ECLI:NL:RBNNE:2026:1193

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
14 april 2026
Publicatiedatum
14 april 2026
Zaaknummer
18.336869.24
Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Op tegenspraak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 246 SrArt. 247 SrArt. 1 lid 2 SrArt. 342 lid 2 SvArt. 9 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor ontuchtige handeling met minderjarige door borst te grijpen

De rechtbank Noord-Nederland heeft verdachte veroordeeld voor het plegen van een ontuchtige handeling met een minderjarige door haar onverhoeds bij de borst te grijpen en te knijpen op 6 september 2023 te Assen. Dit is wettig en overtuigend bewezen op basis van verklaringen van het slachtoffer, camerabeelden en DNA-onderzoek. Verdachte is vrijgesproken van twee andere ten laste gelegde feiten wegens onvoldoende bewijs.

De rechtbank heeft de ernst van het bewezen feit meegewogen, evenals de persoonlijke omstandigheden van verdachte, waaronder een diagnose in het autismespectrum en psychosociale problemen. Gezien deze omstandigheden is gekozen voor een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf van 4 weken met een proeftijd van drie jaar, gekoppeld aan bijzondere voorwaarden zoals meldplicht en behandeling via de reclassering, en een taakstraf van 80 uur.

De rechtbank heeft tevens de immateriële schadevergoeding van €800 aan het slachtoffer toegewezen, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum van het delict. De vorderingen van de andere benadeelden zijn niet-ontvankelijk verklaard. De straf en voorwaarden zijn bedoeld om de ernst van het delict te benadrukken en recidive te voorkomen.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf van 4 weken en een taakstraf van 80 uur voor ontuchtige handeling met een minderjarige; vrijspraak voor twee andere feiten.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht
Locatie Assen
parketnummer 18.336869.24
Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 14 april 2026 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1998 te [geboorteplaats] , wonende te [adres ] .
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 31 maart 2026.
Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. S.H. Lek, advocaat te Assen. Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. G.R. Stoeten.
Tenlastelegging
Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
1.
hij op of omstreeks 6 september 2023 te Assen, althans in Nederland, met [aangeefster 1] , geboren op [geboortedatum] 2008, die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, een of meer ontuchtige handelingen heeft gepleegd, te weten het (onverhoeds) met zijn, verdachtes, hand(en) grijpen naar/bij/van en/of betasten en/of vastpakken van en/of knijpen in de borst van die [aangeefster 1] ;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 6 september 2023 te Assen, althans in Nederland, door geweld of een andere feitelijkheid en/of bedreiging met geweld of een andere feitelijkheid, te weten het (onverhoeds) met zijn, verdachtes, hand(en) grijpen naar/bij/van en/of knijpen in de borst van [aangeefster 1] , die [aangeefster 1] heeft gedwongen tot het dulden van een ontuchtige handeling, te weten het (onverhoeds) met zijn, verdachtes, hand(en) grijpen naar/bij/van en/of betasten en/of vastpakken van en/of knijpen in de borst van die [aangeefster 1] ;
2.
hij op of omstreeks 14 september 2023 te Assen, althans in Nederland, met [aangeefster 2] , geboren op [geboortedatum] 2009, die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, een of meer ontuchtige handelingen heeft gepleegd, te weten het (onverhoeds) met zijn, verdachtes, hand(en) grijpen naar/bij/van en/of betasten en/of vastpakken van en/of knijpen in de borst van die [aangeefster 2] ;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 14 september 2023 te Assen, althans in Nederland, door geweld of een andere feitelijkheid en/of bedreiging met geweld of een andere feitelijkheid, te weten het (onverhoeds) met zijn, verdachtes, hand(en) grijpen naar/bij/van en/of knijpen in de borst van [aangeefster 2] , die [aangeefster 2] heeft gedwongen tot het dulden van een ontuchtige handeling, te weten het (onverhoeds) met zijn, verdachtes, hand(en) grijpen naar/bij/van en/of betasten en/of vastpakken van en/of knijpen in de borst van die [aangeefster 2] ;
3
hij op of omstreeks 7 september 2023 te Assen, althans in Nederland, door geweld of een andere feitelijkheid en/of bedreiging met geweld of een andere feitelijkheid, te weten het (onverhoeds) met zijn, verdachtes, hand(en) grijpen naar/bij/van en/of knijpen in de borst van [aangeefster 3] , die [aangeefster 3] heeft gedwongen tot het dulden van een ontuchtige handeling, te weten het (onverhoeds) met zijn, verdachtes, hand(en) grijpen naar/bij/van en/of betasten en/of vastpakken van en/of knijpen in de borst van die [aangeefster 3] .

