Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBNNE:2026:1314

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
16 april 2026
Publicatiedatum
20 april 2026
Zaaknummer
LEE 23/5008
Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 EVRMArt. 3:4 AwbArt. 1:2 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid beroep raad gemeente Westerkwartier tegen besluit Gedeputeerde Staten inzake onttrekking straat aan openbaar verkeer

De raad van de gemeente Westerkwartier heeft beroep ingesteld tegen het besluit van Gedeputeerde Staten Groningen, die het administratief beroep van een derde-partij tegen een raadsbesluit over de gedeeltelijke onttrekking van een straat aan het openbaar verkeer heeft behandeld.

De rechtbank oordeelt dat de raad geen procesbelang heeft bij de inhoudelijke beoordeling van het besluit van Gedeputeerde Staten, omdat de raad reeds bereikt had dat de straat niet gedeeltelijk aan de openbaarheid zou worden onttrokken. Hierdoor is het beroep van de raad niet-ontvankelijk verklaard en is de zaak niet inhoudelijk behandeld.

Daarnaast heeft de derde-partij een verzoek om immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn ingediend, maar dit verzoek is afgewezen omdat in een andere procedure reeds een vergoeding is toegekend.

De rechtbank wijst het beroep van de raad af en verklaart het niet-ontvankelijk, waardoor de raad geen recht heeft op terugbetaling van griffierecht of proceskostenvergoeding. Tevens wordt de raad erop gewezen dat Gedeputeerde Staten een integrale belangenafweging dienen te maken in vervolg op de uitspraak in de andere procedure.

Uitkomst: Het beroep van de raad wordt niet-ontvankelijk verklaard en het verzoek om immateriële schadevergoeding wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: LEE 23/5008

uitspraak van de meervoudige kamer van 16 april 2026 in de zaak tussen

de raad van de gemeente Westerkwartier

(gemachtigden: A. Veenstra en mr. P. Zoeten )
en

Gedeputeerde Staten van Groningen

(gemachtigden: mr. D. Schuldink en D.G.I. Joosten ).
Als derde-partij neemt aan de zaak deel:
[naam 1 uit woonplaats]
(gemachtigde: [naam 2] ).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over het beroep dat de raad van de gemeente Westerkwartier (de raad) heeft ingesteld bij de rechtbank. Het beroep is gericht tegen het besluit dat door Gedeputeerde Staten van Groningen is genomen op het administratief beroep van [naam 1] . Dat administratief beroep is door [naam 1] ingesteld tegen het besluit van de raad, nadat de raad het verzoek van [naam 1] had afgewezen dat ertoe strekt om de [straatnaam] gedeeltelijk aan het openbaar verkeer te onttrekken.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep van de raad niet-ontvankelijk is. De rechtbank beoordeelt de zaak dus niet inhoudelijk. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt.

