Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBNNE:2026:1206

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
31 maart 2026
Publicatiedatum
14 april 2026
Zaaknummer
LEE 26/685
Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 8:83 AwbArt. 2.10 Algemene plaatselijke verordening Midden-Groningen 2024Algemene wet bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen last onder dwangsom gemeente Midden Groningen

Verzoekers hebben een last onder dwangsom opgelegd gekregen door het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Midden Groningen vanwege een overtreding van de Algemene plaatselijke verordening. Zij hebben bezwaar gemaakt en beroep ingesteld tegen het besluit, en daarnaast een verzoek om voorlopige voorziening ingediend.

De voorzieningenrechter beoordeelt dat er geen sprake is van onverwijlde spoed of een spoedeisend belang, omdat er geen acute financiële nood of onomkeerbare situatie dreigt. Verzoekers hebben onvoldoende onderbouwd dat zij hun erf niet kunnen gebruiken of dat zij dagelijks schade ondervinden. Het college heeft bovendien aangegeven bereid te zijn de invordering van de dwangsom op te schorten totdat op het beroep is beslist.

Ook is het bestreden besluit niet evident onrechtmatig. Het college baseert het besluit op een uitgebreide rapportage en er is geen reden om ernstig te twijfelen aan de juistheid ervan. Het verzoek om voorlopige voorziening wordt daarom afgewezen. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep open.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen wegens ontbreken van spoedeisend belang en omdat het bestreden besluit niet evident onrechtmatig is.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Bestuursrecht
zaaknummer: LEE 26/685
uitspraak van de voorzieningenrechter van 31 maart 2026 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen

[naam 1 en naam 2 uit woonplaats] , verzoekers,

en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Midden Groningen, het college
(gemachtigde: K. Hoeben).

Inleiding

1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoekers. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
1.1.
De voorzieningenrechter doet op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Awb [1] uitspraak zonder zitting.
1.2.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat het verzoek om voorlopige voorziening moet worden afgewezen. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
1.3.
Met het besluit van 22 juli 2025 heeft het college aan verzoekers een last onder dwangsom opgelegd vanwege overtreding van artikel 2.10 van de Algemene plaatselijke verordening Midden-Groningen 2024 (de APV). Hierbij heeft het college aangegeven dat verzoekers de overtreding kunnen beëindigen door de verkeerssituatie bij [plaats] zodanig aan te passen dat deze in overeenstemming is met de situatie zoals beschreven in het verkeersbesluit van 6 maart 2006. Verzoekers dienen de overtreding voor 15 augustus 2025 te beëindigen. Voldoen zij niet aan deze last dan zal het college overgaan tot uitvoering van de last en verbeuren verzoekers een dwangsom van € 500,- voor elke week dat de strijdigheid voortduurt tot een maximum van € 2.000,-. Verzoekers hebben hiertegen bezwaar gemaakt. Op 28 augustus 2025 hebben verzoekers een verzoek om voorlopige voorziening ingediend. Bij uitspraak van 10 september 2025 [2] heeft de voorzieningenrechter dit verzoek om voorlopige voorziening afgewezen.
1.4.
Het college heeft met het besluit van 22 januari 2026 het bezwaar ongegrond verklaard. Verzoekers hebben hiertegen beroep ingesteld. Dit beroep is bij de rechtbank geregistreerd onder het nummer LEE 26/686. Daarnaast hebben een verzoek om voorlopige voorziening ingediend.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

