Beoordeling van het bewijs
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte ten aanzien van parketnummer 18-323583-24 feit 1 primair dient te worden vrijgesproken. Ten aanzien van het subsidiair ten laste gelegde heeft de officier van justitie veroordeling gevorderd. Als de agenten verdachte benaderen, houdt hij [slachtoffer 3] voor zich en verschuilt hij zich achter haar terwijl een van de agenten zijn stroomstootwapen op hem probeert te richten. Door [slachtoffer 3] voor zich te houden heeft verdachte willen bewerkstelligen dat de agenten hem zouden laten gaan.
Ten aanzien van parketnummer 18-291448-24 ten laste gelegde feiten heeft de officier van justitie veroordeling gevorderd Ten aanzien van het onder 3 primair ten laste gelegde heeft de officier van justitie aangevoerd dat op de camerabeelden is te zien dat verdachte aangeefster een harde klap geeft en dat hij - als zij op de grond ligt- met zijn rechtervoet uithaalt en tegen haar hoofd schopt. Het hoofd en het aangezicht zijn kwetsbare onderdelen van het lichaam. Door met kracht tegen het hoofd te slaan en te schoppen heeft verdachte minstens voorwaardelijk opzet gehad op zwaar letsel.
Ten aanzien van parketnummer 18-069391-25 feit 1 heeft de officier van justitie veroordeling gevorderd voor het primair ten laste gelegde, te weten het tezamen in vereniging vervoeren van drugs. De nauwe en bewuste samenwerking blijkt eruit dat gezien wordt dat verdachte geld in ontvangst neemt en de medeverdachte vervolgens iets verstrekt.
Ten aanzien van het parketnummer 18-140364-25 heeft de officier het volgende aangevoerd. Voor feit 1 (vernieling telefoon) geldt dat de aangifte ondersteund wordt door de chats waarin verdachte aangeeft dat hij geld wil geven voor de telefoon. De vernieling van de auto onder feit 2 kan wettig en overtuigend worden bewezen op basis van de aangifte van [slachtoffer 15] , de fotos van de schade en de verklaring van getuige [slachtoffer 3] .
De onder feit 3 ten laste gelegde mishandeling kan wettig en overtuigend worden bewezen op basis van de aangifte en de fotos van het letsel.
Voor feit 5 (belaging) blijkt dat verdachte meerdere keren per dag contact zoekt met aangeefster. Gelet op de context, frequentie en de aard van berichten is er sprake van een stelselmatige inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van aangeefster.
Voor de overige feiten heeft de officier van justitie eveneens veroordeling gevorderd.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft betoogd dat verdachte moet worden vrijgesproken van de primair onder feit 3 ten laste gelegde poging tot zware mishandeling, het onder parketnummer 18-291448-24,
feit 1 primair en subsidiair ten laste gelegd, het onder parketnummer 18-323583-24 feit 1 en ten laste gelegde, het vervoeren/verhandelen van drugs ten laste gelegd onder feit 1 van parketnummer 18-069391-25 alsmede het onder parketnummer 18-140364-25 ten laste gelegde feit 1 (vernieling telefoon), feit 2 (vernieling auto), feit 3 (mishandeling) en feit 5 (belaging).
Ten aanzien van de vernieling van de auto ten laste gelegd onder feit 2 van parketnummer 18-140364-25 heeft de raadsvrouw aangevoerd dat niet kan worden vastgesteld of de schade die twee weken later via fotos wordt getoond aan de politie het gevolg is van het handelen van verdachte.