Procesverloop

2. Bij wet van 11 juli 2018 is met ingang van de datum van herindeling de nieuwe gemeente Westerkwartier ingesteld, bestaande uit het grondgebied van de opgeheven gemeenten Grootegast, Leek, Marum en Zuidhorn en een deel van het grondgebied van de gemeente Winsum. [1] Die wet is op 15 september 2018 in werking getreden. [2]
2.1.
De [straatnaam] te [woonplaats] vormt een verbinding tussen de Provincialeweg (N981) aan de noordzijde en de Zuiderweg aan de zuidzijde. [naam 1] woont op het adres [straatnaam] 2. Zijn woning ligt op het perceel kadastraal aangeduid als Gemeente Grootegast, [perceel 1] . Perceelnummer [perceel 2] ligt ten oosten daarvan en parallel daaraan. Over laatstgenoemd perceel loopt de [straatnaam] . Beide percelen zijn eigendom van [naam 1] . De [straatnaam] ligt op het grondgebied van de gemeente Westerkwartier.
2.2.
Bij brief van 21 januari 2022 heeft [naam 1] de raad verzocht om de [straatnaam] gedeeltelijk aan de openbaarheid te onttrekken. Het verzoek ziet op het gedeelte van de [straatnaam] dat ligt op perceelnummer [perceel 2] .
2.3.
Bij besluit van 22 februari 2023 heeft de raad het verzoek van [naam 1] afgewezen. [naam 1] heeft daartegen administratief beroep ingesteld bij Gedeputeerde Staten. Gedeputeerde Staten hebben vervolgens in hun besluit van 17 oktober 2023 de motivering van het besluit van de raad gewijzigd en het besluit van de raad verder in stand gelaten.
3. De raad heeft beroep bij de rechtbank ingesteld tegen dat besluit van Gedeputeerde Staten. Bij brief van 29 december 2023 heeft de raad het beroep aangevuld.
3.1.
Bij brief van 14 oktober 2024 is de zaak verwezen naar een meervoudige kamer.
3.2.
Bij brief van 14 oktober 2024 is aan partijen medegedeeld dat het onderhavige beroep gevoegd wordt behandeld met het beroep van [naam 1] , dat is ingeschreven onder zaaknummer LEE 23/5006.
3.3.
Bij brief van 23 januari 2025 heeft [naam 1] nieuwe gronden ingediend. Die brief bevat verder een verzoek om schadevergoeding inzake overschrijding van de redelijke termijn en een verzoek om de zaak met voorrang te behandelen.
3.4.
Op 4 mei 2025 heeft [naam 1] producties in het geding gebracht.
3.5.
Bij brief van 29 december 2025 heeft de raad het beroep aangevuld.
3.6.
Bij brief van 4 januari 2026 heeft [naam 1] beroepsgronden en producties in het geding gebracht. In hetzelfde geschrift heeft hij het verzoek aangevuld dat gaat over immateriële schadevergoeding vanwege overschrijding van de redelijke termijn.
3.7.
Gedeputeerde Staten hebben op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
3.8.
Bij e-mailbericht, verzonden op 9 januari 2026 hebben Gedeputeerde Staten de op de zaak betrekking hebbende stukken aangevuld met een brief van 3 juli 2006 van het college van de toenmalige gemeente Grootegast over de uitoefening van de brandweerzorg.
3.9.
Bij brief van 12 januari 2026 heeft [naam 1] gereageerd op de schriftelijke uiteenzetting die de raad van de gemeente Westerkwartier heeft ingediend als derde-partij in het beroep van [naam 1] .
3.10.
Bij brief van 12 januari 2026 hebben Gedeputeerde Staten de op de zaak betrekking hebbende stukken aangevuld.
3.11.
Bij e-mailbericht verzonden op 15 januari 2026 hebben Gedeputeerde Staten op telefonisch verzoek van de griffier alsnog de stukken met betrekking tot de wegenlegger van de [straatnaam] te [woonplaats] van de gemeente Grootegast (de wegenlegger) ingediend.
3.12.
Bij e-mailbericht verzonden op 15 januari 2026 heeft [naam 1] foto’s in het geding gebracht.
3.13.
De rechtbank heeft het beroep van [naam 1] en het beroep van de raad gevoegd behandeld op de zitting van 22 januari 2026. De raad heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden. Gedeputeerde Staten hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden. [naam 1] is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde.
3.14.
De rechtbank heeft de zaken LEE 23/5006 en LEE 23/5008 na de behandeling op de zitting gesplitst. Daarom wordt op beide beroepen separaat uitspraak gedaan.