2. De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht alleen een voorlopige voorziening als "onverwijlde spoed" dat vereist. Bij een financieel geschil is dat niet snel het geval. In beginsel kan namelijk na afloop van de bodemzaak het bedrag waarover het geschil gaat, alsnog worden (terug)betaald, zo nodig met vergoeding van de wettelijke rente. Als er geen onomkeerbare situatie dreigt, bijvoorbeeld faillissement, of acute financiële nood is, neemt de voorzieningenrechter aan dat spoedeisend belang ontbreekt, zodat hij alleen al daarom geen voorlopige voorziening treft.
3. Verzoekers voeren aan dat sprake is van een spoedeisend belang. Hiertoe hebben verzoekers aangegeven dat zij zonder een voorlopige voorziening het risico lopen op handhaving terwijl het beroep nog niet is behandeld. Daarnaast voeren verzoekers aan dat zij hun erf niet kunnen gebruiken en dat zij dagelijks schade ondervinden van de dreiging van handhaving. In de nadere reactie hebben verzoekers – onder meer – aangegeven dat iedere bewoner zijn of haar woning kan bereiken zonder problemen via de daarvoor bestemde en juiste toegangswegen.
4. Het college stelt dat geen sprake is van een spoedeisend belang en onverwijlde spoed. Hiertoe heeft het college aangegeven dat er geen onomkeerbare financiële situatie dreigt door het verbeuren van de (maximale) dwangsom in de zin van faillissement of acute financiële nood. Daarnaast heeft het college aangegeven dat het bestreden besluit niet evident onrechtmatig is nu dit is gebaseerd op een uitgebreide rapportage en er geen grond is om op voorhand ernstig te twijfelen aan de juistheid van het besluit.
5. De vraag of sprake is van een spoedeisend belang omdat zich een acute financiële noodsituatie voordoet beantwoordt de voorzieningenrechter ontkennend. Hiertoe overweegt de voorzieningenrechter dat verzoekers niet hebben onderbouwd dat deze situatie dreigt. De voorzieningenrechter overweegt daarbij dat ten tijde van het indienen van de deze voorlopige voorziening de begunstigingstermijn al geruime tijd was verstreken en de (maximale) dwangsom reeds werd verbeurd. De gevolgen van dit late moment van indiening van het verzoek ligt in de risicosfeer van verzoekers. Ook heeft het college op
17 februari 2026 aan verzoekers een voornemen tot invordering van de verbeurde dwangsom verzonden. Tegen dit voornemen kunnen verzoekers een zienswijze indienen. Daarnaast heeft het college verklaard dat zij bereid is om de invordering op te schorten totdat op het beroep is beslist. Gelet hierop oordeelt de voorzieningenrechter dat geen sprake is van een acute financiële noodsituatie.
5.1.
Voor zover verzoekers hebben beoogd te betogen dat het spoedeisend belang erin is gelegen dat het college tot handhaving kan overgaan door de wegversperringen van
[plaats] te verwijderen zodat de weg onbelemmerd kan worden gebruikt door
niet-gemotoriseerd verkeer en aanwonenden volgt de voorzieningenrechter verzoekers niet. Hiertoe overweegt de voorzieningenrechter dat het verwijderen van de wegversperringen niet leidt tot een onomkeerbare situatie. Mocht in de beroepsprocedure blijken dat de last ten onrechte is opgelegd dan zouden de wegsperringen opnieuw kunnen worden aangebracht. Hierbij betrekt de voorzieningenrechter dat verzoekers niet aannemelijk hebben gemaakt dat bij het dulden van niet-gemotoriseerd verkeerd en omwonenden sprake zal zijn van een dusdanig nijpende situatie dat de behandeling van de beroepszaak ter zitting niet kan worden afgewacht.
6. Gelet op het bovenstaande is de voorzieningenrechter van oordeel dat verzoekers geen spoedeisend belang hebben. Dan kan de door verzoekers gevraagde voorziening alleen nog worden getroffen als het bestreden besluit evident onrechtmatig is. Met evident onrechtmatig wordt bedoeld dat zonder diepgaand onderzoek naar de relevante feiten en/of het recht zeer ernstig moet worden betwijfeld of het door het college ingenomen standpunt juist is en of het bestreden besluit in stand zal blijven. Met andere woorden: als overduidelijk is dat het college ten onrechte een overtreding van verzoekers heeft geconstateerd. Daarvan is hier naar het oordeel van de voorzieningenrechter geen sprake. Het antwoord op de vraag of er sprake is van een overtreding leent zich in beginsel niet voor deze spoedprocedure omdat daarvoor grondiger onderzoek nodig is. Het college heeft het bestreden besluit gebaseerd op een uitgebreide rapportage en de voorzieningenrechter is gelet op de inhoud daarvan van oordeel dat niet op voorhand duidelijk is dat ernstig getwijfeld moet worden aan de juistheid van het bestreden besluit. De voorzieningenrechter ziet ook in wat verder is aangevoerd geen aanleiding om te oordelen dat sprake is van een situatie waarin het bestreden besluit evident onrechtmatig is.

Conclusie en gevolgen

7. Het verzoek is daarom kennelijk ongegrond. De voorzieningenrechter wijst het verzoek dus af. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.G.D. Overmars, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. S.I. Havinga, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 31 maart 2026.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Algemene wet bestuursrecht.