Beoordeling van het bewijs

Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft veroordeling gevorderd voor het onder 1 primair, 2 primair en 3 ten laste gelegde, op basis van de aangiftes, de beschikbare camerabeelden en het aangetroffen DNA-materiaal met betrekking tot het onder 1 ten laste gelegde. De officier van justitie heeft daarbij aangevoerd dat alle drie de aanrandingen hebben plaatsgevonden in dezelfde omgeving in een tijdsbestek van 8 dagen waarbij sprake was van dezelfde modus operandi.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft betoogd dat verdachte van al hetgeen is tenlastegelegd moet worden vrijgesproken.
Ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde heeft zij aangevoerd dat verdachte niet voldoet aan het door aangeefster [aangeefster 1] gegeven signalement. Met betrekking tot het aangetroffen DNA-materiaal heeft de raadsvrouw zich op het standpunt gesteld dat op basis daarvan niet onomstotelijk kan worden vastgesteld dat verdachte de donor is van dit DNA, nu de bewijskracht van het DNA-onderzoek hiervoor te laag is.
Ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde heeft de raadsvrouw aangevoerd dat verdachte niet voldoet aan het signalement dat aangeefster [aangeefster 2] geeft van de dader. Na confrontatie met de camerabeelden heeft aangeefster ook niet met zekerheid durven zeggen of verdachte degene is die haar heeft aangeraakt. Uit het enkele feit dat verdachte op enkele camerabeelden te zien is kan niet worden afgeleid dat verdachte ook degene is geweest die aangeefster heeft aangeraakt.
Ten aanzien van het onder 3 ten laste gelegde heeft de raadsvrouw aangevoerd dat alleen kan worden vastgesteld dat verdachte in de buurt van de plaats delict is geweest. Het signalement van de dader zoals die door aangeefster [aangeefster 3] is gegeven is dusdanig algemeen, dat op basis daarvan niet kan worden gezegd dat verdachte de dader is geweest.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank stelt voorop dat de tenlastelegging is gebaseerd op de artikelen 246 en 247 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) zoals deze luidden tot 1 juli 2024. Op grond van het bepaalde in artikel 1 lid 2 Sr Pro wordt bij een verandering in de wetgeving na het tijdstip waarop het ten laste gelegde feit zou zijn begaan, de voor de verdachte gunstigste bepaling toegepast. Dat zijn in dit geval de hiervoor vermelde wetsbepalingen zoals deze luidden tot 1 juli 2024.
Algemeen
Aan de verdachte zijn een drietal zedendelicten tenlastegelegd. Zedenzaken zijn bewijstechnisch lastige zaken. In artikel 342 lid 2 van Pro het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) is bepaald dat de rechter het bewijs dat iemand een strafbaar feit heeft gepleegd niet uitsluitend kan baseren op de verklaring van één getuige. Alleen de verklaring van aangeefster/aangever - ook als die betrouwbaar wordt geacht - is dus onvoldoende. Er moet meer bewijs zijn, iets dat de aangifte ondersteunt, om tot een bewezenverklaring te kunnen komen.
De vraag of aan het door de wet vereiste bewijsminimum is voldaan, vergt een beoordeling van het concrete geval. Daarvoor zijn enige regels in de rechtspraak geformuleerd. In sommige gevallen kan het benodigde steunbewijs ook bestaan uit schakelbewijs. Met schakelbewijs wordt bedoeld een bewijsvoering waarbij voor de bewezenverklaring van het feit mede redengevend wordt geacht de - uit één of meer bewijsmiddelen blijkende - omstandigheid dat de verdachte bij één of meer andere strafbare feiten betrokken was. Daarbij is ten minste vereist dat de wijze waarop de feiten zijn begaan op essentiële punten overeenkomt. Onvoldoende is dat het gaat om soortgelijke feiten.
[aangeefster 1] (feit 1), [aangeefster 2] (feit 2) en [aangeefster 3] (feit 3) hebben aangifte gedaan van aanranding, op de wijze zoals vermeld in de tenlastelegging. Verdachte heeft, zowel bij de politie als ter terechtzitting, stellig ontkend dat hij de ten laste gelegde handelingen heeft verricht.
De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of de verklaringen van aangeefsters voldoende betrouwbaar zijn en of vervolgens wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte de ten laste gelegde handelingen heeft verricht.
Ten aanzien van de betrouwbaarheid van de verklaringen van aangeefsters
De rechtbank ziet geen redenen om te twijfelen aan de juistheid en betrouwbaarheid van de verklaringen van aangeefsters. Zij hebben allen gedetailleerd verklaard over wat er is gebeurd, waarbij telkens sprake is geweest van een situatie waarbij de aangeefsters tijdens het fietsen onverhoeds bij hun borst zijn gegrepen. De rechtbank gaat er daarom van uit dat deze feiten hebben plaatsgevonden. Vervolgens ziet de rechtbank zich voor de vraag gesteld of wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte degene is geweest die deze handelingen heeft verricht.
Ten aanzien van feit 1
Verdachte heeft verklaard dat hij op de avond van het ten laste gelegde feit aan het fietsen was in Assen in de omgeving waar het feit heeft plaatsgevonden. Op de beschikbare camerabeelden is bovendien een persoon te zien die voldoet aan het signalement van verdachte. Op de beschikbare camerabeelden is de ten laste gelegde gedraging echter niet te zien.
Door aangeefster is een signalement gegeven van de dader met enkele kenmerken die ook betrekking hebben op verdachte. Zo heeft zij verklaard dat het gaat om een lange dunne blanke jongen van ongeveer 20 jaar oud met een zwarte rugzak. Deze man fietste volgens aangeefster op een mannenfiets. Dat aangeefster ook heeft verklaard dat de dader blond haar had, terwijl verdachte donkerblond haar heeft, maakt niet dat de rechtbank van oordeel is dat dat verdachte niet zou kunnen voldoen aan het door aangeefster gegeven signalement. Tegenstrijdigheden of ongerijmdheden kunnen immers het gevolg zijn van de feilbaarheid van het menselijk geheugen, teweeggebracht onder invloed van emoties, schaamte of door tijdsverloop. De door de verdediging aangevoerde inconsistenties, merkwaardigheden en tegenstrijdigheden in de verklaring van aangeefster maken naar het oordeel van de rechtbank dan ook niet dat het geheel van de verklaring als onbetrouwbaar terzijde dient te worden geschoven.
Daar komt bij dat het topje dat aangeefster die avond droeg forensisch is onderzocht waarbij op de linkerborst van dat topje DNA-materiaal is aangetroffen en onderzocht. De resultaten van het onderzoek zijn ongeveer 2500 keer waarschijnlijk wanneer de hypothese dat de bemonstering DNA bevat van verdachte of een andere man in de mannelijke lijn van verdachte juist is, dan wanneer de hypothese dat de bemonstering DNA bevat van een willekeurige niet aan verdachte verwante man. Er zijn geen aanwijzingen van betrokkenheid bij dit feit van verwanten in de mannelijke lijn van verdachte.1 De rechtbank is dan ook van oordeel dat op basis van deze conclusie, in combinatie met hetgeen hiervoor is overwogen, kan worden geconcludeerd dat verdachte de donor is van het mannelijke celmateriaal en dat het dus verdachte is geweest die aangeefster bij haar borst heeft aangeraakt.
Ontuchtige handelingen
De aan verdachte verweten gedragingen kunnen gekwalificeerd worden als ontuchtige handelingen in de zin van artikel 247 (oud) Sr. Het onverhoeds vastgrijpen van de borst van een minderjarig meisje in de gegeven omstandigheden is onmiskenbaar een handeling van seksuele aard.
Conclusie
De rechtbank acht gelet op al het voorgaande en de hierna te noemen bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang bezien, wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 primair ten laste gelegde, heeft gepleegd.
De bewijsmiddelen zijn in bijlage 1 opgenomen.
Ten aanzien van feit 2
De rechtbank is van oordeel dat op basis van het dossier niet kan worden vastgesteld dat verdachte degene is geweest die aangeefster [aangeefster 2] bij haar borst heeft aangeraakt. Zoals eerder is gesteld acht de rechtbank de kern van de verklaring van aangeefster betrouwbaar. Het door aangeefster gegeven signalement van de dader is echter op zoveel specifieke onderdelen niet passend bij het signalement van verdachte, dat de rechtbank van oordeel is dat niet buiten redelijke twijfel kan worden vastgesteld dat het verdachte is geweest die zich schuldig heeft gemaakt aan de ten laste gelegde handelingen. De rechtbank wijst daarbij met name op de verklaring van aangeefster dat de dader licht getint was, dat hij op een zwarte fiets met een rekje reed en dat zij hem ongeveer 16 of 17 jaar oud schatte. Volgens aangeefster droeg de dader op dat moment een spijkerbroek met vakken met ribbeltjes en gaten.
Verdachte heeft erkend dat hij te zien is op de zich in het dossier bevindende camerabeelden. Hierop is te zien dat aangeefster de camera voorbijfietst en dat verdachte 40 seconden daarna in dezelfde richting als aangeefster fietst. Aangezien deze camerabeelden met daglicht zijn opgenomen is goed te zien dat verdachte niet voldoet aan de genoemde specifieke kenmerken, zo is verdachte een blanke man, droeg verdachte op de beelden een egale korte broek en heeft zijn fiets geen rekje aan de voorkant. Daarbij overweegt de rechtbank dat aangeefster door de politie is geconfronteerd met de camerabeelden en dat zij verdachte op die beelden niet met zekerheid heeft herkend als de dader.
Het enkele feit dat verdachte te zien is op de camerabeelden, maakt dan ook niet dat daaruit geconcludeerd kan worden dat hij ook degene is geweest die aangeefster bij haar borst heeft gegrepen. Op basis van de beschikbare bewijsmiddelen kan het alternatieve scenario dat iemand anders dan verdachte aangeefster heeft betast dan ook niet worden uitgesloten. De rechtbank betrekt hierbij ook dat verdachte destijds in de desbetreffende buurt woonachtig was en zijn verklaring dat hij naar huis fietste niet zonder meer terzijde kan worden geschoven. Dat er overeenkomsten zijn in de handelswijze van verdachte bij feit 1, maakt dit niet anders. Verdachte zal daarom van dit feit worden vrijgesproken.
Ten aanzien van feit 3
De rechtbank is van oordeel dat op basis van het dossier ook niet kan worden vastgesteld dat verdachte degene is geweest die aangeefster [aangeefster 3] bij haar borst heeft gegrepen. Ook met betrekking tot dit feit twijfelt de rechtbank er niet aan dat iemand aangeefster tijdens het fietsen onverhoeds bij haar borst heeft aangeraakt, maar de rechtbank kan op basis van de beschikbare bewijsmiddelen niet vaststellen dat het verdachte is geweest die zich hieraan schuldig heeft gemaakt.
De rechtbank overweegt daartoe dat het door aangeefster gegeven signalement van de dader niet dusdanig specifiek is dat op basis daarvan kan worden vastgesteld dat verdachte de dader moet zijn geweest. Net als aangeefster [aangeefster 2] noemt ook zij enkele kenmerken die niet goed overeenkomen met het signalement van verdachte. Zo verklaart zij dat ze denkt dat de dader een buitenlander was, omdat hij niet blank was. Het haar van de dader omschrijft zij als een Dora-kapsel of een Bob-lijn kapsel terwijl de leeftijd van de dader door aangeefster geschat wordt als 17 of 18 jaar oud.
Naast de aangifte bevat het dossier alleen locatiegegevens van de telefoon van verdachte, waaruit blijkt dat de telefoon van verdachte ten tijde van het ten laste gelegde feit in de omgeving van de plaats delict is geweest. Hieruit kan echter niet worden geconcludeerd dat verdachte ook de dader moet zijn geweest waarbij ook hier speelt dat verdachte in dezelfde buurt woonachtig was en het dus niet ongebruikelijk is dat zijn telefoon een telefoonmast in de nabije omgeving van het plaats delict aanstraalde.
De rechtbank is gelet op het voorgaande van oordeel dat niet buiten redelijke twijfel kan worden vastgesteld dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de onder 3 ten laste gelegde gedragingen. Verdachte zal daarom ook van dit feit worden vrijgesproken.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht het onder 1 primair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:
1 (primair):
hij op 6 september 2023 te Assen met [aangeefster 1] , geboren op [geboortedatum] 2008, die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, een ontuchtige handeling heeft gepleegd, te weten het onverhoeds met zijn, verdachtes, hand grijpen van en knijpen in de borst van die [aangeefster 1] .
Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:
1 (primair): met iemand beneden de leeftijd van zestien jaren buiten echt ontuchtige handelingen plegen.
Dit feit is strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.
Strafbaarheid van verdachte
De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafmotivering

Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van feit 1 primair, feit 2 primair en feit 3 wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 9 maanden, waarvan 4 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren. Als bijzondere voorwaarden moeten aan het voorwaardelijke deel een meldplicht en een behandelverplichting worden gekoppeld.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft bij een bewezenverklaring gepleit voor matiging van de door de officier van justitie gevorderde straf. Daarbij heeft de raadsvrouw gewezen op het tijdsverloop en straffen die in vergelijkbare zaken plegen te worden opgelegd.
Oordeel van de rechtbank
Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek ter terechtzitting en de rapportage van Reclassering Nederland van 8 april 2025, het uittreksel uit de justitiële documentatie van 10 februari 2026, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de verdediging.
De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
De ernst van de feiten
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan aanranding van een meisje van destijds 15 jaar oud door haar tijdens het fietsen onverhoeds bij haar borst te pakken. Verdachte heeft met zijn handelen een onaanvaardbare inbreuk gemaakt op de lichamelijke en geestelijke integriteit van de slachtoffers. Het is een feit van algemene bekendheid dat dit soort feiten door slachtoffers als zeer ingrijpend wordt ervaren en langdurige en ernstige schade kan toebrengen aan de geestelijke gezondheid van slachtoffers. Ook in de onderhavige strafzaak is daarvan sprake, zoals blijkt uit de toelichting op het verzoek tot schadevergoeding en de namens aangeefster ter zitting voorgelezen slachtofferverklaring. Verdachte heeft zich van dit alles geen rekenschap gegeven en heeft geen inzicht gegeven in zijn motieven. De rechtbank rekent het verdachte aan dat hij heeft gehandeld zoals bewezen is verklaard.
De persoon van verdachte
De rechtbank constateert dat verdachte niet eerder onherroepelijk is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten. Uit het reclasseringsrapport van Reclassering Nederland van
8 april 2025 en het onderzoek ter terechtzitting volgt dat er aanwijzingen zijn voor problemen op de leefgebieden dagbesteding en psychosociaal functioneren. Verdachte beschikt niet over een zinvolle dagbesteding en is in het verleden gediagnosticeerd met een stoornis in het autismespectrum (ASS). De
risicos op herhaling kunnen niet worden ingeschat gelet op de ontkennende houding van verdachte. De reclassering acht bij een bewezenverklaring nader diagnostisch onderzoek geïndiceerd om het delictgedrag beter te kunnen duiden en verdachte zo nodig te behandelen. Ook toezicht door de reclassering wordt als voorwaarde geadviseerd.
De strafoplegging
De rechtbank heeft bij de beslissing over de aard en de hoogte van de op te leggen straf onder meer gelet op straffen die in vergelijkbare zaken plegen te worden opgelegd.
Hoewel de ernst van het bewezen verklaarde feit in beginsel een onvoorwaardelijke gevangenisstraf zou kunnen rechtvaardigen, acht de rechtbank oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf niet aangewezen gelet op de persoonlijke omstandigheden van de verdachte en de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde feit is gepleegd.
Alles afwegende acht de rechtbank oplegging van een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 4 weken, met een proeftijd van drie jaren, passend en geboden. Het voorwaardelijk strafdeel dient enerzijds om de ernst van de feiten te benadrukken en anderzijds als stevige stok achter de deur voor verdachte. Met de reclassering is de rechtbank van oordeel dat aan het voorwaardelijke strafdeel een meldplicht en een ambulante behandeling als bijzondere voorwaarden moeten verbonden. Daarnaast zal de rechtbank aan verdachte een taakstraf opleggen voor de duur van 80 uren, te vervangen door 40 dagen hechtenis.

Benadeelde partij

De volgende personen hebben zich als benadeelde partij in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding:
[aangeefster 1] , tot een bedrag van 800,00 ter zake van immateriële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan;
[aangeefster 2] , tot een bedrag van 54,36 ter vergoeding van materiële schade en
1.750,00 ter vergoeding van immateriële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan. Daarnaast heeft [aangeefster 2] 434,00 aan proceskosten gevorderd;
3. [ [aangeefster 3] , tot een bedrag van 800,00 ter vergoeding van immateriële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de immateriële schade kan worden toegewezen tot een bedrag van 800,00, met toepassing van de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De door [aangeefster 2] gevorderde materiële schade en proceskosten komen eveneens voor vergoeding in aanmerking.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de vorderingen benadeelde partij niet-ontvankelijk moeten worden verklaard gelet op de bepleite vrijspraak. Subsidiair heeft zij verzocht de gevorderde immateriële schade te matigen met verwijzing naar de Rotterdamse Schaal. Met betrekking tot
de door [aangeefster 2] gevorderde materiële schade en proceskosten heeft de raadsvrouw zich gerefereerd aan het oordeel van rechtbank.
Oordeel van de rechtbank
Ten aanzien van feit 1 ( [aangeefster 1] ):
Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk dat de benadeelde partij de gestelde schade heeft geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het onder feit 1 bewezen verklaarde. De rechtbank acht de hoogte van de vordering passend. Daarbij heeft de rechtbank gelet op de Rotterdamse Schaal en op bedragen die in vergelijkbare strafzaken plegen te worden opgelegd. De rechtbank ziet geen reden om de vordering te matigen. De vordering zal daarom worden toegewezen, vermeerderd met wettelijke rente vanaf
6 september 2023.
Nu de aansprakelijkheid van verdachte vaststaat, zal de rechtbank de schadevergoedingsmaatregel opleggen om te bevorderen dat verdachte de schade zal vergoeden.
De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.
Ten aanzien van feit 2 en 3 ( [aangeefster 2] en [aangeefster 3] ):
De rechtbank acht de feiten niet bewezen waaruit de schade zou zijn ontstaan. De benadeelde partijen zullen daarom niet-ontvankelijk worden verklaard in de vordering.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36f en 247 (oud) van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak gelden.

Uitspraak

De rechtbank

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte onder 2 primair en subsidiair en onder 3 ten laste is gelegd en spreekt verdachte daarvan vrij.
Verklaart het onder 1 primair ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.
Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.
Veroordeelt verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 4 weken.

Bepaalt dat deze gevangenisstraf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond, dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd, die hierbij wordt vastgesteld op 3 jaren, aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt of gedurende die proeftijd de hierna te noemen voorwaarden niet heeft nageleefd.
Voorwaarde is, dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig zal maken aan een strafbaar feit.
Stelt als bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde gedurende de proeftijd:
zich binnen twee werkdagen na de onherroepelijke veroordeling telefonisch meldt bij Reclassering Nederland op telefoonnummer [nummer] . Hij volgt de aanwijzingen van de reclassering op. Veroordeelde blijft zich melden op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. Hier kunnen ook huisbezoeken bij horen;
meewerkt aan diagnostiek en indien geïndiceerd zich laat behandelen door de AFPN of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering. De behandeling duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. Veroordeelde houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling. Gelet op de problematiek kan hieronder ook het innemen van medicijnen vallen, als de zorgverlener dat nodig vindt.
Geeft aan voornoemde reclasseringsinstelling de opdracht als bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.
Voorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde:
  • ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van Pro de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;
  • medewerking zal verlenen aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht, daaronder begrepen.
een taakstraf voor de duur van 80 uren.
Beveelt dat voor het geval de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis voor de duur van 40 dagen zal worden toegepast.
Beveelt dat de tijd die de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en/of voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf geheel in mindering zal worden gebracht naar de maatstaf van 2 uren per dag inverzekeringstelling/voorlopige hechtenis.
Ten aanzien van feit 1:
Wijst de vordering van de benadeelde partij toe en veroordeelt verdachte om aan [aangeefster 1] te betalen:
  • het bedrag van 800,00 (zegge: achthonderd euro);
  • de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 6 september 2023 tot de dag van algehele voldoening;
  • de proceskosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog zal maken, tot heden begroot op nihil.
Legt aan verdachte de verplichting op om ten behoeve van [aangeefster 1] aan de Staat te betalen een bedrag van 800,00 (zegge: achthonderd euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 6 september 2023 tot de dag van algehele voldoening. Dit bedrag bestaat uit immateriële schade.
Bepaalt dat bij gebreke van volledig verhaal van de betalingsverplichting aan de Staat gijzeling voor de duur van 8 dagen kan worden toegepast. De toepassing van gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.
Bepaalt dat als verdachte voldoet aan de betalingsverplichting aan de benadeelde partij of aan de Staat, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd van de betalingsverplichting aan beiden.
Ten aanzien van feit 2:
Verklaart de vordering van [aangeefster 2] niet-ontvankelijk. De vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
Bepaalt dat [aangeefster 2] haar eigen proceskosten draagt.
Ten aanzien van feit 3:
Verklaart de vordering van [aangeefster 3] niet-ontvankelijk. De vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
Bepaalt dat [aangeefster 3] haar eigen proceskosten draagt.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.M. Spooren, voorzitter, mr. G. Eelsing en
mr. M. van der Veen, rechters, bijgestaan door mr. E.E. de Vries, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 14 april 2026.
mrs. M.M. Spooren en M. van der Veen zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage 1 Bewijsmiddelen

Ten aanzien van feit 1:
De rechtbank past de volgende bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder zakelijk weergegeven.
1. De door verdachte ter zitting van 31 maart 2026 afgelegde verklaring, voor zover inhoudend:
Op 6 september 2023, omstreeks 22:00 uur, was ik in Assen aan het fietsen vanaf [café] naar mijn toenmalige woning aan de [adres ] . Ik heb een oude stadsfiets. Dat is een mannenfiets.
2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 8 september 2023, opgenomen op pagina 55 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer BVH 2023299091(onderzoek Vaticaan / NNRBC23221) d.d. 13 oktober 2024, inhoudend als verklaring van [aangeefster 1] :
Ik doe aangifte van aanranding op 6 september 2023. Ik was bij een vriendin in [woonwijk] in Assen. Rond
21.45
uur fietste ik naar huis. Ik had het gevoel dat iemand mij achtervolgde. Ik had achterom gekeken en zag hem steeds dichterbij komen. Een paar meter voor het oversteekpunt greep hij naar mijn borst. Hij ging sneller fietsen. Ik schrok en zei "wat doe je? Wat doe je?". Hij zei niets en is snel doorgefietst naar links de autoweg op richting de Europaweg. De jongen droeg een zwarte rugzak. De jongen die mij heeft aangerand was een blanke Nederlandse jongen, hij was een jaar of 20. Hij was lang en dun. De jongen die mij heeft aangerand had volgens mij een mannenfiets.
De jongen die mij heeft aangerand haalde mij links in. Hij had zijn linkerhand aan het stuur en pakte met zijn rechterhand mijn linker borst, misschien wel 5 seconden. Hij kneep. Ik voelde zijn hele hand, met zijn duim omhoog en zijn vingers naar beneden over mijn borst. Het deed pijn. Later voelde ik het nog steeds alsof er nog iemand in mijn borst kneep.
3. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 9 oktober 2023, opgenomen op pagina 85 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als relaas van verbalisant [verbalisant] :
Op vrijdag 29 september 2023 heb ik onderzoek gedaan naar de gevorderde camerabeelden, welke zijn gemaakt met de beveiligingscamera van [gebouw] op het adres [adres ] te Assen. De gevorderde beelden zijn van woensdag 6 september 2023 tussen 21:30 uur en 22:10 uur. Het tijdstip van het camerasysteem loopt 1 uur achter met de daadwerkelijke tijd. De locatie van deze camera is ongeveer 900 meter verder dan [adres ] , gemeten met “afstand meten in Google Maps. Ik zag op de beelden dat op 6 september 2023 omstreeks 20:59 uur, dus werkelijke tijd 21:59 uur, een meisje voorbij fietsen die voldoet aan het signalement van de aangeefster. Achter het meisje fiets een persoon die overeenkomt met de persoon die
ook op de [adres ] te Assen achter het meisje fietst. De persoon heeft wat langer donker haar in zijn nek.
4. Een kennisgeving van inbeslagneming, d.d. 8 september 2023, opgenomen op pagina 67 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende:
Beslagene
Achternaam: [aangeefster 1]
Voornamen: [aangeefster 1]
Geboren: [geboortedatum] 2008
Volgnummer 1:
Goednummer: PL0100-2023238198-1640092
Object: Kleding (shirt) Bijzonderheden: Wit topje
5. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal vooronderzoek lab, d.d. 18 september 2023, opgenomen op pagina 76 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als relaas van verbalisant [verbalisant] :
Aanleiding onderzoek
In verband met een onderzoek naar een aanranding te Assen werd op verzoek van de Eenheid Noord-Nederland op maandag 18 september 2023 tussen 14:24 uur en 14:38 uur
door mij een forensisch onderzoek verricht naar biologische sporen aan onderstaande sporendrager:
Sporendrager
Goednummer: PL0100-2023238198-1640092 SIN: AAN04690NL
Inhoud/specificatie: Slachtoffer is vastgepakt op haar linkerborst Bijzonderheden: Wit topje
Biologisch vooronderzoek
Ik heb aan de buitenzijde ter hoogte van de linkerborst; een stuk van circa 10cm x 10cm bemonsterd op humane biologische sporen.