Oordeel van de rechtbank
Ten aanzien van parketnummer 18-291448-24:
Feit 3 primair
Vrijspraak poging tot zware mishandeling
De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan een poging tot zware mishandeling. De rechtbank overweegt hiertoe het volgende. Slaan, stompen en/of schoppen op het hoofd en lichaam kan een aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel met zich meebrengen. Dergelijk letsel is veelal het gevolg indien met veel kracht op of tegen een kwetsbaar lichaamsdeel, bijvoorbeeld op of tegen (een deel van) het hoofd wordt geslagen of gestompt. Het dossier bevat echter geen informatie over de manier waarop en de kracht waarmee door verdachte is geslagen, gestompt en geschopt. Hoewel verdachte heeft verklaard aangeefster te hebben geslagen, doch niet te hebben gestompt of geschopt, is niet bekend of aangeefster daardoor letsel heeft opgelopen en indien dit het geval was, waaruit dat letsel bestond. De rechtbank kan hieruit niet afleiden dat verdachte met zodanige kracht geweld heeft gebruikt dat er een aanmerkelijke kans aanwezig was dat daardoor bij aangeefster zwaar lichamelijk letsel zou ontstaan. De rechtbank kan dan ook niet vaststellen dat verdachte opzettelijk, ook niet in voorwaardelijke zin, heeft gepoogd aangeefster zwaar lichamelijk letsel toe te brengen en zal verdachte daarom vrijspreken van het primair ten laste gelegde.
Ten aanzien van parketnummer 18-323583-24:
Feit 1
De rechtbank van oordeel dat er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs is ten aanzien van zowel het primair als het subsidiair ten laste gelegde feit. De rechtbank overweegt daartoe dat het, gelet op de aangevoerde feiten en omstandigheden, niet aannemelijk is dat verdachte aangeefster heeft vastgehouden met het oogmerk de verbalisanten daardoor te dwingen om verdachte niet aan te houden. Evenmin volgt
uit het dossier dat de verdachte hiermee gepoogd heeft verbalisanten te dwingen tot het nalaten van diens aanhouding. De rechtbank acht het niet aannemelijk dat de eventuele psychische druk zoals deze door de verbalisanten is ervaren, is veroorzaakt door het handelen van verdachte. De agenten hadden onjuiste informatie van derden gekregen over de aanwezigheid van een mes, waardoor zij een andere inschatting hebben gemaakt van de situatie. Het gegeven dat verdachte en [slachtoffer 3] elkaar niet wilden loslaten en niet bij elkaar wilden weggaan, is door de agenten kennelijk aangemerkt als een bedreigende situatie. Naar het oordeel van de rechtbank is onvoldoende komen vast te staan dat verdachte anderen heeft gedwongen in de betekenis van zowel artikel 282a als artikel 179 van het Wetboek van Strafrecht, noch dat diens opzet daar op was gericht. De rechtbank zal verdachte dan ook vrijspreken van het primair en subsidiair ten laste gelegde onder feit 1.
Ten aanzien van parketnummer 18-140364-25:
Feit 1
De rechtbank is van oordeel dat er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs is ten aanzien van het onder feit 1 ten laste gelegde.
Aangeefster verklaart dat verdachte haar telefoon zou hebben vernield. Verdachte verklaart dat aangeefster haar eigen telefoon heeft vernield. Getuige [slachtoffer 15] heeft enkel een kapotte telefoon gezien, maar heeft de gedraging waardoor de telefoon zou zijn beschadigd of vernield, niet waargenomen, waardoor haar verklaring voor geen van beide scenarios redengevend kan zijn. De rechtbank kan op basis van het dossier derhalve niet vaststellen wie de telefoon heeft vernield of beschadigd en zal verdachte daarom vrijspreken van het ten laste gelegde.
Feit 3
De rechtbank acht feit 3 evenmin wettig en overtuigend bewezen. Verdachte erkent dat er een ruzie en een worsteling hebben plaatsgevonden, maar ontkent de ten laste gelegde handelingen. De aangifte wordt voor klein gedeelte ondersteund door het proces-verbaal van bevindingen over het letsel van aangeefster. Daar staat tegenover dat op de telefoon van verdachte fotos zijn aangetroffen van 6 april 2025 waarop letsel bij verdachte te zien is. De verklaringen van aangeefster en verdachte staan aldus lijnrecht tegenover elkaar.
Om deze reden is voor de rechtbank onduidelijk gebleven wat er precies is gebeurd. Over wie begonnen is met geweld wordt door aangeefster en verdachte verschillend verklaard en er is geen ander bewijsmiddel dat hierover uitsluitsel kan geven. Verdachte zal daarom voor feit 3 worden vrijgesproken.