Beoordeling door de rechtbank

4. De relevante verdrags- en wetsbepalingen staan in de bijlage.
Heeft de raad procesbelang bij een inhoudelijke beoordeling van het besluit van Gedeputeerde Staten van 17 oktober 2023?
5. De rechtbank is van oordeel dat de raad geen procesbelang heeft bij een inhoudelijke beoordeling van het besluit van Gedeputeerde Staten van 17 oktober 2023.
5.1.
Gelet op het geschil dat partijen verdeeld houdt is relevant of de raad van de gemeente Westerkwartier een belang heeft bij de uitkomst van deze procedure. Het gaat om het antwoord op de vraag wat hij concreet met zijn rechtsmiddel wil dan wel kan bereiken. Het betreft niet de vraag óf hij gelijk heeft. Het gaat erom of hij een reëel en actueel belang heeft bij het gelijk, als hij dat zou hebben. Als een reëel en actueel belang niet aanwezig is, dan is de bestuursrechter niet geroepen uitspraak te doen uitsluitend vanwege de principiële betekenis daarvan. Evenmin is procesbelang aanwezig als het alleen nog gaat om de vraag of de door Gedeputeerde Staten gevolgde procedure in rechte stand zou houden.
5.2.
De beantwoording van de vraag of de raad procesbelang heeft is gebaseerd op de ter zake doende stukken, zoals die tot de sluiting van het onderzoek op 22 januari 2026 door partijen in het geding zijn gebracht. [3]
5.3.
Tussen partijen is niet in geschil dat Gedeputeerde Staten het besluit van de raad in stand heeft gelaten en dat het besluit van de raad strekt tot afwijzing van het verzoek van [naam 1] van 21 januari 2022. Daarmee had de raad ten tijde van het instellen van beroep reeds bereikt wat hij wilde, te weten dat de [straatnaam] niet gedeeltelijk aan de openbaarheid zou worden onttrokken. Het procesbelang van de raad bij een beroep op de bestuursrechter heeft dus van meet af aan ontbroken, omdat de raad reeds bereikt had wat hij wilde.
5.4.
Voor zover de raad door het instellen van beroep beoogde in de gelegenheid te worden gesteld om de eigen belangen en de eigen motivering te onderbouwen levert dat evenmin procesbelang op. Gelet op de uitspraak van heden in het beroep van [naam 1] in de zaak LEE 23/5006 is het aan Gedeputeerde Staten om uitvoering te geven aan die uitspraak. In de administratief beroepsprocedure van [naam 1] is de raad een belanghebbende, zodat zijn belangen in die procedure aan bod kunnen komen. [4]
Heeft [naam 1] in deze procedure recht op een immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn?
6. [naam 1] heeft in deze procedure geen recht op een immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. [naam 1] heeft ook zelf beroep ingesteld, bekend onder LEE 23/5006. Bij uitspraak van heden is op dat beroep beslist. In die uitspraak is al immateriële schadevergoeding toegekend. Zodoende is [naam 1] voldoende gecompenseerd voor zover hij spanning en frustratie heeft ondervonden als gevolg van de onderhavige beroepszaak.

Conclusie

7. Gelet op het bovenstaande zal de rechtbank het beroep van de raad niet-ontvankelijk verklaren en het verzoek van [naam 1] om immateriële schadevergoeding afwijzen.
8. Omdat het beroep van de raad niet-ontvankelijk zal worden verklaard krijgt hij het griffierecht niet terug. Evenmin bestaat aanspraak op een vergoeding van de door hem gemaakte proceskosten.
9. De rechtbank overweegt ten overvloede dat Gedeputeerde Staten ter zitting naar voren hebben gebracht dat zij in het bestreden besluit niet alle belangen hebben besproken en gewogen, omdat zij vonden dat het veiligheidsargument al voldoende gewicht in de schaal had gelegd. Gelet op de uitspraak van heden in het beroep van [naam 1] bestaat voor Gedeputeerde Staten aanleiding om alsnog een integrale belangenafweging te verrichten.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep van de raad niet-ontvankelijk;
  • wijst het verzoek om immateriële schadevergoeding van [naam 1] af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S. Ketelaars-Mast, voorzitter, en mrs. A.S. Broere en R.L. Herregodts, leden, in aanwezigheid van mr. D.H. ter Beek, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 16 april 2026.
griffier
voorzitter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop een afschrift van deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke verdrags- en wetsbepalingen
Convention for the Protection of Human Rights and Fundamental Freedoms
Article 6
1. In the determination of his civil rights and obligations […], everyone is entitled to a fair and public hearing within a reasonable time by an independent and impartial tribunal established by law. […]
2-3. […]
Algemene wet bestuursrecht
Artikel 3:4
1. Het bestuursorgaan weegt de rechtstreeks bij het besluit betrokken belangen af, voor zover niet uit een wettelijk voorschrift of uit de aard van de uit te oefenen bevoegdheid een beperking voortvloeit.
2. De voor een of meer belanghebbenden nadelige gevolgen van een besluit mogen niet onevenredig zijn in verhouding tot de met het besluit te dienen doelen.

Voetnoten

1.. Stb. 2018, 280.
2.. Stb. 2018, 281.
3.. Rov. 3.3. van ECLI:NL:RVS:2019:1301.
4.. Artikel 1:2 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb).