De officier van justitie vorderde op 31 oktober 2023 dat de rechtbank het bedrag van het wederrechtelijk verkregen voordeel vaststelt en veroordeelde verplicht tot betaling van €45.000 aan de Staat. De behandeling vond plaats op 3 maart 2026, waarbij veroordeelde verscheen met zijn raadsman. De verdediging stelde dat veroordeelde geen winst had gemaakt, omdat hij slechts eenmalig €50.000 ontving en alle kosten daarvan afgingen.
De rechtbank baseerde haar oordeel op het vonnis van de meervoudige kamer en een rapport van 9 december 2022 met een berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel, onderbouwd met chatgesprekken tussen veroordeelde en medeveroordeelden. Uit deze chats bleek dat veroordeelde 126 liter amfetamineolie verkocht tegen €750 per liter, wat een opbrengst van €94.500 opleverde. De kosten werden berekend op €29.500 plus een aandeel van €20.000 aan kosten voor het 'hok', wat resulteerde in een netto winst van €45.000.
De rechtbank achtte de verklaring van veroordeelde dat hij geen winst had gemaakt onaannemelijk, mede omdat hij geen concrete kosten kon specificeren. Het financieel onderzoek toonde geen opvallende transacties, maar dat weerlegde niet het voordeel uit de handel. De rechtbank stelde het bedrag van het wederrechtelijk verkregen voordeel vast op €45.000 en legde de betalingsverplichting op dit bedrag aan veroordeelde op. Tevens werd de maximale duur van gijzeling vastgesteld op 450 dagen.
De uitspraak werd gedaan door de meervoudige strafkamer van de rechtbank Noord-Nederland op 14 april 2026, waarbij mr. H. de Ruijter niet medeondertekende wegens afwezigheid.