Feit 5
De rechtbank is van oordeel dat er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs is ten aanzien van het onder feit 5 ten laste gelegde.
Uit de inhoud van het dossier volgt het beeld van een turbulente relatie tussen verdachte en aangeefster. Deze relatie was, zo blijkt uit de verklaringen van zowel verdachte als aangeefster, doordrenkt van boosheid en er was veelvuldig sprake van over en weer aantrekken en afstoten. Aangeefster heeft eerder bij de politie verklaard dat zij verdachte opzettelijk afstoot om verdachte te triggeren, waarop verdachte dan weer reageert. De relatie werd eerder meermaals voortgezet na (een) periode(n) van aantrekken en
afstoten. Gelet op deze context is het naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende vast te stellen of de berichten van dusdanige aard waren om daardoor aangeefster tegen haar wil te dwingen iets te doen, te dulden of haar vrees aan te jagen. Verdachte zal worden vrijgesproken van dit feit.
Ten aanzien van parketnummer 18-291448-24:
De rechtbank acht feit 1 wettig en overtuigend bewezen, zoals hierna opgenomen in de bewezenverklaring. Nu verdachte dit feit duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend, volstaat de rechtbank met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering.
Deze opgave luidt als volgt:
de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 8 januari 2026;
een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 9 september 2024, opgenomen op pagina 21 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer PL0100-2024246994 d.d. 12 september 2024, inhoudend de verklaring van [slachtoffer 1] .
De rechtbank acht feit 2 wettig en overtuigend bewezen, zoals hierna opgenomen in de bewezenverklaring. Nu verdachte dit feit duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend, volstaat de rechtbank met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering.
Deze opgave luidt als volgt:
de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 8 januari 2026;
een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 22 juli 2024, opgenomen op pagina 81 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer PL0100-2024197340 d.d. 12 september 2024, inhoudend de verklaring van [slachtoffer 2] .
De rechtbank acht feit 3 subsidiair wettig en overtuigend bewezen, zoals hierna opgenomen in de bewezenverklaring. De rechtbank past de volgende bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder zakelijk weergegeven.
1. De door verdachte ter zitting van 8 januari 2026 afgelegde verklaring, voor zover inhoudend:
Ik stond op 14 augustus 2024 op het pleintje met [slachtoffer 3] . We hadden ruzie. Ik heb haar geslagen met de platte hand;
2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 21 augustus 2024, opgenomen op pagina 111 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer PL0100-2024228180 d.d. 12 september 2024, inhoudend als verklaring van [slachtoffer 3] :
Hij sloeg mij twee kort achter elkaar in mijn gezicht. Hij sloeg de eerste keer met een half gebalde vuist en de tweede slag was met een gebalde vuist. Dit was beide met zijn rechterhand;
3. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 21 augustus 2024, opgenomen op pagina 117 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als relaas van verbalisant [verbalisant] :
Ik zag dat de man, met de helm, met zijn rechter arm uithaalde en de vrouw een stomp gaf. Ik zag dat de man met zijn rechtervoet uithaalde en tegen het hoofd van de vrouw schopte;
De rechtbank acht feit 4 wettig en overtuigend bewezen, zoals hierna opgenomen in de bewezenverklaring. Nu verdachte dit feit duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend, volstaat de rechtbank met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het
Wetboek van Strafvordering.
Deze opgave luidt als volgt:
de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 8 januari 2026;
een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 9 september 2024, opgenomen op pagina 26 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer PL0100-2024247013 d.d. 12 september 2024, inhoudend de verklaring van [slachtoffer 3] .
De rechtbank acht feit 5 wettig en overtuigend bewezen, zoals hierna opgenomen in de bewezenverklaring. Nu verdachte dit feit duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend, volstaat de rechtbank met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering.
Deze opgave luidt als volgt:
de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 8 januari 2026;
een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 1 oktober 2024, opgenomen op pagina 6 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer PL0100-2024268007 d.d. 22 november 2024, inhoudend de verklaring van [slachtoffer 5] .
