richting van onregelmatigheden met betrekking tot de kilometerstand. Eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat met een waardevermindering rekening moeten worden gehouden wegens het ontbreken van een oordeel over de kilometerstand.
Is er sprake van fiscale discriminatie door een gebrek aan transparantie?
11. Eiseres heeft aangevoerd dat voor de gevallen waarin sprake is van meer dan normale gebruiksschade het wettelijk stelsel slechts 31% van de schadecalculatie als waardedaling toelaat. Niet bekend is hoe dat percentage tot stand is gekomen. Daarmee is geen sprake van fiscale transparantie. Daarbij stelt eiseres dat deze 31% norm op basis van een ondeugdelijke onderbouwing is ingevoerd en niet is gebaseerd op relevante feiten en omstandigheden. De 31% norm kan daarom volgens eiseres geen toepassing vinden.
11. De inspecteur heeft de stelling van eiseres gemotiveerd weersproken.
13. Deze beroepsgrond van eiseres slaagt niet. De rechtbank wijst op het arrest van de Hoge Raad van 17 januari 2020 [1] waarin onder meer is overwogen dat artikel 110 van Pro het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) zich niet verzet tegen een verdeling van de bewijslast in die zin dat het aan belanghebbende is om te bewijzen dat de waardevermindering van de auto als gevolg van beschadigingen meer bedraagt dan 72% van de herstelkosten. De rechtbank ziet in de enkele omstandigheid dat het percentage in de Uitvoeringsregeling BPM inmiddels 31% bedraagt geen aanleiding om anders te oordelen. Aan eiseres is immers voldoende gelegenheid geboden om het gevraagde bewijs te leveren.

Conclusie en gevolgen

14. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de naheffingsaanslag in stand blijft. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.

Vergoeding van immateriële schade

15. Eiseres heeft verzocht om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn van berechting in eerste aanleg (ISV).
16. De rechtbank stelt vast dat in de procedure de redelijke termijn is overschreden, nu er op de dag waarop deze uitspraak is gedaan meer dan twee jaren zijn verstreken sinds de dag waarop de inspecteur het bezwaar heeft ontvangen. Tot en met de datum van deze uitspraak zijn er twee jaren en (afgerond naar boven) zes maanden verstreken. Dit betekent dat de redelijke termijn met afgerond zes maanden is overschreden. Dit leidt tot een ISV van € 500. Het bezwaar is door de inspecteur ontvangen op 10 oktober 2023. De uitspraak op bezwaar is gedaan op 30 juli 2024. De termijnoverschrijding is voor (afgerond naar boven) vier maanden toe te rekenen aan de inspecteur en voor twee maanden aan de rechtbank. De rechtbank veroordeelt daarom de inspecteur tot vergoeding van de immateriële schade voor een bedrag van € 333 (1/3 * € 500) en de Minister voor de rest van het bedrag, zijnde € 167.
17. Gelet op de omvang van het bedrag dat door de Minister dient te worden vergoed, hoeft hij niet als partij in deze procedure te worden gehoord. [2]
Proceskosten en griffierecht
18. Omdat het verzoek om de vergoeding van immateriële schade wordt toegewezen, komt eiseres in aanmerking voor een vergoeding van haar proceskosten voor het indienen van dat verzoek. Omdat de uitspraak op bezwaar bekend is gemaakt na 1 januari 2024, moet de hoogte van de proceskostenvergoeding voor de beroepsfase worden bepaald aan de hand van de Wet herwaardering proceskostenvergoedingen WOZ en bpm (WHpkv). Gelet op het arrest van de Hoge Raad van 17 januari 2025 [3] , moet worden beoordeeld of het geval van eiseres met het oog op die proceskostenvergoeding is aan te merken als een ‘bijzonder geval’ als bedoeld in rechtsoverweging 3.5.2 van dat arrest. De bewijslast dat sprake is van een ‘bijzonder geval’, rust op eiseres. [4]
19. De gemachtigde van eiseres heeft op de zitting gesteld dat hij aan te merken is als een ‘bijzonder geval’ zoals bedoeld in het arrest van de Hoge Raad van 17 januari 2025. Ter onderbouwing heeft hij op de zitting een factuur van € 500 voor juridische dienstverlening getoond. De inspecteur heeft op de zitting betwist dat de gemachtigde van eiseres aan te merken van als een ‘bijzonder geval’. Volgens hem is de getoonde factuur onvoldoende bewijs, omdat het geen betaalbewijs is.
20. De rechtbank is van oordeel dat de inspecteur onvoldoende gemotiveerd heeft betwist dat de gemachtigde van eiseres als ‘bijzonder geval’ valt aan te merken. Gelet op de door de gemachtigde getoonde factuur kon de inspecteur niet volstaan met een blote ontkenning. De rechtbank merkt de gemachtigde van eiseres daarom wel aan als een ‘bijzonder geval’. Dit betekent dat de WHpkv niet van toepassing is bij de berekening van de proceskostenvergoeding voor eiseres. De proceskostenvergoeding wordt daarom als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door de gemachtigde kent de rechtbank 1 punt toe als bedoeld in het Besluit proceskosten bestuursrecht, met een waarde van € 934 en een wegingsfactor 0,25. [5] De proceskostenvergoeding bedraagt dus € 233,50. Omdat de overschrijding van de redelijke termijn aan zowel de inspecteur als de Minister is toe te rekenen, wordt deze evenredig aan de toegerekende termijnoverschrijding verdeeld.
21. Eiseres krijgt het griffierecht niet terug, omdat de redelijke termijn niet was overschreden ten tijde van het arrest van 31 mei 2024. [6]

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- veroordeelt de inspecteur tot het betalen van een vergoeding van immateriële schade aan eiseres tot een bedrag van € 333;
- veroordeelt de Minister tot betaling aan eiseres van een vergoeding wegens immateriële schade van € 167;
- veroordeelt de inspecteur in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 155,67;
- veroordeelt de Minister in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 77,83.
Deze uitspraak is gedaan door mr. F. Brekelmans, rechter, in aanwezigheid van mr. R. Schultinga, griffier.
griffier
rechter
Uitgesproken op 7 april 2026.

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Hoge Raad van 17 januari 2020, ECLI:NL:HR:2020:63.
2.Beleidsregel van de Minister van Veiligheid en Justitie van 8 juli 2014, nr. 436935,Stcrt. 2014, 20210.
3.Hoge Raad 17 januari 2025, ECLI:NL:HR:2025:46.
4.Hoge Raad 17 januari 2025, ECLI:NL:HR:2025:46 en Hoge Raad 24 april 2025, ECLI:NL:HR:2025:670.
5.Hoge Raad 10 november 2023, ECLI:NL:HR:2023:1526.
6.Hoge Raad 31 mei 2024, ECLI:NL:HR:2024:567, r.o. 7.1.2.