Ik heb het spoor veiliggesteld, gewaarmerkt met SIN AAQX4480NL, verpakt en verzegeld.
6. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal waarneming en afname celmateriaal d.d. 10 juli 2024, opgenomen op pagina 30 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als relaas van verbalisanten [verbalisant] en [verbalisant] :
In aanwezigheid van mij, [verbalisant] ( [nummer] ), werd op woensdag 10 juli 2024 om 15:45 uur, door mij, [verbalisant] ( [nummer] ), (niet betrokken bij het onderhavige opsporingsonderzoek) op de locatie [adres ] op
verzoek van de officier van justitie, mr. H.J. Veen, van de verdachte
Achternaam: [verdachte] Voornamen: [verdachte] Geboren: [geboortedatum] 1998 wangslijmvlies afgenomen.
Het afgenomen celmateriaal is door [verbalisant] ( [nummer] ) in beslag genomen. Het celmateriaal is op de voorgeschreven wijze verpakt en voorzien van een identiteitszegel. Op dit identiteitszegel is de naam en geboortedatum van de
verdachte aangebracht. Een identiek identiteitszegel is op dit proces-verbaal aangebracht. Deze identiteitszegel heeft als code WADZ5154NL.
7. Een deskundigenrapport afkomstig van Eurofins van The Maastricht Forensic Institute B.V., zaaknummer TMFI2023.3S03-1 (referentie NFI: 2023 09 22 094), d.d. 18 september 2024, opgenomen op pagina 46
e.v. van voornoemd dossier, opgemaakt door dr. M. Hidding, op de door hem/haar afgelegde algemene belofte als vast gerechtelijk deskundige, voor zover inhoudend als zijn/haar verklaring:
Verzocht is vergelijkend Y-chromosomaal DNA-onderzoek te verrichten aan de bemonstering AAQX4480NL en het referentiemateriaal van verdachte [verdachte] WADZ5154NL, geboren op [geboortedatum] 1998, SKN 12707088.
Het doel van het DNA-onderzoek is om vast te stellen of er DNA aanwezig is in de bemonsteringen en wie de donor kan zijn.
Het DNA-onderzoek aan het sporenmateriaal is uitgevoerd met de PowerPlex® Y23 kit. Hiermee kunnen DNA-kenmerken van maximaal 23 loci aanwezig op het Y-chromosoom worden aangetoond.
De resultaten van het (vergelijkend) DNA-onderzoek zijn weergegeven in Tabel 2.
Berekening van de bewijskracht
Het Y-chromosoom erft over van vader op zoon. Dit betekent dat in de mannelijke lijn het Y-chromosomaal DNA-profiel gelijk is en de frequentie van voorkomen van een aangetroffen Y-chromosomaal DNA-profiel op een andere manier moet worden geschat dan bij autosomaal DNA-onderzoek. Op basis van de vergelijking in de West-Europese metapopulatie met 17 Y-STR-Markers is een inschatting gemaakt van de mate van voorkomen van het Y-chromosomaal DNA-profiel (Discrete-Laplace-Methode). Op basis van deze inschatting is de likelihood-ratio (LR) methode toegepast. Daarbij worden de resultaten bezien in het licht van twee, elkaar uitsluitende hypothesen
Hypothese 1: de bemonstering bevat DNA van verdachte [verdachte] of een andere man in de mannelijke lijn van verdachte.
Hypothese 2: de bemonstering bevat DNA van een willekeurige niet aan verdachte [verdachte] verwante man.
De resultaten van het onderzoek zijn ongeveer 2500 keer waarschijnlijker wanneer hypothese 1 juist is dan wanneer hypothese 2 juist is.
1. Proces-verbaal van bevindingen d.d. 23 september 2024, opgenomen op pagina 53 e.v. van het dossier
van Politie Noord-Nederland met nummer BVH 2023299091(onderzoek Vaticaan / NNRBC23221) d.d. 13 oktober 2024, inhoudend het relaas van verbalisant [verbalisant] .