Ten aanzien van parketnummer 18-033481-24
De rechtbank acht het onder dit parketnummer ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen, zoals hierna opgenomen in de bewezenverklaring. Nu verdachte dit feit duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend, volstaat de rechtbank met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering.
Deze opgave luidt als volgt:
de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 8 januari 2026;
een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aanhouding d.d. 30 januari 2024, opgenomen op pagina 5 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer PL0100-2024026616 d.d. 13 juni 2024, inhoudend het relaas van verbalisanten [slachtoffer 6] en [slachtoffer 7] .
Ten aanzien van parketnummer 18-192253-24:
De rechtbank acht feit 1 wettig en overtuigend bewezen, zoals hierna opgenomen in de bewezenverklaring. Nu verdachte dit feit duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend, volstaat de rechtbank met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering.
Deze opgave luidt als volgt:
de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 8 januari 2026;
een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 12 juni 2024, opgenomen op pagina 23 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer PL0100-2024155157 d.d. 20 juni
2024, inhoudend de verklaring van [slachtoffer 8] .
De rechtbank acht feit 2 wettig en overtuigend bewezen, zoals hierna opgenomen in de bewezenverklaring. De rechtbank past de volgende bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder zakelijk weergegeven.
1. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 19 mei 2024, opgenomen op pagina 6 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer PL0100-2024131485 d.d. 20 juni 2024, inhoudend als verklaring van [slachtoffer 9] :
Op 19 Mei 2024 omstreeks 04:00 werd ik wakker in mijn huis. Ik woon aan [adres] . Omstreeks 04:40 uur zag ik op het beeldscherm van ons beveiligingscamerasysteem dat er vuur bij de voordeur was. Op dat moment omstreeks 04:41 uur hoorde ik een enorme knal. Ik zag dat het raam van de voordeur stuk was gegaan door de explosie. Ik zag dat er een brandplek op mijn voordeur zat door de explosie. Mijn deur is vernield door de knal;
2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 12 juni 2024, opgenomen op pagina 12 van voornoemd dossier, inhoudend als relaas van verbalisant [verbalisant] :
Ik zag dat op 2024-05-19, 04:42:45 uur een persoon voor het perceel, op de stoep kwam aanlopen en even voor het perceel bleef staan. Ik zag vervolgens dat deze persoon naar de woning liep. Ik zag dat deze persoon in de camera keek en vervolgens even weg keek. Ik zag dat deze persoon een voorwerp afstak met vermoedelijk een aansteker. Ik zag dat deze persoon het voorwerp dat werd aangestoken ontvlamde. Ik zag dat deze persoon dit afgestoken voorwerp richting de woning gooide en hierna snel wegrende richting de straatzijde en uit beeld verdween. Ik zag dat er bij de woning na enkele seconden vuurflitsen en enorm veel rook te zien was. Ik hoorde ongeveer 10 seconden hierna een enorme knal en hierna was veel rook en vuurvonken te zien.
3. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 12 juni 2024, opgenomen op pagina 14 van voornoemd dossier, inhoudend als relaas van verbalisant [verbalisant] :
Ik, verbalisant [verbalisant] , bekeek de camerabeelden en ik zag gelijk aan zijn gezicht, zijn ogen dat het [verdachte] was. Het was geen enkele twijfel. Ik herkende [verdachte] direct voor 100%;
4. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van herkenning persoon door opsporingsambtenaar d.d. 19 mei 2024, opgenomen op pagina 63 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als relaas van verbalisant [verbalisant] :
De persoon en op still 1 herken ik als: [verdachte] . Ik herkende hem aan het totaalbeeld van zijn kenmerken. De ronde vorm van zijn gezicht. Aan zijn herkenning droegen de volgende specifieke kenmerken bij: De stand van zijn ogen en wenkbrauwen. Ik herkende hem onmiddellijk toen ik de still zag.
Ten aanzien van parketnummer 18-323583-24:
De rechtbank acht feit 2 wettig en overtuigend bewezen, zoals hierna opgenomen in de bewezenverklaring. Nu verdachte dit feit duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend, volstaat de rechtbank met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering.
Deze opgave luidt als volgt:
1. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 10 oktober 2024, opgenomen op pagina 6 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer PL0100- 2024277801 d.d. 29 oktober 2024, inhoudend de verklaring van [slachtoffer 11] ;
2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 12 oktober 2024, opgenomen op pagina 55 e.v. van voornoemd dossier d.d. 29 oktober 2024, inhoudend de verklaring van verdachte.
Ten aanzien van parketnummer 18-106511-25:
De rechtbank acht het onder dit parketnummer ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen, zoals hierna opgenomen in de bewezenverklaring. Nu verdachte dit feit duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend, volstaat de rechtbank met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering.
Deze opgave luidt als volgt:
de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 8 januari 2026;
een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 13 december 2024, opgenomen op pagina 5 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer PL0100-2024343047 d.d. 25 februari 2025, inhoudend de verklaring van [slachtoffer 12] .
Ten aanzien van parketnummer 18-007386-25:
De rechtbank acht het onder dit parketnummer ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen, zoals hierna opgenomen in de bewezenverklaring. Nu verdachte dit feit duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend, volstaat de rechtbank met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering.
Deze opgave luidt als volgt:
de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 8 januari 2026;
een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 19 november 2024, opgenomen op pagina 5 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer PL0100-2024317021 d.d. 2 december 2024, inhoudend de verklaring van [slachtoffer 13] .
Ten aanzien van parketnummer 18-069391-25:
De rechtbank acht feit 1, voor zover dat ziet op het vervoeren van 6,76 gram MDMA, wettig en overtuigend bewezen, zoals hierna opgenomen in de bewezenverklaring. De rechtbank past de volgende bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder zakelijk weergegeven.
1. De door verdachte ter zitting van 8 januari 2026 afgelegde verklaring, voor zover inhoudend:
Ik moest de drugs bewaren voor iemand. Ik nam het met mij mee op straat omdat ik het niet kwijt mocht raken;
2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van onderzoek verdovende middelen d.d. 18 december 2024, opgenomen op pagina 75 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met BVH-nummer NN 2024337385, inhoudend als relaas van verbalisanten [verbalisant] en [verbalisant] :
- Uniek Voorwerp Nummer: AAST3655NL
- Object: 7 mini gripzakjes met 14 gleuftabletten met hoogdruk van Spongebob.
- Nettogewicht: 6,76 gram.
Onderzoek aan '7 mini gripzakjes met groene rand met daarin in totaal 14 gele gleuftabletten met hoogdruk van "Spongebob"' (AAST3655NL).
Veiliggesteld monster afkomstig van goed AAST3655NL= AASP5921NL & AASP5922NL
- Uitgevoerde testen bij monster (AASP5921NL) (0,94 gram); positief voor MDMA.
- Uitgevoerde testen bij monster (AASP5922NL) (0,93 gram) positief voor MDMA
- Een schriftelijk bescheid, te weten een rapport van NFiDENT van 19 december 2024, opgenomen op pagina 89 van voornoemd dossier, inhoudend de bevindingen van ing. [naam 1] :
De rechtbank acht onvoldoende bewijs aanwezig voor het in vereniging vervoeren van de drugs die bij de medeverdachte zijn aangetroffen, nu op basis van het dossier niet is komen vast te staan of de transacties die de verbalisanten hebben waargenomen daadwerkelijk transacties van drugs betroffen en zo ja, welke drugs die dan waren. De rechtbank zal verdachte daarom in zoverre van het ten laste gelegde medeplegen vrijspreken.
De rechtbank acht feit 2 wettig en overtuigend bewezen, zoals hierna opgenomen in de bewezenverklaring. Nu verdachte dit feit duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend, volstaat de rechtbank met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering.
Deze opgave luidt als volgt:
de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 8 januari 2026;
Een schriftelijk bescheid, te weten een rapport van NFiDENT van 19 december 2024, opgenomen op pagina 89 van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer PL0100- 2024337385, inhoudend de bevindingen van ing. [naam 1] :
Ten aanzien van parketnummer 18-140364-25:
De rechtbank acht feit 2 wettig en overtuigend bewezen, zoals hierna opgenomen in de bewezenverklaring. De rechtbank past de volgende bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder zakelijk weergegeven.
1. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 16 april 2025, opgenomen op pagina 144 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer PL0100-2025099099 d.d. 30 april 2025, inhoudend als verklaring van [slachtoffer 15] :
Zij deed aangifte namens het slachtoffer [slachtoffer 14] , geboren op
[geboortedatum] 1979 te [geboorteplaats] . Op 6 april 2025 tussen 05:00 en 06:00 uur zat ik met mijn nichtje [slachtoffer 3] in de auto. Opeens kwam de ex van mijn nichtje genaamd [verdachte] opduiken. Vervolgens zag ik dat hij tegen de deur bijrijderskant aanschopte. Toen hij tegen de auto aanschopte voelde ik de auto bewegen. De schade bestaat uit een forse deuk in de deur. De auto met kenteken [kenteken] staat op naam van mijn moeder. Mijn moeder weet dat ik deze aangifte doe;
2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 6 april 2025, opgenomen op pagina 116 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer PL0100-2025088592 d.d. 21 juli 2025, inhoudend als verklaring van [slachtoffer 3] :
Hij (de rechtbank begrijpt: verdachte) schopte ook tegen de auto;
3. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen, inclusief fotobijlage, d.d. 8 mei 2025, opgenomen op pagina 152 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als relaas van verbalisant [verbalisant] :
De foto's van de schade heeft [slachtoffer 14] inmiddels doen toekomen aan de politie.
De rechtbank is op basis van de verklaring van aangeefster en getuige in combinatie met de fotos van de schade, van oordeel dat voldoende vast staat dat verdachte de schade aan de auto heeft veroorzaakt.
De rechtbank acht feit 4 wettig en overtuigend bewezen, zoals hierna opgenomen in de bewezenverklaring. Nu verdachte dit feit duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend, volstaat de rechtbank met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering.
Deze opgave luidt als volgt:
De verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 8 januari 2026;
Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 29 april 2025, opgenomen op pagina 154 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer PL0100-2025111049 d.d. 21 juli 2025, inhoudend de verklaring van [slachtoffer 3] .
De rechtbank acht feit 6 primair wettig en overtuigend bewezen, zoals hierna opgenomen in de bewezenverklaring. Nu verdachte dit feit duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend, volstaat de rechtbank met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering.
Deze opgave luidt als volgt:
De verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 8 januari 2026;
Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aanrijding overtreding d.d. 28 april 2025, opgenomen op pagina 99 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer PL0100-2025110787 d.d. 21 juli 2025, inhoudend het relaas van verbalisant [verbalisant] ;
Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van getuigenverhoor d.d. 28 april 2025, opgenomen op pagina 44 van voornoemd dossier, inhoudend de verklaring van [getuige] .
De rechtbank acht feit 7 wettig en overtuigend bewezen, zoals hierna opgenomen in de bewezenverklaring. Nu verdachte dit feit duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend, volstaat de rechtbank met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering.
Deze opgave luidt als volgt:
De verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 8 januari 2026;
Een schriftelijk bescheid, te weten een rapport van NFiDENT van 14 mei 2025, opgenomen op pagina 492 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer PL0100-2025118843, inhoudend de bevindingen van [naam 2] .
De rechtbank acht feit 8 wettig en overtuigend bewezen, zoals hierna opgenomen in de bewezenverklaring. Nu verdachte dit feit duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend, volstaat de rechtbank met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering.
Deze opgave luidt als volgt:
De verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 8 januari 2026;
Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van onderzoek wapen d.d. 16 juni 2025, opgenomen op pagina 509 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer PL0100-2025118894 d.d. 21 juli 2025 inhoudend de bevindingen van verbalisant [verbalisant] .